[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE PLEK DER MISDAAD.

Met razende snelheid gleed de slede, waarop de bewustelooze lord Lister lag, langs de glooiende baan naar beneden. Plotseling volgde een hevige schok, de slede was met den voorkant tegen een tamelijk hooge dwarsbalk gestooten.

Door dezen stoot werd de slede van haar last bevrijd en werd toen door middel van een zeer vernuftig aangebrachte machinerie weer teruggeslingerd.

Bij dezen slag moest natuurlijk het lichaam van den ongelukkige vooruitvliegen. Hij maakte tweemaal een buiteling in de lucht en vloog toen in de richting van een tamelijk ruime opening in de rots.

Men hoorde het geluid als van opspringend water en daarna bleef alles doodstil.……

Maar wat was dat?

Een klotsend geluid verbrak de stilte en plotseling vlamde een licht op.

John Raffles lag op de knieën en hield in de rechterhand zijn electrische zaklantaarn om rondom zich heen te zien. Wat hij aanschouwde, was ontzettend. Door de vreeselijke slingering, die zijn lichaam door de botsing der dwarsbalken ondervonden had, was hij tot in den rechterhoek van het rotsachtige hol geslingerd.

De grond was op deze plaats zeer steil. Er bevond zich daar tamelijk veel water. Als Raffles op den rotsachtigen bodem was terecht gekomen, had hij onvermijdelijk eenige ribben, wellicht zijn nek gebroken. Het water had echter de kracht van de botsing getemperd. Het had ook nog een andere goede werking; de koele bedding deed den bewustelooze uit zijn verdooving ontwaken.

Daar de Groote Onbekende instinctmatig zijn zakdoek in den mond had gestopt, toen het kleine toestel zijn verderfelijke werking begon, was de verdooving niet zoo erg geweest als lady Ethel veronderstelde. Het koude water deed zijn uitwerking en daarom geraakte Raffles spoedig weer uit zijn verdooving en kwam hij tot zichzelven.

Nadat hij eerst den zakdoek uit zijn mond had genomen, kreeg hij spoedig zijn electrische zaklantaarn te voorschijn, om zich te overtuigen, waar hij eigenlijk was.

Hij bevond zich in een ruimte, die wel tien meter in ’t vierkant was.

Er was geen venster, dat licht gaf of licht kon binnenlaten. Ongeveer zes meter over den aardbodem zag hij aan een der muren een donkere opening. Dat was [16]het einde van de glijbaan, waarop hij zoo snel van de torenkamer in de vreeselijke diepte gegleden was.

De atmosfeer in deze gruwelijke gevangenis was om te stikken en er heerschte een vochtige, verschrikkelijke ontbindingslucht.

Raffles had zich uit zijn knielende houding opgericht en bewoog zich nu langzaam voorwaarts.

Plotseling stootte zijn voet op een voorwerp. Toen hij het licht der electrische lantaarn daarheen richtte, zag hij tot zijn ontsteltenis het skelet van een mensch, waaruit bij het ongewone lichtverschijnsel eenige ratten de vlucht namen. Walging en schrik maakten zich van hem meester.

Plotseling werd zijn opmerkzaamheid door een aanhoudend gorgelend gedruisch getrokken. Hij ging naar de plaats terug, waarheen hij was geslingerd en vanwaar het geluid was gekomen. Tot zijn verbazing bemerkte hij, dat het water, dat hem bij de val zulke groote diensten had bewezen, bijna verdwenen was.

Een ronde, ijzeren klep was in de diepte gezonken. Hij begreep nu ook, waarom hij in de voeten een sterke, stekende pijn gevoelde. Bij den val uit de hoogte was hij met volle kracht met de voeten tegen die klep geslagen en deze had zich naar buiten geopend, waardoor het water kon afvloeien.

Raffles ging dadelijk een en ander eens wat nader onderzoeken en kwam tot de ontdekking, dat deze klep van onderen te openen was en wel door een ketting, die, over raderen geleid, in een smalle rotskloof voerde.

Lord Lister was op de steenen gaan zitten en lichtte met zijn lantaarn in het gat achter het luik. Tot zijn verbazing ontdekte hij, dat er eenige traptreden achter schenen te liggen. Hij wilde reeds door het luik gaan om een en ander te onderzoeken, toen een klaterend geluid achter hem zijn opmerkzaamheid trok. Hij keerde zich om en zag tot zijn verbazing, dat plotseling uit twee pijpen, die hij tevoren niet had opgemerkt, waterstralen plasten.

Als een bliksemstraal flitste hem de gedachte door het brein, dat de duivelsche vrouw hem wilde laten verdrinken.

Steeds sterker rolden de waterstralen van de hoogte neer. Als Raffles niet in zijn val het luik had opengestooten, zou het water in vijf minuten wel tot manshoogte zijn geklommen. Thans echter vloeide het even snel naar beneden af als het van boven neer ruischte.

Raffles had zich in een hoek van het hol teruggetrokken, waar hij volkomen droog bleef. Hij begreep heel terecht, dat die waterval wel eens zou ophouden.

Om zich den tijd wat te verdrijven, wilde hij een sigaret opsteken, maar hij bemerkte tot zijn teleurstelling dat deze in zijn etui kletsnat en dus onbruikbaar waren geworden. Hij wierp de sigaretten op den grond en de kleine, witte rolletjes werden door den stroom in den afgrond gespoeld.

Zijn goed humeur zegevierde echter spoedig en hij mompelde:

„Als ik toch die lekkere douche krijg, zal ik mij maar een beetje gaan wasschen.”

Hij rekte de armen uit, schoof z’n manchetten wat in de hoogte en begon z’n vuile handen te wasschen.

Na ruim drie minuten werd de waterval al minder en minder en hield eindelijk geheel op.

Lord Lister keek op zijn horloge en zag, dat het half vijf was.

Vroolijk mompelde hij:

„Het zal u tegenvallen, lady Ethel, als ge denkt, van mij bevrijd te zijn. Neen, mijn waarde, John Raffles heeft een taai leven. Zijn goed gesternte straalt en spoedig zult ge het genoegen hebben, mij weer te zien.

„Laat ons nu eens beproeven, zoo gauw mogelijk deze behaaglijk ingerichte „vreemdenkamer” te ontruimen, voordat misschien een nieuwe verrassing komt. ’t Is eigenlijk heelemaal niet beleefd, lady Ethel, om gasten zoo’n vochtig bed te geven.”

Hij boog zich wederom naar het luik voorover, lichtte in de diepte en stelde vast, dat er inderdaad eenige traptreden naar beneden voerden.

Hij nam de lantaarn tusschen de tanden en ging in de diepte.

Hij voelde vasten bodem, liet de handen voorzichtig los, greep de lantaarn en lichtte eens in het rond. [17]

De drie traptreden leidden naar een donkere gang, die scheen voort te loopen. De gang was droog; het water moest dus in de rotsspleten wegvloeien. De lucht was ook hier nog drukkend, maar Raffles bedacht zich geen oogenblik en ging snel voorwaarts.

Nadat hij nauwelijks twintig schreden had geloopen, bemerkte hij, dat de gang zich vertakte. Welken weg moest hij nu volgen?

Moest hij naar links of rechts uitgaan?

Hij redeneerde aldus:

„Ik weet niet of ik rechtuit of naar links vlugger in vrijheid komen zal. De weg links schijnt gemakkelijker te zijn, die rechtuit echter steil naar beneden te voeren. Waarom moet de mensch zich het leven onaangenaam maken, als dit niet absoluut noodig is? Laat ons dus naar links gaan.”

En hij ging naar deze richting.

Nadat hij ongeveer tweehonderd schreden had afgelegd, boog de gang scherp naar rechtsom en spoedig stond Raffles voor een kleine trap, die in de rotsen was uitgehouwen en die naar een met ijzer beslagen poort voerde.

Raffles bekeek die deur.

Waar zou ze heenvoeren? Hij overtuigde zich ervan, dat hij zijn pistool bij zich had, nam deze in de hand en wilde juist probeeren de poort te openen, toen hij bedacht, dat het pistool zeker niet meer al te betrouwbaar zou zijn. Zijn sigaretten waren immers nat geworden; zijn patronen konden immers ook vochtig zijn geworden, zoodat ze zouden weigeren.

Dit oogenblik van aarzelen was uitstekend voor lord Lister, want plotseling hoorde hij achter de poortdeur stemmen. Hij kroop in een hoek en doofde zijn lantaarn.

De deur scheen heel dik te zijn, want hoewel hij zijn uiterste krachten inspande, kon hij slechts weinig verstaan.

„Hij hoorde, dat een diepe stem over „vlammen” en „vonken” sprak, hoorde ook, dat twee andere stemmen antwoordden, was echter niet in staat, den inhoud van het gesprokene te verstaan.

„’t Is goed,” overdacht hij, „misschien heb ik op den anderen weg meer geluk. Het geheim, dat hierachter steekt, zal ik later wel uitvorschen. Ik moet nu eerst weer het daglicht zien.”

Hij ging den gekomen weg weer terug en was spoedig wederom op de plek, waar de gang zich vertakte.

Langzaam en voorzichtig voortloopend constateerde hij nu inderdaad, dat deze gang inderdaad loodrecht in de diepte voerde. Aan den rechterkant was een stevige ijzeren ketting aangebracht, die zeker als steunpunt diende, opdat men op den gladden bodem niet zou uitglijden.

Zoo vlug mogelijk zocht Raffles in de gang voorwaarts te dringen en plotseling stond hij recht tegenover een steilen rotswand. Hij overtuigde er zich van, dat hij ongeveer drie kwartier voor zijn afdaling had gebruikt. Toen lichtte hij met zijn lantaarn langs den muur.

Hij begreep, dat hier ergens een uitgang moest zijn.

Toen begon hij langs den muur te kloppen en heel onder aan verried een holle klank, dat een der steenen niet vastzat.

Raffles spande nu alle krachten in en het gelukte hem tenslotte inderdaad het kleine rotsblok te verwijderen.

Nu lichtte hij opnieuw met de lantaarn in de ruimte, die thans ontstaan was. Alles was duister.

Hij vond, dat zijn toestand langzamerhand heel onaangenaam begon te worden.

Maar toch kroop hij door de opening en liet toen wederom het licht van de lantaarn in het rond vallen.

Een huivering beving hem.

Hij stond op een lijkkist. Verderop stonden twee doodkisten dwars. Hij begreep, dat hij in een familiegraf stond.

Voorzichtig stapte hij van de doodkist af en zocht verder naar een uitgang. Nu zou hij spoedig in vrijheid zijn, want de deur, die naar het familiegraf leidde, moest wel gemakkelijk te openen zijn.

Nadat Raffles met de grootste moeite het rotsblok weer op zijn plaats had geborgen, ging hij naar de deur, die naar het grafgewelf voerde. Deze ging gemakkelijk [18]open en na enkele minuten bevond Raffles zich weder in vrijheid.

Met diepe halen ademde hij de vrije lucht in. Toen rekte hij zich uit om zijn ledematen wederom de oude buigzaamheid terug te geven.