[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

HET GEHEIM VAN DE DOODKIST.

De avondschemering was gevallen. In het westen daalde de zon in oranjekleurigen gloed en een zachte avondkoelte ruischte door de boomtoppen. In majestueuze rust breidde zich de doodenakker voor Raffles uit.

Zijn scherp oor vernam nu naderende schreden en een oogenblik later doemde een welbekende gestalte op.

Lord Lister durfde zijn oogen nauwelijks te gelooven. Het was Charly Brand, die het kerkhof te Inverary had opgezocht, in de hoop, iets te ontdekken van de geheimzinnige, onderaardsche gang, waarvan de waard had verteld.

Daar stond hij plotseling tegenover zijn besten vriend.

Charly kon in het eerst geen woorden vinden, toen hij Raffles voor zich zag, die in zijn vuile kleeren met het verwarde haar nauwelijks te herkennen was.

Raffles lachte om de verbazing van zijn vriend en zei:

„Ja, beste Charly, zóó ziet er nu iemand uit, die twee keer bijna verdronken was en door rotspartijen heele buitelingen heeft gemaakt.”

Op Charly’s verbaasde vragen vertelde lord Lister zijn avontuur.

Toen hij vertelde van zijn onvrijwillig bad, drong Charly er op aan, naar huis te gaan, want zijn vriend vreesde, dat Lister ziek kon worden.

„Wees onbezorgd, Charly, ik voel mij zoo gezond als een visch in het water. Wij gaan nog niet naar huis. Ik ben blij, dat ik je zoo onverwacht ontmoet heb. Ik zal je nu eerst den ingang van het hol wijzen, men kan nooit weten waarvoor het goed is, dat je georiënteerd bent. Heb je je zaklantaarn bij je?”

Charly knikte bevestigend.

„Des te beter. Wij hebben dus dubbel licht en zullen het grafgewelf nog eens gaan onderzoeken.”

De beide vrienden gingen terug naar het gewelf.

Raffles klom het eerst weer op de doodkist, die aan den rotsmuur stond.

Bij het scherpe licht bemerkte Raffles, dat een veel grootere steen op de kleinere lag, waardoor de eigenlijke ingang naar het gewelf was afgesloten.

„Ik geloof, dat ik me vergist heb, Charly. Ik dacht eerst, dat deze toegang al wel een halve eeuw of nog ouder was, maar nu zie ik, dat de ijzeren handvatsels van veel nieuweren datum zijn. Het is heel duidelijk, dat menschenhanden van tijd tot tijd regelmatig deze handvatsels hebben aangepakt.”

„Je kunt wel gelijk hebben, Edward.”

Raffles was weer van de doodkist afgestapt en bekeek haar nauwkeurig.

„Het is wel zeker, dat hier veel voetstappen gestaan hebben, Charly.”

Toen de groote onbekende den lichtbundel van zijn lantaarn verder over de doodkist liet glijden, ontsnapte plotseling een kreet van verrukking zijn lippen. [19]

Hij had aan den eenen kant een stukje roode stof ontdekt, die bij het sluiten van het deksel tusschen de doodkist was geklemd.

„Hola, jongen! Ik geloof niet, dat men de dooden hier in een rood kleed begraven heeft, dat bovendien nog zoo nieuw schijnt, dat er niet eens vocht is ingedrongen. Ik zou wel eens willen weten of er hier niet een vreemde doode rust! Dat moeten we onderzoeken. Ben je misschien bang?”

„Maar Edward! Houdt je mij voor zoo’n hazenhart? Vooruit, aan ’t werk!”

Raffles had zijn werktuigen te voorschijn gehaald en begon nu de schroeven los te maken, waarmee het deksel van de doodkist was bevestigd.

Aan de gemakkelijkheid waarmee de schroeven waren los te draaien, bemerkte men onmiddellijk, dat zij dikwijls en zeker nog voor korten tijd geopend waren.

Spoedig was de arbeid geëindigd.

Beide vrienden grepen het deksel, hieven het op en lieten het op den grond glijden. Toen namen zij de lantaarns en lichtten in het binnenste der kist

Raffles barstte in een schaterlach uit, toen hij den inhoud zag.

Het hoofdeinde der doodkist, dat door een plank was af gedeeld, was met goud- en zilverstukken opgevuld. In de overige ruimte van de doodkist lagen in een rooden doek gewikkeld, verscheiden andere metalen.

Bij nadere beschouwing bleek, dat deze stukken metaal deels uit gedegen goud en zilver bestonden, deels uit gouden ringen, armbanden, medaillons, enzoovoorts, waar de juweelen, die als versiering er in hadden gezeten, waren uitgenomen. Naar alle waarschijnlijkheid was deze voorraad metaal bestemd om te worden saamgesmolten.

Charly had eenige van de blinkende munten in de hand genomen en bekeek ze opmerkzaam. Raffles trad nader en bekeek ze eveneens. Zijn scherpen blik ontging het niet, dat hij hier vervalschingen voor zich had.

„Dat is dus het geheim van de doodkist. Het schijnt de schatkist van een bende valsche munters te zijn.”

Raffles dacht nog eens scherp na.

„Nu begrijp ik ook Charly, wat die stem sprak, die ik achter de deur hoorde en die over vlammen en vonken sprak.”

Charly had intusschen den doek te voorschijn gehaald, waarin de munten hadden gelegen; er kwam een onaangename geur uit.

„Aha”, zei Raffles, „daarom dus die zonderlinge bergplaats. De doek is in een zuur gedrenkt en dit moet, samen met de vochtige lucht in het grafgewelf, den munten een oud uitzien geven. Het valsche geld kan ons niet van nut zijn, maar het gedegen goud en zilver kan ons goede diensten bewijzen bij onze tochten in Londen en onze arme vrienden uit den nood helpen.”

Met kennersblik bekeek de Groote Onbekende de stukken en liet toen alles van waarde in zijn zakken glijden.

Toen deze arbeid volbracht was, sloten de beide vrienden de doodkist weder.

„En nu, Charly, willen we eens gaan onderzoeken, wie dezen grafkelder behoort.”

Zij verlieten de ruimte, waarin zij zulke belangrijke ontdekkingen hadden gedaan en zulke groote schatten hadden gevonden.

Op een steen aan den ingang, die weder stevig werd gesloten stond:

Grafkelder van de familie Webster.

„Wie is Webster?” fluisterde Raffles en de beide vrienden haastten zich om zoo snel mogelijk de herberg in Inverary te bereiken, die ongeveer tien minuten van het kerkhof lag verwijderd. [20]