„Wacht U morgen middag”, luidde het bescheid, dat ons noodzaakte dien avond om half zes Washington te verlaten. Om elf uur den volgenden ochtend waren wij te Boston en na ons wat verfrischt te hebben, vervolgden wij de reis. Het onderhoud met Colonel House leidde tot betere resultaten. Hij liet mij uitvoerig aan het woord en nadat ik hem volledig had ingelicht, gaf hij als zijn meening te kennen, dat ik President Wilson zelf moest spreken. Hij zou trachten den President er toe over te halen mij een onderhoud toe te staan.
In afwachting van het oogenblik dat mij de uitnoodiging om op het Witte Huis te verschijnen, zou bereiken, verbleef ik op Bar Harbor, in Maine, het prachtig gelegen eiland waar vele rijke Amerikanen hunne zomerverblijven hebben. Ik was er met Miss Balch de gast van Miss Jane Addams. Na eenigen tijd deelde President Wilson mij mede, dat hij mij Woensdag 15 September wilde ontvangen. Ik moest echter alleen komen en iemand uit een der oorlogvoerende landen kon hij onmogelijk ontvangen.
Maar ook dit bezoek bracht mij een teleurstelling. Wat ik ook vroeg, steeds antwoordde de President dat Amerika zelf in moeilijkheden verkeerde en dat hij daarom geen definitief antwoord op hetgeen ik vroeg mocht geven. De omstandigheden konden zich elken dag wijzigen, dus moest hij vrij blijven om te doen wat op een oogenblik het beste zou blijken. Zelfs een zeer oppervlakkige en onofficieele verklaring zou hem aan banden kunnen leggen, en dat wilde hij vermijden. „Ik moet kunnen ageeren op het oogenblik dat ik het meest geschikt acht, en op de wijze die mij dan de meest doelmatige lijkt”,—zeide hij. Intusschen was hij van meening, dat de neutrale landen in Europa zelfstandig een actie konden beginnen. Wat hem betrof, geen oogenblik zou hij een dergelijk optreden beschouwen als een onvriendelijke daad tegen Amerika.
Bij dit bezoek heb ik den indruk gekregen, dat Woodrow Wilson hooge idealen koesterde maar dat hij de kracht zou [168]missen om die te verwezenlijken, als zich eens groote hinderpalen voordeden. Hij scheen ook niet voldoende te beseffen dat zijn groote macht om iets ten goede te bereiken ten opzichte van het beëindigen van den oorlog, belemmerd werd door het feit, dat hij, die nooit in Europa was geweest, zich omtrent de daar heerschende toestanden een dikwijls verkeerd denkbeeld had gevormd.
Zoolang ik den President nog niet had gesproken, meende ik mij niet in het openbare leven in Amerika te moeten mengen. Vandaar mijn weigering om spreekbeurten te vervullen of interviews toe te staan. Na mijn ontmoeting met den heer Wilson zag ik er echter geen bezwaar in te Chicago eenige spreekbeurten te vervullen. Gedurende de vijf dagen dat ik er de gastvrijheid van Mrs. Wilmarth genoot, heb ik elken dag een of meer lezingen gehouden, niet alleen over oorlog en vrede, maar ook over vrouwenkiesrecht.
Na mijn audiëntie bij den President, richtte hij een vriendelijk briefje aan Miss Addams. Zij heeft het mij in originali afgestaan, met de bedachtzame en hartelijke bedoeling dat het mij wellicht van dienst kon zijn indien men, na mijn terugkeer in Nederland, het onderhoud in twijfel mocht trekken. Steeds is dat epistel in mijn bezit gebleven. Niet uit dezelfde overweging, maar als een sprekend bewijs voor de uitgelezen heuschheid van den President, laat ik het hier volgen:
THE WHITE HOUSE
WASHINGTONSeptember 23, 1915
My dear Miss Addams,
I warmly appreciate your kind letter about Dr. Aletta Jacobs. You may be sure that it gave me great pleasure to meet so interesting a woman.
Cordially and sincerely yours
(w.g.) Woodrow Wilson.Miss Jane Addams
Hulls Cove, Maine.
⁂
[169]
De „Nieuw Amsterdam” van de Holland-Amerika Lijn waarop ik mij den 13den Augustus naar New York had ingescheept, zou mij den 5den October naar het vaderland terugvoeren. Behalve dat wij bij het begin van de reis nauwkeurige instructies kregen hoe te handelen als het schip onverhoeds op een mijn mocht loopen, gebeurde er niets bijzonders tot wij in de haven van Falmouth voor anker lagen. Daar werden wij om een, door de Engelsche autoriteiten nooit volkomen opgehelderde reden, een week lang vast gehouden. Herhaaldelijk werd in dien tijd de boot doorzocht, van de machinekamer tot het want. De kolenvoorraden haalde men onderst boven, de kajuiten werden in elk hoekje en gaatje gerevideerd en onze papieren werden herhaaldelijk van A tot Z bestudeerd.
Nadat wij zeven dagen achtereen een behoorlijk eind uit den wal voor anker hadden gelegen, zonder dat het een der opvarenden vergund werd de boot te verlaten, weerklonk ten langen leste het vertreksignaal. Toen bereikten wij zonder verdere incidenten de haven van Rotterdam. Zóó vroeg waren wij binnen, dat ik nog dienzelfden dag aan onze Ministers van Binnen- en Buitenlandsche Zaken verslag van mijn reis naar Amerika en mijn bezoek aan President Wilson kon uitbrengen.
Nadien heb ik tijdens de oorlogsjaren mijn krachten in samenwerking met Rosa Manus gegeven aan den arbeid, voortspruitende uit het in stand houden van de Liga voor duurzamen vrede.
Nauwelijks echter was de wapenstilstand gesloten of van allen kant drong men aan op een bijeenkomst van vrouwen. Hoewel ik persoonlijk meende, dat het niet wel mogelijk zou zijn, zoo spoedig als men wenschte een goed bezochte conferentie te doen houden, hielp ik van ganscher harte mede aan het voorbereiden eener bijeenkomst, welke op 5 Mei 1919 te Zürich werd uitgeschreven. Een week voor dien datum begaf ik mij in gezelschap van de dames C. Ramondt-Hirschmann en F. W. van Wulfften Palthe-Broese van Groenou naar Zwitserland. [170]
’t Was nog in de dagen dat vooral in Duitschland geen geregelde treinenloop bestond. Werkstakingen en opstootjes waren aan de orde van den dag. Vandaar dat wij gaarne van de gelegenheid gebruik maakten, om in den specialen trein, die in verband met een te Bazel georganiseerde jaarmarkt, van Arnhem naar Zwitserland zou loopen, plaatsen te reserveeren. Des ochtends om zes uur vertrokken wij uit Arnhem. In ’t midden van den vollen trein was voor de drie dames die in gezelschap van ik weet niet hoeveel heeren, den tocht zouden ondernemen, een coupé gereserveerd. Wij rekenden al uit dat wij den volgenden ochtend Zwitserland zouden hebben bereikt, toen de reizigers elkander vertelden, dat in Duitschland weer eens spoorwegstakingen waren uitgebroken, met het gevolg dat vooral in de omgeving van het station Frankfort alles in disorde was.
Toen wij het grensstation Elten bereikt hadden, werd aan de passagiers medegedeeld, dat de berichten omtrent de werkstaking en de baldadigheden langs de spoorwegen van dien aard waren, dat de Hollandsche trein in geen geval verder zou gaan. Men liet de reizigers de keus, terug te keeren naar de plaats van vertrek of op eigen risico verder te reizen. Wij drieën, onbewust van wat ons te wachten stond, waren de eersten die verklaarden de reis te willen voortzetten. Eenige heeren sloten zich bij ons aan, de groote meerderheid echter keerde naar Arnhem terug.
Het gezelschap waarmede wij aanvankelijk den tocht voortzetten, werd aan elk station kleiner, zoodat wij ten slotte met slechts drie heeren te Frankfort aan kwamen. Wel was de reis bezwaarlijk. Telkens moesten wij op de koude, tochtige perrons wachten en wachten, tot ten langen leste een treintje kwam opdagen dat ons weer een eindje verder bracht. En nooit kon men ons te voren zeggen hoe ver wij zouden komen. Dat hing geheel af van de willekeur van het personeel. Eindelijk, na vijf dagen sporens, hadden wij Zürich bereikt. Toen wij ’s middags [171]om vijf uur het station binnen stoomden, werden wij door onze Amerikaansche vriendin, Miss Balch, en eenige vrouwen uit Zürich, hartelijk welkom geheeten. Zij vertelden ons dat in verband met de ontstane moeilijkheden waardoor het postverkeer totaal ontwricht was, het congres een week was uitgesteld. Zoowel aan de voorbereidende werkzaamheden als aan die welke uit het Congres zelve voortvloeiden, heb ik mijn volle kracht gegeven. Toen echter na afloop der bijeenkomst, volgens een vroeger genomen besluit, het bureau van Amsterdam naar Genève, den zetel van den Volkenbond, werd verplaatst, beschouwden Rosa Manus en ik, die beide verklaard hadden geen bestuursfunctie meer te kunnen aanvaarden, onze taak in het bestuur als geëindigd.
Intusschen had ik mijn domicilie van Amsterdam naar Den Haag verplaatst. Nauwelijks uit Zürich in de Nederlandsche residentie teruggekeerd, bereikte mij de semi-officieele uitnoodiging om met een of twee door mij zelf aan te wijzen reisgenooten een tocht door Duitschland te maken, ten einde mij te overtuigen van de funeste gevolgen, welke de nog steeds niet opgeheven blokkade voor de volksgezondheid had. De omstandigheid dat men mij allerlei faciliteiten, waaronder vergoeding van reis- en verblijfkosten aanbood, was oorzaak, dat ik de invitatie nog even in beraad hield. Wilde ik mij inderdaad een juist beeld van de heerschende toestanden kunnen vormen, dan moest ik onafhankelijk mijn onderzoek kunnen instellen.
Terwijl ik nog overlegde hoe ik, zelfstandig optredend, goed gedocumenteerde gegevens zou kunnen bijeenbrengen aan de hand waarvan dan eventueel later een hulpactie op touw gezet kon worden, vroeg Miss Jane Addams mij of ik er iets voor voelde om mij te voegen bij een commissie, bestaande uit haar zelf, Dr. Alice Hamilton en Miss Carolina Wood uit Amerika, die in Duitschland gegevens omtrent den heerschenden voedselnood wilden verzamelen. Tegelijk met dit Amerikaansche [172]gezelschap zou een commissie van vier leden, gekozen uit de Engelsche „Society of Friends”, voor hetzelfde doel een reis door Duitschland maken. Gaarne nam ik dat aanbod aan.
Den zevenden Juli kwamen wij te Berlijn aan en ontmoetten er Dr. Elisabeth Rotten, de Duitsche vertegenwoordigster van de „Society of Friends”, die ons als gids en raadgeefster zou dienen. Drie weken duurde onze tocht. Het mateloos wee van zoovele duizenden, de zee van ellende waarin gansch een volk was gedompeld, troffen mij zoo, dat ik niet den moed had om, zooals aanvankelijk in de bedoeling had gelegen, na Duitschland, ook Oostenrijk-Hongarije te bezoeken. Ik voelde dat mijn krachten te kort zouden schieten en vond het daarom beter naar het eigen land terug te keeren en, zoo mogelijk door publicatie van hetgeen ik had aanschouwd, het publiek te bewegen op uitgebreide schaal aan de hongerende en uitgemergelde menschen hulp te bieden.
DR. ALETTA H. JACOBS MET MISS JANE ADDAMS, MISS CAROLINA WOOD EN DR. ALICE HAMILTON UIT AMERIKA EN MISS MARION FOX EN MISS JOHN FRY UIT ENGELAND, IN 1919 IN DUITSCHLAND OM DE GEVOLGEN VAN DE HONGERBLOKKADE NA TE GAAN
Hoewel ik mijn rapport zoo sober mogelijk had opgesteld, moest ik het, alvorens het gepubliceerd te krijgen, hier en daar verzachten. Dat de ellende in Duitschland zulke afmetingen had aangenomen, kon en wilde men ten onzent toen nog niet begrijpen.
Van alles wat ik had gezien, trof mij het meest den totaal ondermijnden gezondheidstoestand van het komende geslacht. Wat moest er van die lichamelijk volkomen uitgeputte kinderen terecht komen? Hoe zou na verloop van jaren het nageslacht wezen van een natie, voor veertig procent bestaande uit individuen, die op de een of andere wijze tot de lijders aan tuberculose moesten worden gerekend?
⁂
Behalve dan dat ik overal waar ik mijn schreden richtte, het spook der ellende moest ontmoeten, had ik in Duitschland het treurig feit vernomen, dat zeker nog wel een half millioen krijgsgevangenen in Siberië verbleven. [173]Van velen hunner was sinds maanden, soms zelfs sinds jaren, geen bericht meer ontvangen. Of zij nog op dit ondermaansche waren, bleef voor echtgenooten of ouders onbeantwoord. Vervuld van alles wat ik in het naburige rijk had aanschouwd, was ik in den beginne mij het tragisch lot dier krijgsgevangenen niet ten volle bewust geworden. Toen echter enkele maanden later, bij het naderen van den winter, al de misère waaronder de wereld gebukt ging, mij meer en meer bezig hield, toen kwam ook bij mij de herinnering op aan die ongelukkigen, die in de koude, onherbergzame streken van Siberië, oogenschijnlijk door ieder vergeten, hunne levensdagen sleten.
In November 1913 had mijn weg mij van Japan naar Duitschland gevoerd. Ik doorkruiste op die reis Siberië en duidelijk stond mij den ontzettenden aanblik voor oogen, welke op een der stations een transport gevangenen, slachtoffers van de toenmalige Russische regeering, opleverde. Duizenden en duizenden jonge mannen, slachtoffers van den krankzinnigen oorlog, verkeerden nu in denzelfden toestand. De gedachte dat voor deze ongelukkigen iets moest worden gedaan, drong zich steeds sterker aan mij op.
In die gemoedsstemming verkeerde ik, toen eenige vrouwen mij voorstelden een actie op touw te zetten ten behoeve dier ongelukkigen. Wij zouden trachten hun thuiskomst te bevorderen. Ik verklaarde mij bereid de leiding van een dergelijk comité op mij te nemen. Bij de daaraan verbonden werkzaamheden werd ik van den aanvang af krachtig en daadwerkelijk gesteund door de dames baronesse W. van Lijnden-von Schmidt auf Altenstadt en L. Eschauzier-Pabst. Het kostte ons aanvankelijk veel moeite om de menschen te overtuigen dat in het onherbergzame Siberië, een jaar nadat de oorlog officieel was geëindigd, nog minstens een half millioen Duitschers, Oostenrijkers, Hongaren, Tsjecho-Slowaken en Turken, in ballingschap leefden. Bijna niemand wist het en toen wij er iets over wilden publiceeren, weigerde men eerst onze [174]mededeelingen te accepteeren. Dat kon niet waar zijn, meende men.
Uit Duitschland en Oostenrijk had ik ondertusschen de officieele gegevens daarover ontvangen en wekelijks werd ik van daar op de hoogte van den stand van zaken gehouden.
Ons eerste werk was om over de geheele wereld de verschillende vrouwenorganisaties van de feiten op de hoogte te brengen, en aan te dringen om in eigen land een actie te beginnen teneinde de ongelukkigen zoo spoedig mogelijk huiswaarts te doen keeren. Vele buitenlandsche vereenigingen gaven aan onze roepstem gehoor, andere berichtten dat zij haar aandacht reeds op het vraagstuk hadden gevestigd.
Ons comité belegde openbare vergaderingen, publiceerde telkens opnieuw de gegevens die wij daartoe uit het buitenland ontvingen en zamelde geld in, dat zoowel voor warme kleederen als voor den terugtocht der bannelingen zou dienen.
Toen ten laatste het Internationaal Bureau van het Roode Kruis, tot wie wij ons ook herhaaldelijk hadden gewend, zich met de zaak ging bemoeien en Fridjof Nansen, de groote Noor die later zoo oneindig veel voor hongerend Rusland heeft gedaan, zich tot taak stelde de Siberische krijgsgevangenen aan hunne gezinnen terug te geven, toen was onze taak geëindigd en zonden wij de door ons bijeengebrachte gelden aan het Intern. Bureau van het Roode Kruis.
Mij van deze vrijwillig op mij genomen taak ontheven ziende, nam ik mij voor, in de toekomst geen arbeid van dergelijken aard meer op mij te nemen. De jaren deden meer en meer hun invloed gelden. Ik voelde dat mijn werkkracht, maar meer nog mijn uithoudingsvermogen, gaandeweg verminderd waren. De vele en sterke emoties welke gedurende de oorlogsjaren en wellicht nog meer gedurende het daarop onmiddellijk gevolgde tijdperk, van alle kanten op mij waren aangestormd, hadden veel te [175]veel van mijn krachten gevergd. In de rustige studeerkamer zou ik wellicht nog iets kunnen presteeren, in het openbaar leven echter niet meer. En zoo achtte ik dan den tijd gekomen om wat „herinneringen uit mijn leven en werken” op papier te zetten. Die arbeid zou mijn levensavond eenig relief geven; en wellicht konden jongeren met mijne ervaring hier en daar hun voordeel doen.
Evenwel, wie gedurende vele tientallen jaren aan den weg heeft getimmerd, verlaat maar al te gaarne het rustige pad dat naar de afzondering leidt. En zoo kon ik dan ook geen weerstand bieden aan de verleiding, om deel te nemen aan het in den zomer van dat zelfde jaar (1920) te Kristiania uitgeschreven Internationaal Congres van den Internationalen Vrouwenraad. Op deze bijeenkomst, de eerste van den Internationalen Vrouwenraad sinds het uitbreken van den oorlog, zouden vele mijner oudere en jongere vrienden uit alle deelen der wereld bijeenkomen. Toen ik mij dat voorstelde, toen ik dacht aan de velen die ik zou ontmoeten, besloot ik er heen te gaan. Daardoor zou ik tevens in de gelegenheid komen om op de doorreis enkele dagen in Duitschland te blijven, teneinde mij omtrent de economische en hygiënische toestanden daar te lande opnieuw te oriënteeren.
Zeer duidelijk heb ik toen begrepen, dat dit Rijk met zijn meer dan zestig millioen inwoners met philanthropie alleen niet te redden was. Ik vond de bevolking, ik vond ook het land zelf, sinds mijn laatste verblijf sterk achteruitgegaan, ondanks het feit, dat men overal in de wereld trachtte den door den oorlog in Duitschland ontstanen nood te lenigen. Maar tegenover dien inderdaad goed bedoelden steun, stond het vredesverdrag van Versailles, waaraan haat en wraakzucht ten grondslag lagen.
Zonder te willen beseffen, dat Duitschland’s vernietiging tevens den ondergang van het eigen land zou beteekenen, hield het chauvinistische Frankrijk vast aan den dwazen wensch om Duitschland ten onder te brengen, [176]omdat het zich anders niet veilig voelde. Wilde er inderdaad vrede heerschen, dan moest, dat voelde ik in die dagen heel sterk, de te Versailles gesloten overeenkomst herzien worden.
Het wilde mij voorkomen, dat ook in deze kwestie voor de vrouwenorganisaties der verschillende landen een taak was weggelegd. Als zij begonnen met een herziening van de vredesverdragen te eischen, zouden andere, krachtiger bonden en vereenigingen, daardoor wellicht worden wakker geschud.
Persoonlijk richtte ik tot verschillende leidende vrouwen en voorts tot alle mij bekende organisaties van vrouwen, een oproep, waarin ik mijn denkbeeld uiteenzette. Andere resultaten dan dat verscheidene vrouwen mij haren individueelen steun toezegden, mocht ik niet bereiken. De organisaties durfden het plan niet aan. Toch was ik overtuigd dat de actie véél kans van slagen zou hebben. Ware ik eenige jaren jonger geweest en had ik mij, wat mijn financiën betreft, ruimer kunnen bewegen, dan zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben om het risico en den arbeid voor eigen rekening te nemen. Nu moest ik, noodgedwongen, de zaak laten rusten, in de hoop dat op het in 1921 te Weenen uitgeschreven Internationaal Congres van „the Women’s International League for Peace and Freedom”, mijn denkbeeld een punt van bespreking zou uitmaken.
Een poging om het plan als voorstel van de Nederlandsche Vereeniging voor duurzamen vrede op de Congres-agenda geplaatst te krijgen, mislukte. Vandaar dat ik besloot naar Weenen te gaan, om te zien wat ik persoonlijk zou kunnen doen. Het toeval was mij gunstig. Op een der vóórvergaderingen toch wees de presidente, Miss Jane Addams mij aan, om op het Congres een inleiding te houden over de middelen tot het voorkomen van oorlog. Beter aanleiding om met mijn denkbeeld voor den dag te komen, had ik moeilijk kunnen vinden. In een betrekkelijk korte rede zette ik dan ook uiteen, dat de op [177]dat oogenblik geldende vredestractaten den duurzamen vrede ernstig bedreigden. Vandaar dat ik het als den plicht der aangesloten organisaties beschouwde, met alle ten dienste staande krachten en middelen te ijveren voor een herziening dier tractaten. Zóó urgent achtte ik deze kwestie, dat m.i. alle andere arbeid er voor moest wijken.
„Laten wij”, stelde ik voor, „na een jaar lang in alle aangesloten landen voor ons denkbeeld propaganda te hebben gemaakt, een internationale conferentie beleggen, waar alle mogelijke organisaties die in dezen onze opvatting deelen, hun stem kunnen doen hooren”.
Vol geestdrift werd mijn voorstel te Weenen aangenomen, maar daarbij bleef het. In geen enkel land, ook ten onzent niet, werd aan het plan een begin van uitvoering gegeven. En tot mijn groote spijt moest ik constateeren, dat mijn lichamelijke krachten te kort schoten om zelf de hand aan den ploeg te slaan.
Intusschen werd de toestand in Centraal Europa met den dag hachelijker. Staatslieden van erkende reputatie, zoo goed als toonaangevende bladen in alle landen, voorspelden onomwonden dat Europa tot ondergang gedoemd was. En als een der voornaamste oorzaken van de catastrophe noemden zij de vredesverdragen met de daaruit voortspruitende consequenties.
Het was in die dagen dat het bestuur van the Women’s International League for Peace and Freedom, voor zijn jaarvergadering te Freiburg bijeenkwam. De presidente van de Nederlandsche afdeeling, tevens lid van het Centraal Bestuur, kreeg de opdracht om er bij de andere bestuursleden op aan te dringen, zoo spoedig mogelijk een Internationaal Congres bijeen te roepen met het eenige agendapunt: Herziening der Vredes-tractaten. De woorden van Mevrouw Ramondt-Hirschmann vonden weerklank. Na eenige discussie werd besloten een congres bijeen te roepen, dat evenwel niet herziening der bestaande tractaten, waarvan men ook bij een eventueele wijziging weinig goeds verwachtte, maar het sluiten van „een nieuwe [178]vrede” zou bepleiten. Als plaats van samenkomst werd Den Haag gekozen.
Daar is inderdaad van 7 tot 10 December 1922 over de mogelijkheid om op andere dan te Versailles aangenomen eischen den vrede te baseeren, gediscussieerd. Ondanks het slechte jaargetijde voor een zeereis, was Miss Jane Addams onmiddellijk bereid het verzoek tot haar gericht om het congres te leiden, in te willigen. Met een groot aantal Amerikaansche medewerksters stak zij den Oceaan over en kwam tijdig genoeg in Nederland aan om een deel der voorbereidende werkzaamheden voor haar rekening te nemen.
Wat mij betreft, ik kon het congres niet veel meer schenken dan mijn volle sympathie. Van den arbeid aan een dergelijke bijeenkomst verbonden, kon ik slechts een zeer klein gedeelte verrichten. Ik voelde maar al te goed, dat voor mij het tijdstip was aangebroken dat ten opzichte van mijne bemoeiingen in en met het openbare leven, een „tot hier en niet verder” moest gelden.
⁂
Nu ik van mijn werken en streven op pacifistisch gebied een beknopt overzicht heb gegeven, wil ik aan het slot van dit hoofdstuk even het voor mij heugelijke feit memoreeren, dat deze tak van arbeid mij, voor zoover ik weet, geen enkelen vijand heeft bezorgd, maar wel veel, heel veel lieve vrienden en vriendinnen, aan wie ik menig zonnig oogenblik dank.
Hoe dankbaar toonen zich nog steeds velen van de vrouwen en meisjes, die bij het begin van den oorlog op de doorreis hier te lande gestrand, omdat hare passen niet in orde waren, of omdat zij geen geld meer bij zich hadden om verder te reizen, of doordat de Vlissingsche booten de eerstkomende dagen reeds overvuld waren en door tal van andere onvoorziene omstandigheden, bij mij om hulp kwamen aankloppen. Velen harer kenden mijn naam uit de internationale vrouwenbeweging, sommigen hadden [179]een aanbevelingsbrief van vrienden, weer anderen beriepen zich op wederzijdsche kennissen.
Dank zij de vele relaties die ik in den loop der jaren mocht verwerven, viel het mij betrekkelijk gemakkelijk aan de gestranden de noodige hulp te verleenen. Mijn kleine woning was in die dagen vaak een overvol doorgangshuis, waar vrouwen en meisjes van verschillende nationaliteit, die elkander te voren nooit hadden ontmoet, zusterlijk een slaapkamer, soms zelfs een bed deelden. Na enkele dagen toevens waren de moeilijkheden meestal uit den weg geruimd. Soms was het ontroerend, hoe niet alleen de belanghebbende zelve, maar later ook hunne familieleden, uiting gaven aan hun dankbaarheid.
Het zou te ver voeren en het zou bovendien een te persoonlijk karakter krijgen, wilde ik hier uit de toen en later ontvangen brieven gaan citeeren. Vandaar dat ik volsta met het weergeven van de volgende dichtregels, welke mij in het begin van 1923 door een der in de oorlogsjaren verworven vrienden werden opgedragen, ter gelegenheid van mijn verjaardag.
Auf neuem Schlag Dein Lebensschifflein gleitet,
Gelassen liegt am Ruder Deine Hand,
Indes ausspähend nach des Friedens Land,
Dein Blick sich höher zu den Sternen weitet.
Du zitterst nicht, und liegt auch ausgebreitet,
Um Dich der Menschen Weh, der Zeiten Schand,
Du weiszt, es löst des bangen Traumes Band,
Die Sonne, die ein Gott am Himmel leitet.
So ziehst Du stark und einsam Deine Kreise,
Ein Morgenhauch umweht Dich, zag und leise,
Und Deutung gibst Du ihm für Dein Geschlecht.
Wir wollen länger Kinder nicht gebären,
Dasz sie in Mord und Hassen sich verzehren,
Wir schaffen ihnen Weisheit, Liebe, Recht.
Frau Dr. Aletta Jacobs in Verehrung und Dankbarkeit dargebracht zum 9. Februar 1923. Franz Wegner.
[180]