Op het politie-bureau in Scotland-Yard heerschte groote opwinding. Ongeveer twee weken geleden waren op de verschillende Banken in Londen valsche gouden en zilveren munten in omloop gekomen.
Tevergeefs waren alle dievenholen, alle bekende boevenkroegjes en helersnesten doorzocht. De politie had geen moeite ontzien om de valsche munters op het spoor te komen, maar alles bleef zonder eenig resultaat.
De som van de in omloop gekomen valsche munten moest niet heel groot zijn, want er waren geen aanmeldingen meer ingekomen en het groote publiek dacht allang niet meer aan de alarmeerende berichten.
„De duivel schijnt vandaag losgebroken,” vloekte inspecteur Baxter, toen hij, voor den twintigsten keer in een uur aan de telefoon werd geroepen.
Telegraaf en telefoon stonden vandaag niet stil. De beambten wisten niet, waar zij heen moesten.
Uit Birmingham, Bristol, Plymouth, Hull, zelfs uit Dublin in Londonderry kwamen berichten in, dat er wederom gouden en zilveren munten waren aangehouden en dat alles erop wees, dat de sporen der valsche munters naar Londen wezen.
De berichten kwamen binnen in zoo groot aantal, dat men er geen raad mee wist.
„Zoo’n brutaliteit is nog niet voorgekomen. Ik zou wel eens willen weten, hoe die bende dat heeft aangelegd. Die moeten wel een bondgenootschap met den duivel hebben gesloten. Het lijkt wel, alsof zij over de gezamenlijke koninkrijken een regen van valsch geld hebben neergestrooid. Wat denkt gij er van, Marholm?”
De toegesprokene scheen de eenige te zijn, die in de algemeene opwinding zijn kalmte bewaard had.
Hij stak het laatste hapje van zijn avondboterham in den mond en zei lachend:
„Het is mij voorloopig totaal onverschillig, waarde Baxter, hoe de kerels het hebben aangelegd.”
„Nu ja, u is alles onverschillig,” viel Baxter in. „Ik heb je al honderd keer gezegd, dat je absoluut geen aanleg hebt voor detective.”
Op doodkalmen toon antwoordde Marholm:
„Ik meende slechts, dat het van veel grooter belang is om te weten, wie de kerels zijn, dan hoe ze het hebben aangelegd.”
In dit oogenblik trad een beambte binnen, die een klein pakje bracht, dat aan Baxter was geadresseerd.
Baxter nam het pakje in ontvangst en bekeek het poststempel met groote opmerkzaamheid.
Hij las den naam Edinburg. Nadenkend draaide hij het pakje heen en weer. Het handschrift kwam hem bekend voor, en toch kon hij het niet thuis brengen. Eindelijk besloot hij het te openen. In het papier zat wederom een papier, dat met een draad stevig was dichtgebonden. Door het papier heen voelde Baxter duidelijk zware, ronde voorwerpen. Hoofdschuddend sneed hij den draad door en opende het tweede papier.
Toen hij dit gedaan had, ontsnapte hem een kreet van verbazing. Vóór hem lagen twee gouden en een zilveren munt.
Baxter schoof de goudstukken ter zijde en vouwde een brief open, die er onder lag. Bij het lezen werd zijn gezicht steeds langer en langer. De toornader zwol op zijn voorhoofd. Met een zwaren vloek sprong hij plotseling op en sloeg met de gebalde vuist zóó [21]heftig op de tafel, dat de drie geldstukken omhoog sprongen.
Marholm draaide zich verschrikt om en vroeg:
„Maar mr. Baxter, wat is er gebeurd?”
Deze liep als door een wesp gestoken in het kantoor heen en weer. Zijn gelaat gloeide van opwinding:
„Dat is een grenzelooze brutaliteit! Ik geloof, dat ik mijn verstand verloren heb!”
„Maar mr. Baxter vertel toch eens!”
„Zoo’n onbeschaamdheid, Marholm. Zóó’n onbeschaamdheid!”
Baxter nam den brief, die bij de geldstukken in het pakje had gezeten en las:
Den Heer
Politie-Inspecteur Baxter,
Londen.Tot mijn groote spijt was ik dikwijls genoodzaakt u allerlei kleine teleurstellingen te bereiden.
Heden ben ik zoo gelukkig u daarvoor een weinig schadeloos te stellen.
Ik zend u bijgaand twee gouden en een zilveren munt. Dit stelt echter niet de schadeloosstelling voor. Ik zou die nooit durven aanbieden aan zulk een verdienstelijk beambte!
Maar ik heb een voor u gewichtige ontdekking gedaan! Deze munten komen bijna direct uit de werkplaats van de bende valsche munters, die op het oogenblik geheel Engeland overstroomt met hun fabricaat.
Ik weet dus, waar die schurken te vinden zijn.
Het spijt mij, u op het oogenblik geen nadere inlichtingen te kunnen verstrekken, want ik moet zelf nog in die buurt werkzaam zijn.
Ik verzoek u echter, over drie dagen op het postkantoor te Edinburg een aan u geadresseerden brief af te halen. Hierin zult gij nauwkeurig vinden aangeduid, waar gij de valsche munters te zoeken hebt.
Ik hoop, U hiermee een dienst te bewijzen en blijf gaarne hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.
Baxter was bij het lezen steeds woedender geworden. Marholm daarentegen hield zich, bijna stikkende van het lachen, aan de tafel vast.
Vol woede hijgde Baxter:
„Wat beteekent dat domme gelach? Gij moest liever probeeren, dien schurk, dien Raffles, onschadelijk te maken.”
„Kalm, kalm, mijn waarde. Gij hebt hem zeker al een dozijn keeren laten ontsnappen, al was hij ook nog zoo dicht bij u. Wie kan het mij dan kwalijk nemen, dat ik hem niet pak? Het doet mij bijna genoegen, dat de man ons voor den gek houdt; hij moet een geestige kerel zijn.”
„Kom, Marholm, ben je nu heelemaal krankzinnig geworden?”
„Waarom? Hij brengt ons immers op het spoor der valsche munters.”
„Daaraan geloof ik nog niet. In elk geval zal ik mij niet aan zijn aanwijzing storen, maar dadelijk naar Schotland vertrekken.”
„Ziet gij, dat zou ik niet doen, mr. Baxter. Ik ben ervan overtuigd, dat gij niets vindt, als Raffles het niet wil.”
„Je dwepen met Raffles staat mij werkelijk tegen!”
Mopperend ging Baxter aan een schrijftafel zitten, terwijl Marholm, vroolijk glimlachend, zijn glas nog eens volschonk. [22]