In de vorige hoofdstukken heb ik reeds zoo dikwijls den naam van C. V. Gerritsen genoemd, dat ik, naar het mij voorkomt, nu eerst een hoofdstuk moet wijden aan ons beider vriendschaps-, liefdes- en huwelijksverhouding. De invloed die deze op mijn verder leven heeft gehad is te groot geweest dan dat ik er niet bij zou stilstaan. Laat mij eerst in korte trekken zijn levensloop weergeven.
Carel Victor Gerritsen (geboren 2 Febr. 1850) was de oudste van het zestal kinderen van Henri Gerritsen en Elisabeth Brasser Rijs, te Amersfoort. Hij, de vader, was grossier in den graan- en fouragehandel. Carel muntte uit op de lagere school en toen hij die had afgeloopen kwam hij te Amsterdam in huis bij een leeraar, den Heer Van Otterloo, om de Openbare Handelsschool te bezoeken. Wanneer hij van dien tijd vertelde, sprak hij het liefst en met ingenomenheid over de lessen van een leeraar, met name N. G. Pierson (later achtereenvolgens hoogleeraar, President van de Nederlandsche Bank en Minister), die als docent in hooge mate de gave bezat om liefde op te wekken voor de studie van staathuishoudkunde en sociale vraagstukken. Toen Carel met goed gevolg het eind-examen van de Handelsschool had afgelegd, was het zijn [198]vurige wensch om het toelatingsexamen voor de Universiteit te doen en verder te gaan studeeren. Daarvan kon echter niets komen. Zijn vader had hem noodig in de zaak. Hij moest naar Amersfoort terug, werd weder opgenomen in het ouderlijk gezin en kwam bij zijn vader op kantoor.
Dat kon niet lang goed gaan. De beide ouders waren ouderwetsche menschen van de streng orthodox-protestante richting. Des Zondags gingen zij trouw ter kerke, waar de vader ook een functie in den kerkeraad vervulde. Dien middag kwam gewoonlijk de dominee op theevisite. De kinderen moesten natuurlijk mee naar de kerk en als Zondagsmiddags de predikant op bezoek was, hadden zij aandachtig te luisteren naar zijn lessen en vermaningen. Het spreekt vanzelf dat er voor gezorgd werd dat zij op tijd werden aangenomen.
Aan dit alles wilde Carel zich niet onderwerpen. Hij weigerde naar de kerk te gaan, om aan tafel te bidden en Zondags als de dominee kwam, thuis te blijven. Ook wilde hij niet worden „aangenomen”. Toen hierover ernstige huiselijke scènes uitbraken, werd het aan beide kanten duidelijk dat er geen samenwerking mogelijk was. Carel verliet het ouderlijk huis en ging naar Londen, waar hij spoedig een betrekking kreeg op een handelskantoor voor administratie.
Het moet in de dagen zijn geweest toen Charles Bradlaugh, als een consequent vrijdenker, weigerde om in het Parlement den eed af te leggen en hij met zijn reuzenkracht vocht tegen de suppoosten, zoodat hij na een dapperen strijd, met de kleeren aan flarden gescheurd, buiten de zaal terecht kwam. Dit tooneel heeft zich eenige malen herhaald, maar de kiezers van zijn district zijn niet in gebreke gebleven om hem telkens opnieuw af te vaardigen. Ten leste heeft Bradlaugh, ondanks zijn standvastigheid en zijn kracht, den ongelijken strijd moeten opgeven.
Gerritsen schaarde zich met geestdrift onder de geestverwanten en openlijke verdedigers van Bradlaugh en [199]daardoor kwam hij in contact met hemzelf, met Annie Besant, Dr. Charles Drysdale en andere Engelsche hervormers op sociaal gebied. Die kennismaking heeft geleid tot hechte vriendschapsbanden met nagenoeg al de hier bedoelde persoonlijkheden.
Naar ik vroeger reeds heb verteld, is het Gerritsen geweest, die, zonder dat ik hem toen reeds persoonlijk kende, mij introducties zond voor deze vrienden en daaraan is het te danken geweest, dat ik bij mijn eerste bezoek aan Londen, direct met al die personen in kennis kwam.
Toen Carel reeds enkele jaren in Londen had gewoond, kreeg hij plotseling bericht uit Amersfoort, dat zijn vader was bezocht door een ernstige oogaandoening, welke vermoedelijk op geheele of gedeeltelijke blindheid zou uitloopen. Hij moest zoo spoedig mogelijk thuiskomen om de leiding van de zaak op zich te nemen in samenwerking met David, zijn jongeren broeder. Ook thans nam hij geen intrek in het ouderlijk huis, maar richtte hij zich in boven het kantoor. Door betrekkingen met het buitenland te openen, slaagde hij er in om de zaak uit te breiden. De avonden besteedde hij aan studie en om in het bekrompen stadje dat toen overwegend anti-revolutionnair was, nieuwe, frissche denkbeelden ingang te doen vinden, zorgde hij voor lezingen, en schreef hij artikelen die hij op eigen kosten liet drukken en onder het volk verspreiden. Reeds in het tweede hoofdstuk heb ik opgemerkt dat hij op die manier een slechten naam had gekregen. Vooral was dit het geval toen hij zich openlijk een vriend van Multatuli toonde, die in Amersfoort een lezing kwam houden en die zelfs bij hem logeerde!
Intusschen onderhield hij steeds de in Engeland aangeknoopte relaties en zoodra de zaken hem dat veroorloofden, ging hij bij wijze van vacantie voor enkele dagen naar Londen.
Na enkele jaren richtte hij te Amersfoort een weekblaadje op, onder den naam van „Ons Blad” en daarin schreef hij gewoonlijk zelf het hoofdartikel. In 1881 [200]werd hij gekozen tot lid van den Raad en daar was hij altijd in oppositie tegen het sterk rechts getinte dagelijksch bestuur. In den voortdurenden strijd ging het b.v. vooral tegen de reglementeering van de prostitutie. Daarover schreef hij een brochure, waarin hij zelf de sociale en moreele elementen bijeenbracht en ik hem de medische gegevens had verschaft. Verder voerde hij strijd tegen den kinderarbeid in fabrieken en op ander terrein, voor beter onderwijs, voor het toelaten van meisjes op de stadsscholen voor jongens, en ten bate van een pensioenfonds voor gemeentewerklieden. Buiten den Raad ijverde hij o.a. voor onderwijs aan schipperskinderen.
In Mei 1886 verhuisde Gerritsen naar Amsterdam en bij de opening van den nieuwen cursus in het najaar, ging hij aan de Universiteit de colleges volgen van de hoogleeraren Quack en Pierson. In het volgende jaar behaalde hij het diploma M. O. in de staathuishoudkunde. Toen reeds, in 1887, was zijn belangrijke studie verschenen over de Nederlandsche Bank, waarin hij het denkbeeld bepleitte om die instelling om te zetten in een rijksbank.
In het begin van 1888 voerde hij met enkele anderen strijd in de kiesvereeniging „Burgerplicht” tegen het eigenmachtig optreden van het bestuur en bepaaldelijk van enkele invloedrijke leden, die gewoon waren onder elkander uit te maken wie in den Raad zou komen en wie Amsterdam in de Kamer zouden vertegenwoordigen. Dit conflict leidde tot het uittreden van een aantal leden, die als „radicalen” werden gedoodverfd en die daarop, naar de manier van de oude Geuzen, de radicale kiesvereeniging „Amsterdam” oprichtten. Gerritsen is daarbij een der voormannen geweest. Zij streefden naar billijker vertegenwoordiging van de geheele burgerij in den Raad, waarbij ook de minderheden stem in het kapittel zouden krijgen. Als logisch gevolg hiervan ontstond een anti-liberale coalitie van radicalen en kerkelijken, en toen nu in het najaar van 1888 deze, als een monsterverbond uitgekreten, coalitie, zich bij de verkiezingen liet gelden, [201]behaalde zij een groote overwinning. Verscheidene oude „regenten” werden gewipt en tot de nieuw gekozenen behoorde, als de eerste radicaal. ook C. V. Gerritsen. Hoe heeft hij toen, aanvankelijk alleen gesteund door een der oudere raadsleden, Mr. W. Heineken, met nooit bezwijkende vasthoudendheid, gevochten tegen monopolies en concessies, tegen het beleid der politie, en tegen andere zaken die hem misbruiken geleken! Na eenigen tijd kreeg hij hulp toen Mr. M. W. F. Treub mede in den Raad was gekozen en J. de Koo in „de Amsterdammer” door zijn scherpe pen grooten invloed had op de publieke meening. Samen met Treub bevocht hij nieuwe besteksbepalingen en de zeer wenschelijke wijzigingen in het werkliedenreglement. Aan hen beiden is het te danken dat, op het voorbeeld van Amsterdam, bijna over het heele land een maximum arbeidsduur en een minimum loonstandaard zijn vastgesteld.
In Februari 1893 werd Gerritsen door het district Leeuwarden naar de Tweede Kamer afgevaardigd, waar hij, weder als de eerste radicaal, zitting nam. Hier kan slechts worden aangestipt dat hij als Kamerlid zijn beginselen niet verloochende. Ongetwijfeld met het voorbeeld van Bradlaugh voor oogen, diende hij een initiatiefvoorstel in, waarbij óók voor de gewestelijke en gemeentelijke vertegenwoordiging, de vrije keus tusschen eed en belofte zou worden verzekerd. Tot zijn groote voldoening is dat voorstel aangenomen en het beginsel dus in de Wet vastgelegd. Tot September 1897 heeft hij in de Kamer zitting gehad, toen hij te Leeuwarden door een sociaal-democraat werd vervangen. Wel werd hem in 1901 een nieuwe candidatuur aangeboden, maar hij heeft daarvoor bedankt omdat de Amsterdamsche gemeentezaken al zijn werkkracht in beslag namen. Op 5 September 1899 n.l. was hij, als opvolger van Mr. Schölvinck, gekozen tot wethouder voor de handelsinrichtingen en de armenzorg. In die positie heeft hij vruchtbaar en blijvend werk verricht. Ik wil alleen constateeren, dat aan zijn initiatief en [202]zijn onversaagden moed, de geheele organisatie van den gemeentelijken geneeskundigen dienst te danken is geweest, en dit hoewel daarbij het geheele corps Amsterdamsche geneesheeren tegen hem in het harnas kwam.
In den Raad vond Gerritsen, behalve bij Treub, ook steun bij geestverwanten als Hugo Muller, Kouveld en Den Hertog, buiten den Raad ook in „de Amsterdammer, Weekblad voor Nederland” onder de scherpzinnige leiding van dien buitengewonen publicist, J. de Koo. (Er werd een Nederlandsche bond van radicalen opgericht, welke in 1901 is opgegaan in den Vrijzinnig-Democratischen Bond, en daarmede ging ook de naam radicalen verloren). Het kon gebeuren dat Gerritsen in den Raad door enkele zijner vroegere medestanders heftig werd bestreden. Deze en andere redenen zijn hem zelfs aanleiding geweest om in 1902 als wethouder te bedanken en zelfs volhardde hij bij dat besluit, toen de Raad hem in September opnieuw tot wethouder verkoos. Daarna is hij echter toch Raadslid gebleven.
In al de colleges waarin hij zitting heeft gehad,—waarbij ook verscheidene jaren in de Provinciale Staten—heeft Gerritsen gestreden voor gelijke rechten van man en vrouw, voor verbetering van de levensvoorwaarden der arbeiders en van de bestaande toestanden op hygiënisch gebied (arbeiderswoningen, schoolbaden, enz.) In den Amsterdamschen Raad in het byzonder heeft hij zich een kampioen getoond voor gemeente-exploitatie, en niet het minst aan hem is het te danken, dat een eind kwam aan de monopolies, zoodat de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, de (Engelsche) gasmaatschappij, de Bell-Telefoon en nog andere, door de Stad werden overgenomen om over te gaan in gemeentelijke bedrijven.
Hiermede zijn althans enkele feiten uit zijn werkzaam en voor de gemeenschap nuttig leven aangestipt.
⁂
[203]
Naar ik hiervoor reeds heb verteld, hadden Gerritsen en ik na mijn eerste examen nu en dan brieven gewisseld. Toen ik na mijn examen voor semi-arts, typhus had gekregen, was hij zonder zich te noemen naar mijn toestand komen informeeren; bij mijn promotie was hij onder de toehoorders en ook had hij mij aanbevelingen gezonden aan zijn vele goede vrienden te Londen, toen ik daarheen zou gaan. Ondanks dit alles had ik reeds enkele maanden te Amsterdam de medische praktijk waargenomen vóór ik hem persoonlijk leerde kennen.
Toch had hij reeds lang te voren een bezoek gebracht bij mijn ouders en aan mijn vader verlof gevraagd mij te mogen opzoeken. Toen mijn vader mij dit overbracht, heb ik hartelijk gelachen. Eerlijk gezegd kreeg ik nu,—al hadden zijn brieven mij die meening niet gegeven,—den indruk dat ik met een ouderwetschen, bedeesden jongeling te doen had. Dat voorafgaande bezoek aan mijn vader nam alle romantiek voor mij weg, en zonder eenig verlangen zag ik de aankondiging van zijn visite tegemoet.
Het werd 20 Januari 1880. Toen kreeg ik een keurig geschreven briefje waarin Gerritsen mij meedeelde, dat hij in Londen eenige van onze wederzijdsche vrienden had ontmoet, die hem met groeten voor mij hadden belast. Daarover wilde hij mij nu gaarne het een en ander mondeling vertellen en daarom vroeg hij verlof om mij den eerstvolgenden Zondagmiddag op het thee-uur te mogen opzoeken.
Ziezoo, dacht ik, nu heeft hij een boodschap en nu durft hij komen.
Mijn jongste zuster Frederique, toen leerares in wiskunde en boekhouden aan de Meisjes-H. B. School in Den Haag, was bij mij toen Gerritsen zich liet aandienen. De thee stond gereed. Wij waren beide met een handwerkje bezig. Ik borduurde bloemen op donkerblauwe zijde, mijn zuster haakte fijne kant. Die handwerkjes braken onmiddellijk het ijs. Op het gezicht van Gerritsen was duidelijk zijn verwondering te lezen, dat hij ons onledig vond met iets zoo huiselijks als een handwerkje! [204]Ik vroeg hem dan ook direct plagend hoe hij zich mij had voorgesteld, de vrouw met wie hij nooit anders dan ernstige en zakelijke briefjes had gewisseld? Meende hij werkelijk dat ik nooit anders dan studieboeken opnam? Om hem te bewijzen dat het niet zoo maar een gelegenheidswerkje was wat ik onder handen had, haalde ik uit mijn werkmandje nog ander handwerk. Mijn zuster en ik vertelden hem dat wij de japonnen die wij droegen, zelf hadden gemaakt, maar ik voegde er bij, dat zoodra ik genoeg verdiende, ik zulk werk graag aan meer bevoegden zou opdragen.
Hierna vlotte het gesprek alsof we oude kennissen waren. Vanzelf kwamen we te spreken over het leven van vrouwen van wie levensbeschrijvingen waren verschenen en Gerritsen vertelde ons van zijn vrij uitgebreide bibliotheek, waarin een aantal van die boeken aanwezig waren.
Toen hij opstond was het veel te lang voor een eerste visite geweest. Daarover wilde hij zich verontschuldigen, maar mijn zuster en ik namen gaarne de schuld op ons, omdat we hem zoo lang aan de praat hadden gehouden. Hij vertrok met de belofte, ons uit zijn bibliotheek enkele boeken te zenden waarover we gesproken hadden.
Hoewel dit bezoek dus goed geslaagd was, duurde het toch nog vrij lang voor het werd herhaald. Hij had de boeken gestuurd en een briefje van ontvangst gekregen, maar daarbij bleef het voorloopig. Het werd 8 Maart, de eerste verjaardag van mijn promotie tot doctor in de medicijnen. Ik had aan den datum niet gedacht en zou hem ongemerkt hebben laten voorbijgaan, maar op mijn ontbijttafel vond ik een vaas met bloemen en daarbij een kaartje van C. V. Gerritsen. Aan de achterzijde stond geschreven: „Zullen de Nederlandsche vrouwen beseffen welk een gewichtige dag 8 Maart 1879 voor haar leven is?”
Hij was de eenige die mij aan dien bijzonderen dag herinnerde. Dien middag bracht hij mij, vergezeld van zijn zuster en zwager Hengeveld, een bezoek om mij te feliciteeren, en hij was verwonderd dat niemand anders aan [205]dezen dag had gedacht. Ik werd uitgenoodigd om met hen in het Amstel-Hotel te gaan dineeren. Mijn broeder Eduard, als officier der infanterie te Amsterdam in garnizoen, die mij toevallig opzocht, werd mede uitgenoodigd. Wij namen de uitnoodiging aan en zoo leerde ik ook Gerritsen’s naaste verwanten kennen.
Gedurende dat jaar 1880 wisselden we enkele onbeteekenende brieven en een paar malen bracht Gerritsen mij een bezoek, gewoonlijk om zelf boeken te brengen die ik ter leen had gevraagd, maar verder hoorden we niet veel van elkander. Eerst in Maart 1881, enkele weken na den dood van mijn goeden vader, meldde Gerritsen zich op een avond bij mij aan. Ik was nog zeer sterk onder den indruk van het groote verlies dat ik had geleden en hij kon dit geheel beseffen. Het was mij een aangename bemoediging, hem op waardeerende wijze over mijn vader te hooren spreken met de oprechte verzekering van zijn voldoening, dat hij hem nog had leeren kennen.
Hierdoor kwamen we tot een vertrouwelijk gesprek over mijn vader, die mijn goede vriend en raadsman was geweest. Voor zijn tijd mocht hij gerekend worden tot de verst vooruitstrevenden op politiek en sociaal gebied, al was in onze gesprekken toch dikwijls het streven merkbaar om een radicale opvatting te onderdrukken, wanneer hij bevreesd was dat ik te ver zou gaan en daardoor in moeilijkheden zou komen. Over vele maatschappelijke vraagstukken had hij een rijp en gevestigd oordeel. Met hem kon ik over alles spreken en nooit was het hem te veel om mij aan te hooren en van gedachten te wisselen. Al liepen onze meeningen ook dikwijls uiteen, altijd bracht hij mij tot dieper inzicht en nadenken.
Aldus gaf ik Gerritsen een denkbeeld van hetgeen ik in mijn vader als mijn eenigen goeden vriend verloren had en wat ik meende nooit meer te zullen terug vinden. Toen ik daarmee ten einde was, vroeg hij mij, heel schuchter, of hij niet zou mogen beproeven de vriend te worden met wien ik over veel wat mij belang inboezemde zou [206]kunnen spreken? Op medisch terrein, zeide hij, zou hij mij moeilijk kunnen volgen, maar op maatschappelijk gebied waren we immers dezelfde beginselen toegedaan en daar zouden we elkander kunnen helpen en steunen.
Op dien avond werd de eerste vriendschapsband tusschen ons gelegd. Het was nog slechts een losse band. Ik kon het mij nog niet recht voorstellen dat ik met een man dien ik toch maar weinig kende, zou kunnen spreken over al de problemen die zich iederen dag aan mij opdrongen, en dat ik veel waarde zou hechten aan zijn meening. Dan kon ik over al de kwesties die mij bezig hielden, mij immers beter verstaan met Hélène Mercier, met Cornelie Huygens, Elise Haighton of andere goede vriendinnen? Onze vriendschappelijke relatie kwam dan ook in den aanvang hierop neer, dat we wat meer briefjes wisselden en dat zijn bezoeken wat talrijker werden. Gerritsen kwam geregeld op de Graanbeurs te Amsterdam en als die ’s Maandagsmiddags was afgeloopen, zoo tusschen drie en vier, wanneer ook mijn spreekuur voorbij was, kwam hij dikwijls aanloopen. Dan spraken we over de kwesties die in het een of ander tijdschrift of dagblad waren behandeld. Soms waren we nog druk in gesprek als hij alweer naar den trein moest om op tijd in Amersfoort te zijn, en dan bracht ik hem naar het station om onderweg het onderwerp te kunnen afhandelen.
Het was een rumoerige tijd op politiek gebied. De strijd tusschen voor- en tegenstanders om bij de aanstaande Grondwetsherziening tot een uitbreiding van het mannenkiesrecht te komen, gaf ons van week tot week stof genoeg tot gedachtenwisseling. Op dat terrein was Gerritsen zoo zeer mijn meerdere, dat ik steeds sterker voelde, hoe zijn vriendschap en zijn voorlichting mij van nut waren.
Toen Gerritsen in 1881 in Amersfoort lid van den Raad was geworden, kon ik hem in vele gevallen van dienst zijn. Dikwijls kwam hij onverwacht mijn opinie vragen over een onderwerp dat in den Amersfoortschen Raad aan de [207]orde was. We bespraken b.v. uitvoerig de kwestie om in Amersfoort al dan niet een gemeentelijke school voor meisjes op te richten. Ik was er tegen. Ik wilde dat de Gemeente zoowel de H. B. School als het Gymnasium, voor meisjes open zou stellen. Gerritsen vreesde dat de geestesgesteldheid van de burgerij in Amersfoort nog in langen tijd niet rijp zou blijken voor zulk een maatregel en dat de geestelijke belangen van de meisjes door dat uitstel zouden worden benadeeld. Ik hield echter vol, dat het uitstel van het toelaten op die scholen, in de gevolgen minder verkeerd zou zijn dan het oprichten van een afzonderlijke meisjesschool.
Toen Gerritsen in den Raad ging ijveren voor het afschaffen van het reglementeeren der prostitutie, schreef hij daarover ter inleiding een brochure. Daartoe verschafte ik hem alle medische gegevens, en samen bespraken wij de sociale en moreele argumenten die tegen die reglementeering waren aan te voeren. Voor zijn weekblad „Ons Blad” schreef ik dikwijls een hoofdartikeltje, wanneer drukke zaken hem verhinderden het zelf te doen, of indien het hem op een oogenblik aan stof ontbrak. Op die wijze kon ik over „de opvoeding der meisjes”, over „de achterstelling der vrouw op wettelijk en maatschappelijk gebied”, of een ander van mijn lievelingsdenkbeelden, mijn overtuiging vrijelijk uitspreken.
Toen ik in 1882 openlijk begon op te treden voor het willekeurig moederschap en ik in het begin van 1883 den strijd opende voor het vrouwenkiesrecht, vond ik bij Gerritsen grooten steun. Het vertrouwen in elkanders meening was langzamerhand sterker geworden. Nooit zou er een artikel van mij verschijnen, of het was eerst ter beoordeeling naar Amersfoort gezonden, maar van zijn kant zou ook Gerritsen niets publiceeren zonder mij vooraf te raadplegen, indien hij wist dat ik over het onderwerp een eigen meening had.
Als ik onze briefwisseling van de jaren 1881, ’82 en ’83 nalees, dan schijnt het mij, dat wij als twee jonge radicale [208]hervormers, de roeping en den vollen last gevoelden om de heele wereld te hervormen. We behandelden allerlei problemen, en wanneer dan van mijn kant de briefwisseling eens stokte, dan kwam er een kort briefje met de vraag: „Wat is er aan de hand, waarom hoor ik niets over (dit of dat epistel) dat gij toch moet gelezen hebben”? Soms met een vinnig slot: „Verknoei uw tijd niet meer met handwerkjes!”
Die jaren van samenwerking, waarin wij alle problemen, ook die van de sexueele verhoudingen, vrijmoedig samen behandelden, hadden ons beiden, geestelijk en lichamelijk volkomen gezonde menschen die wij waren, van lieverlede de overtuiging gegeven dat onze vriendschap was uitgegroeid tot een inniger band. Uit ons gemeenschappelijk werk was een innerlijke overeenstemming, een „Seelenharmonie” geboren. Niets zou een huwelijksverbond in den weg hebben gestaan, indien wij beiden niet overtuigd waren geweest, dat een vrouw die zichzelve respecteert, onder de bestaande huwelijkswetten geen huwelijk kan sluiten. Er kwam nog bij, dat Gerritsen in Amersfoort woonde en ik onder geen voorwaarde mijn praktijk in Amsterdam zou willen opgeven.
Toen wij deze omstandigheden goed overdacht en besproken hadden, kwamen wij tot het besluit om elkander gedurende langen tijd niet te ontmoeten en alleen bij hooge uitzondering te zullen schrijven. Maanden verliepen zonder dat wij anders dan op indirecte manier iets van elkaar hoorden.
In Mei 1884 kreeg ik voor het eerst weer een brief. Gerritsen deelde mij mede, dat hij eenige weken in Londen was geweest, omdat het leven in Amersfoort hem in elk opzicht onbevredigd liet. Hij had gehoopt in Londen een hem passenden werkkring te vinden, maar toen hij daar eenmaal was voelde hij zich nog even onvoldaan en dacht hij er over een groote reis te maken, om afleiding te zoeken en op andere gedachten te komen.
Met enkele woorden tot antwoord raadde ik hem aan, te [209]doen wat hij zich reeds had voorgenomen. Maar… voelde ikzelf mij voldaan over ons besluit tot verwijdering? In weerwil van mijn drukke medische praktijk, die bijna al mijn tijd in beslag nam, voelde ik toch steeds dat er iets aan mijn geluk ontbrak. Een drukke werkkring, werk dat men met liefde en toewijding verricht, is de grootste troost bij alle moeilijkheden in het leven, maar voor jonge, normaal aangelegde menschen is het toch blijkbaar niet het ééne noodige. Ik gevoelde mij niet gelukkig. Toen eenmaal het liefdegevoel was ontwaakt, kon dat niet meer onderdrukt worden door een met liefde waargenomen werkkring als eenig levensdoel. Er was een onrust over mij gekomen, die op bedenkelijke wijze invloed kreeg op mijn geestesleven. Toch wilde ik mij daaraan niet onderwerpen. Ik wilde vrij en onafhankelijk blijven, om de taak die op mij rustte, naar mijn beste weten en kunnen te volbrengen. Daarom nam ik mij ernstig voor, strijd te blijven voeren tegen mijn innerlijke verlangens, en daarbij prentte ik mij in, dat onder de gegeven omstandigheden een huwelijk mij evenzeer onbevredigd zou laten.
⁂
In het voorjaar van dat jaar, 1884, had ik twee ernstige patiëntjes gehad, meisjes van 12 en 14 jaar. Die kinderen, uit een rijke koopmansfamilie te Amsterdam, waren vriendinnetjes geworden. Haar vader was ook ziek geweest en nu zou hij, door zijn vrouw vergezeld, op raad van zijn geneesheer voor een badkuur naar Kissingen gaan. Ik zou het toezicht blijven houden op de beide kinderen en hen in het begin van Augustus naar Luzern brengen, waar de ouders na afloop van de badkuur zich ook heen zouden begeven. Daar was ik uitgenoodigd de gast van de familie te zijn. Met eenig voorbehoud nam ik de uitnoodiging aan. Wel zou ik de meisjes naar Luzern brengen en een of twee weken bij hen blijven, maar daarna wilde ik vrij zijn, om op eigen gelegenheid nog eenigen tijd in Zwitserland rond te trekken.
In de tweede week van mijn verblijf in Luzern, maakte [210]ik kennis met drie Engelschen, een broeder met twee zusters, die van plan waren om een voetreis te maken door een deel van Zwitserland. Wij kwamen overeen dat ik mij bij hen zou aansluiten. Toen ik kort daarna op een schemeravond aan het Luzernermeer alleen heen en weer wandelde, zag ik op een terugkeerend stoombootje eenige heeren en onder hen herkende ik Gerritsen! Hij had ook mij opgemerkt. Het was niet toevallig dat hij in Luzern opdook, want in Amsterdam had hij mijn adres vernomen. Toen ik hem vertelde van de drie Engelschen met wie ik over een paar dagen een voetreisje ging maken, vroeg hij of ik er iets tegen had indien hij verzocht zich te mogen aansluiten. Daartegen had ik geen bezwaar en de zaak kwam in orde. Op den bepaalden dag ging ons vijftal op weg. We hadden afgesproken geen al te groote tochten te maken. We zouden ons den tijd gunnen om eens een zijweg in te slaan, of op een mooie plek wat blijven peinzen en praten, en we zouden alle eentonige gedeelten afleggen per spoor, op een stoomboot of met een voertuig. Het reisplan was, om van Luzern over de Brünig naar Meiringen en Brienz te wandelen, van daar naar Spiez, Kandersteg, en dan de Gemmi over naar Leuk. Dan zouden we de Rhône volgen tot Martigny en van daar naar Chamonix trekken.
Toen we op zekeren avond over de Gemmi in Leukerbad (Loèche-les-Bains) waren aangekomen en daar alleen zouden overnachten, maakte ik eenige bezwaren. Deze badplaats en de geneeswijze die er werd toegepast, interesseerden mij buitengewoon. Op uitnoodiging van den vriendelijken geneesheer, besloot ik hier in Leukerbad twee dagen alleen achter te blijven, waarna ik des avonds van den tweeden dag de overigen per spoor weer zou inhalen en mij bij hen voegen. Dit program werd precies uitgevoerd, maar toen ik aan het bepaalde station uitstapte, vond ik op de afgesproken plaats alleen Gerritsen. Hij vertelde dat onze Engelsche vrienden naar Martigny waren doorgereisd, om vandaar over Parijs huiswaarts te keeren. [211]
Wat zouden wij nu doen? Zouden we het reisplan samen voortzetten en de gevolgen daarvan aanvaarden? Den volgenden dag zouden we tot een besluit komen.
Een wettig huwelijk, daarover waren we het eens, was voor ons beiden buiten kwestie. Een vrij huwelijk, waarbij wij elk onze volle vrijheid zouden behouden en economisch onafhankelijk van elkander zouden zijn, waarbij wij zelfs afzonderlijk zouden blijven wonen, daartegen konden alleen begrippen van conventie bezwaren in den weg leggen. Als twee volkomen vrije menschen, konden we, door het leven naar eigen overtuiging te regelen, alleen ons zelf dienen of schaden. Ons verbond zou berusten op een beproefde vriendschap, op wederzijdsche waardeering en groote overeenstemming in levensopvatting.
De bezwaren die er tegen waren aan te voeren, konden niet opwegen tegen de voordeelen die het verbond voor ons zou meebrengen, en daarbij in de eerste plaats verhoogd levensgeluk. We kwamen overeen alle groote en kleine vacanties samen door te brengen en verder ons leven weder te volgen als vroeger. Nooit heeft ook maar één oogenblik het gevoel mij bekropen, dat ik door ons leven op deze wijze in te richten, geen hoog zedelijk standpunt had ingenomen. Integendeel waren wij beiden overtuigd dat huwelijken in de toekomst op deze wijze behoorden te worden aangegaan en dat daarmede de kans zou worden geopend dat zij ook op den duur gelukkig zouden zijn.
In het laatst van 1885 en het begin van 1886 werd bij Gerritsen de wensch steeds sterker om Amersfoort te verlaten en zich te Amsterdam blijvend te vestigen. Die wensch werd versterkt omdat hij zich liefst van de handelszaken wilde losmaken, en zich naar zijn neiging meer in wetenschappelijke richting ontwikkelen.
Samen zochten wij toen te Amsterdam een voor hem geschikte woning. Ik huurde zijn dienstpersoneel en volgens onzen gemeenschappelijken smaak werd het huis ingericht. Ampel bespraken we toen of we niet tot samenwonen zouden overgaan. Daarvan echter werden we terug [212]gehouden door mijn vrees dat, door het zoo openlijk trotseeren van de publieke opinie, mijn medische praktijk zou worden geschaad en ik daardoor mijn economische onafhankelijkheid zon verliepen. Dit deden we dus niet, maar doordat we nu in elkaar’s nabijheid woonden, werd ons leven inniger. Er ging geen dag voorbij of we wisselden ten minste een briefje.
Gedurende de beide eerste jaren van zijn verblijf te Amsterdam, volgde Gerritsen aan de Universiteit de colleges in staatsrecht en staathuishoudkunde, en altijd kon ik er op rekenen dat hij mij van alles wat hem wetenswaardig leek, geheel op de hoogte bracht. Toen hij in 1888 met enkele andere vooruitstrevende mannen den Radicalen Bond oprichtte, de eerste politieke partij welke het vrouwenkiesrecht in haar program opnam, is mijn invloed daaraan natuurlijk niet vreemd geweest. In die partij werden, evenzeer voor de eerste maal in ons land, onder dezelfde bevoegdheden als de mannen, ook vrouwen als leden opgenomen.
In het voorjaar van 1890 ging Gerritsen voor drie maanden naar Parijs met het tweeledig doel om daar colleges te volgen in économie politique en financiewezen, en zich tegelijk meer bedrevenheid eigen te maken in het gebruik van het Fransch. Bij het nalezen van de brieven uit dien tijd, waarin hij mij op de hoogte bracht van alles wat hij zag en ondervond, werd ik getroffen door een eenvoudige mededeeling die ons thans, in den tijd van druk autoverkeer, vreemd en zelfs naïef moet toeschijnen. In een brief van 19 Juni 1890 lees ik het ongehoorde feit: „Gisteren heb ik onder de honderden rijtuigen in de Champs Elysées er een gezien zonder paard! Dat is nu wel geen wonder, maar als ik er bijvoeg dat het niettemin voortbewoog, ongeveer met denzelfden spoed als andere rijtuigen met een paard in draf, wat zeg je dan? Het was een rijtuig in den vorm van een groote tilbury. Hier noemden ze het een charette. Er zaten twee heeren in, waarvan de een stuurde met een lang roer dat bevestigd was aan een [213]voorwiel. Het werd voortbewogen door stoom. De kleine machine was aangebracht onder het rijtuig. Zij gaf geen rook en maakte geen geraas. Een aardige uitvinding, niet? Wie weet wat de electriciteit ons op dit gebied voor wonderen brengen zal!”
Kort nadat Gerritsen uit Parijs was teruggekeerd. maakte ik mij gereed om naar Berlijn te gaan om deel te nemen aan een internationaal geneeskundig congres. Die reis was voor mij nog bijzonder aantrekkelijk omdat ik daar zeer waarschijnlijk mijn vroegere medische vrienden uit Engeland zou ontmoeten, ongerekend verschillende beroemdheden uit andere landen. Die verwachting is ook vervuld en nog tegenwoordig heb ik de aangenaamste herinneringen aan dat congres en aan alles wat daaraan was verbonden, behouden.
Door dat verblijf in Parijs en mijn reis naar Berlijn. zagen Gerritsen en ik elkander in vele maanden slechts zelden, al onderhielden we dan ook onze innige verstandhouding zooveel mogelijk door een drukke correspondentie. Ook werd het leven van Gerritsen veronaangenaamd door voortdurende moeilijkheden met zijn personeel. En daarbij kwam mijn steeds sterker wordend verlangen naar het moederschap. Al die redenen bij elkander leidden er toe, dat wij in den winter van 1890–’91 tot de overtuiging kwamen dat we ons leven anders moesten inrichten. De vraag was en bleef niettemin hoe wij onze manier van leven zouden wijzigen? Weer overwogen we om, zonder een wettig huwelijk te sluiten, samen te gaan wonen. Maar zou ik dan durven gehoor geven aan den drang naar het moederschap en misschien een kind ter wereld brengen dat de nadeelen zou moeten dragen van ons handelen in strijd met de gangbare begrippen van moraliteit? En ten andere, zou Gerritsen, die steeds sterker lust gevoelde om in het politieke strijdperk te gaan, daarbij geen moeilijkheden ondervinden indien hij niet wettelijk gehuwd was?
Och, hoe nietig en klein lijken mij al die bezwaren in [214]het licht van den tegenwoordigen tijd! Waarom niet moedig voortgezet wat zoo fier was begonnen?
In den zomer van 1891 besloten we samen een groote vacantie door te brengen en dan tot overeenstemming te komen. We gingen over Parijs en St. Malo naar Jersey om dan over Guernsey en Londen terug te keeren. Op onze lange wandelingen, waarbij wij de beide heerlijke eilanden met hun verrukkelijk klimaat bijna geheel doorkruisten, hadden we ruimschoots gelegenheid om plannen voor de toekomst te maken. We overwogen het voor en tegen van trouwen en niet-trouwen, van samen of niet-samen wonen, totdat we ten slotte de ware oplossing meenden te hebben gevonden door het volgende besluit. Wij zouden samen gaan wonen, een wettig huwelijk aangaan, maar voor het overige vrij en onafhankelijk van elkander leven. Daartoe zou ik mijn eigen naam blijven voeren, mijn praktijk vervullen als te voren en in het bezit blijven van mijn eigen vermogen en verdiensten. In onze gemeenschappelijke woning zouden onze appartementen gescheiden zijn. Alleen eetkamer en salon zouden gemeenschappelijk bezit worden. Ieder zou zijn eigen kamers meubileeren. Aan het einde van het jaar zouden de kosten van het huishouden worden opgeteld en daarvan zou ieder de helft betalen. Kleeding, boeken en andere persoonlijke uitgaven, zou ieder voor zichzelf bekostigen. Voorts zouden we natuurlijk zoo streng mogelijke huwelijksche voorwaarden maken. Op die wijze, meenden we, zou ieders vrijheid ook in het huwelijk gewaarborgd zijn.
Toen wij het over deze voorwaarden eens waren geworden, wilden we onze plannen ook zoo spoedig mogelijk tot uitvoering brengen. Zoodra we te Amsterdam terug waren, begonnen we uit te zien naar een geschikte woning. Het was echter niet zoo gemakkelijk om er een te vinden die aan al onze eischen voldeed. Toen het ons niet vlug genoeg ging, besloten we een huis te koopen, dat door verbouwing en vertimmering geschikt kon worden gemaakt. Het gewenschte perceel werd eindelijk gevonden [215]in de Tesselschadestraat, dat later het hoekhuis van die straat en de Roemer Visschersstraat is geworden. In dat huis hebben we samen gewoond tot Gerritsen’s dood en ik daarna nog alleen tot 1911.
De vertimmering en het in orde brengen van de woning duurde veel langer dan ons lief was en eerst in April 1892 konden we het huis betrekken. Om ons zooveel mogelijk te onttrekken aan ongewenschte inmenging, hebben we de dagen tusschen ondertrouw en huwelijk te midden van onze vrienden in Londen doorgebracht.
Hoewel de wethouder die ons huwelijk wettigde een toespraak hield, welke er op was ingericht om twee zulke radicale elementen met de wettelijke actie te verzoenen, kon dit toch niet verhinderen dat er verontwaardiging op mijn gezicht was te lezen, toen ik de belofte van gehoorzaamheid moest afleggen. Steeds heb ik daarna, waar zich de gelegenheid aanbood, in woord en geschrift geijverd om die belofte van gehoorzaamheid uit de wettelijke bepalingen omtrent het huwelijk te verwijderen. Die belofte is reeds lang uit den tijd. Zij doet de mannen die ze in het huwelijksformulier neerschreven en zij die haar blijven handhaven, van een zeer bedenkelijke zijde kennen. In het huwelijk, zelfs in de meest conservatieve gezinnen, is van „gehoorzaamheid” der vrouw in werkelijkheid nooit sprake geweest. Ieder weet maar al te goed, hoe de mannen waar zij meenen gehoorzaamd te worden, op allerlei manieren bij den neus worden genomen. Waarom dan nog maar altijd, op zulk een voor vele menschen gewichtigen dag, een belofte te laten uitspreken die een leugen inhoudt?
In September 1893 konden wij ons eerste kind verwachten. Met groot verlangen werd het tegemoet gezien. Nog in het begin van de zevende maand verrichtte ik een zware forcipale verlossing bij eene patiënte, en tot den laatsten dag van mijn zwangerschap bleef ik mijn consultatieve praktijk vervullen, maar toch kon ik genoeg vrije oogenblikken vinden om zelf het kinderuitzet te maken. [216]
In Januari 1893 was Gerritsen in het district Leeuwarden candidaat gesteld voor de Tweede Kamer. Hij was daar de eerste candidaat van den nog jongen Radicalen Bond en hij stond er tegenover den in Friesland bekenden liberalen candidaat J. Troelstra, de vader van den sociaal-democratischen leider Mr. P. J. Troelstra, die toen echter nog studeerde aan de Universiteit te Groningen. Het was een zware verkiezingscampagne waarvoor de sprekers van de radicale partij allen in het gareel kwamen. Avond op avond werden er vergaderingen gehouden, dan hier dan daar in het district. Hoe laat Gerritsen van zulke bijeenkomsten, meest nog na een urenlangen rit in een rijtuig, ook te Leeuwarden terugkeerde, nooit verzuimde hij vóór het naar bed gaan, mij nog even een briefje te schrijven om mij van den stand van zaken op de hoogte te brengen. Geen wonder dat door de hulp van zulke jonge, met frissche idealen bezielde medewerkers, het pleit in Friesland werd gewonnen. Als de eerste radicale afgevaardigde kon Gerritsen in de Kamer optreden.
Ondanks die drukte van den verkiezingstijd heb ik toch geen enkel briefje van Gerritsen ontvangen, of op de een of andere wijze bevatte het iets over de blijde verwachting en legde het ondubbelzinnige getuigenis af hoezeer die naderende gebeurtenis ons beider gedachten steeds bezig hield en vervulde.
Het kindje waarnaar we zoozeer hadden verlangd, heeft slechts één dag mogen leven. Door een fout van den accoucheur bij de geboorte, was het geen langer leven beschoren. Hoezeer ons deze slag heeft getroffen, kan ik niet neerschrijven. Jaren heb ik noodig gehad om het verdriet te boven te komen. En toch heb ik later, wanneer ik terugdacht aan dien droevigen tijd, mij gelukkig gerekend dat ik, al was het dan ook maar voor eenen dag, de moederweelde heb gekend, de emoties heb gehad die het in de armen voelen van een eigen kind opwekken.
⁂
We hadden ons leven weder ingericht als voorheen. [217]Ieder wijdde zich aan eigen arbeid. Zooveel ons werk het toeliet, gebruikten wij de hoofdmaaltijden samen, maar voor de rest van den dag zagen we elkander maar zelden. Alleen wanneer ik mij, bij goed weer, tegen half vier vrij kon maken, vergezelde ik Gerritsen op een van zijn vele tochten naar de haveninrichtingen, voor welke hij met voorliefde werkte en waar hij vele verbeteringen wist aan te brengen. Op andere dagen ging ik met hem mee op een inspectietocht naar een van de vele stedelijke inrichtingen voor armenzorg. Wandelend doorkruisten we verschillende nieuwe wijken en de achterbuurten, zoodat Gerritsen, die immers geen geboren Amsterdammer was, toch in den Raad blijk kon geven dat hij de stad door en door kende en op de hoogte was van alles wat Amsterdam aanging.
In iedere groote of kleine vacantie gingen we samen op reis. In het eerst waren het grootendeels voetreizen, maar van 1894 af maakten we bij voorkeur gebruik van onze rijwielen om ons eigen land en het buitenland goed te leeren kennen. Wij hadden daarbij de gewoonte om op reis aanteekeningen te maken en die ook uit te werken en in druk te geven als „Reisbrieven”. Dikwijls bleven ze in portefeuille en dienden ons dan tot inlichting om sociale toestanden, wetten en gebruiken in ons land met die van andere landen te vergelijken. We bezochten immers zelden een land of een streek alleen voor het natuurschoon, het was ons meer te doen om kennis over land en volk te vergaren. Bij het trekken door een dorp of een stadje hielden we gesprekken met de bewoners en dikwijls is het ons gebeurd dat we daardoor veel wetenswaardigs vernamen en nuttige introducties kregen. Zulk een vluchtige kennismaking leidde niet zelden tot langdurige briefwisseling en zelfs tot werkelijke vriendschap.
Toen we het rijwiel als middel van vervoer gingen gebruiken, waren we lid geworden van den internationalen wielrijdersbond. Dat verschafte ons groot gemak voor [218]introducties en inlichtingen, want we verzuimden nooit om in elke plaats den daar gevestigden consul van den bond op te zoeken. In den regel waren die heeren vriendelijke en ontwikkelde menschen, die ons alle gewenschte inlichtingen verstrekten.
We gingen ’s morgens reeds vroeg op weg, om nog in de ochtenduren in de plaats die we wilden bezoeken, een fabriek, een inrichting van onderwijs, een museum of de een of andere sociale instelling te bezichtigen. Als het bijzondere doel dat we op het oog hadden belangrijk genoeg was, bleven we een dag over, anders trokken we des middags weer verder. We zorgden er voor, des avonds tijdig ergens te belanden waar we konden overnachten, en gewoonlijk waren we dan niet te moe om beiden onze indrukken van den dag op te schrijven. We verdeelden dan het werk, zoodat Gerritsen het eene en ik het andere gedeelte van den dag beschreef. We raakten daarmee zoozeer vertrouwd dat de beschrijvingen direct bij elkaar aansloten, zoodat wanneer we het geheel in druk brachten, de lezer niet kon merken dat het relaas van twee handen kwam.
DR. ALETTA H. JACOBS EN C. V. GERRITSEN OP DEN BRENNERPAS
WONING IN DE TESSELSCHADESTRAAT WAAR C. V. GERRITSEN EN DR. ALETTA H. JACOBS GEDURENDE HUN HUWELIJK GEWOOND HEBBEN
Op dergelijke manier bezochten wij Denemarken, Noorwegen en Zweden. Op verschillende tijden leerden we bijna heel Duitschland kennen, evenals een groot deel van Frankrijk, Engeland en Schotland, Zwitserland, Noord-Italië, Oostenrijk en Hongarije. Enkele van die tochten wil ik toch iets nader omschrijven.
Op zekeren dag vertrokken we met den trein naar Dresden, bleven daar een paar dagen om al fietsende de omstreken te bezichtigen, en toen begonnen we een grooten rijwieltocht door de Saksische Schweiz. Onze bagage, die uit slechts één koffer bestond, hadden we vooruit gestuurd naar Praag, terwijl we op onze fietsen alleen de voor een paar dagen noodige dingen medevoerden. Na Praag zochten we al spoedig onzen weg door het Bohemerwoud tot we de stad Linz aan den Donau bereikten, vanwaar we op een boot naar Weenen [219]gingen. Hier bleven we een volle week, gingen eerst naar Stiermarken en vervolgens door het Salzkammergut naar Innsbrück. Toen ging het over den Brennerpas naar Franzensfeste waar we zijdelings afdwaalden, den goeden weg verloren en na twee, voor wielrijders wanhopige dagen over ongebaande paden en met zeer primitieve logeergelegenheden, Belluno bereikten, waar we den trein naar Venetië konden nemen. Van hier trokken we naar Padua en Verona, vervolgens naar het Garda-meer en toen op de boot naar Riva. Daarna over Triënte naar Bozen, even een klein uitstapje naar Méran en andermaal over den Brennerpas naar Innsbrück. De paar dagen die we nog over hadden, besteedden we om door het Mittelwald naar München te wieleren, en daar stapten we eindelijk in den trein naar Amsterdam. Voor deze reis hadden we ruim negen weken noodig gehad.
In denzelfden trant spoorden we een ander jaar naar Antwerpen en fietsten toen naar Gent, Kortrijk en Boulogne waarbij we alle bekende badplaatsen langs de kust bezochten, telkens een dag en een nacht stil blijvende, totdat we in Hâvre aankwamen. Van hier gingen we naar Honfleur en volgden toen de Seine om over Rouaan naar Parijs te gaan. In Rouaan echter troffen we weer een van die vriendelijke raadgevers van den internationalen rijwielbond, een advocaat die tegelijk een hartstochtelijk wielrijder was. Hij vertelde ons zooveel over het interessante Rouaan en de mooie omgeving, dat we besloten daar enkele dagen te blijven om met hem en zijne vrouw eenige uitstapjes te maken. Als we na die mooie tochten in de stad terugkwamen, werden we door het vriendelijke echtpaar op de hoogte gebracht van het dagelijksch leven van de Rouaansche bevolking. Deze aangename kennismaking heeft geleid tot een goede vriendschap en tot een jarenlange briefwisseling. Na ons bezoek aan Parijs namen we een grooten omweg waarbij wij over Nancy en Metz door Luxemburg [220]naar Luik reden om vervolgens over Maastricht huiswaarts te keeren.
Nog één reis wil ik in het kort beschrijven, niet alleen omdat het een van onze grootste tochten is geweest, maar ook omdat er zulke aangename herinneringen aan verbonden zijn. Het was in den zomer van 1898. Steeds fietsende kwamen we den derden dag te Vlissingen aan, gingen daar aan boord naar Engeland en vervolgens met den trein naar Londen. Toen we daar enkele dagen hadden rondgetoerd, gaven we gevolg aan een uitnoodiging van een ouden vriend, Dr. G. B. Clarke, om eenige dagen zijn gasten te zijn op zijn mooie landhuis in Surrey.
Ook deze vriendelijke gastheer was een verwoed wielrijder. Iederen morgen en middag maakten we onder zijn geleide mooie tochtjes in de omstreken en eenige dagen vergezelde hij ons ook op den grooten tocht naar Schotland, dien we ons hadden voorgenomen. We gingen uit Surrey over Windsor langs de Theems tot Oxford en vandaar naar Stratford-on-Avon, wereldvermaard als geboorteplaats van den grootsten Engelschen dichter. We logeerden er in het hotel Shakespeare, waar iedere kamer geen nummer droeg, maar den naam van een Shakespeare-drama. Toen trokken we naar Birmingham en bleven er enkele dagen, om in dit centrum van de Engelsche nijverheid kennis op te doen van de arbeidstoestanden. Daarop reisden we een paar uren per spoor, om een eentonige streek die ons niets bijzonders kon opleveren, te vermijden. Maar te Carnforth, aan het begin van het merendistrict van Cumberland en Westmoreland, bestegen we weer onze rijwielen en zoo bereikten we nog denzelfden dag het lieflijk gelegen Windermere. Dit is de plaats waar de Londenaars gaarne hun week-end doorbrengen, vooral wanneer ze die kunnen uitbreiden met een vrijen Maandag. Nu was er juist zoo’n Maandagsche bank holiday op komst en het gevolg was dat we maar één nacht konden overblijven, omdat voor de drie volgende dagen in heel [221]Windermere alle slaapgelegenheden waren besproken. Den anderen ochtend vertrokken we daarom naar Keswick en daar bleven we een paar dagen om uitstapjes te maken. We wilden nu in één dag Glasgow bereiken, maar in Ecclefechan werden we door een stortregen overvallen en konden niet verder. We wisten wel dat dit de geboorteplaats was van Thomas Carlyle en dat hij op het nietige kleine kerkhof lag begraven, maar bij allen eerbied voor zijn nagedachtenis, betreurden we toch dat we genoodzaakt waren om in de eenige, primitieve, maar ten minste zindelijke herberg te overnachten. Toen het den volgenden dag nog plasregende, gingen we met den trein naar Glasgow. Hier en in de omgeving was zooveel te zien en te leeren, dat we er een week bleven en iederen dag uitstapjes maakten. Op een van deze kwamen we in het stadje Lanark met zijn vele spinnerijen. Het was een plaats die mij bijzonder belang inboezemde omdat Robert Owen er zijn socialistische proefnemingen had verricht.
Op een avond maakten we in ons hotel te Glasgow kennis met een vertegenwoordiger van de firma William Beard & Co., eigenaars van steenkolenmijnen te Bothwell. Toen hij vernam dat wij gaarne een kolenmijn wilden zien, noodigde hij ons uit bij hem te komen. Bothwell ligt ongeveer een half uur sporens van Glasgow. Bij wijze van voorbereiding vertoonde men ons teekeningen van de mijn met de verdeeling van schachten en gangen. Toen werden we in mijnwerkerspakken gestoken. Voor mij was een jongenspak gereed gelegd, maar ik moest toch de mouwen en de broekspijpen nog omslaan om me beter te kunnen bewegen. Mijn haren werden bedekt met een kap en waren daardoor, naar ik meende, goed afgesloten. We kwamen onder geleide van een goedigen meesterknecht, die steeds zijn best deed om ons in te lichten. Reeds het afdalen vond ik griezelig en het leek mij eindeloos lang vóór we het vereischte niveau op een diepte van 600 meter hadden bereikt. Na het gebruikelijke [222]oponthoud onder een soort van klok, om aan den luchtdruk te wennen, begon de urenlange tocht dien ik nu niet in bijzonderheden zal beschrijven, omdat dit reeds dikwijls is geschied en omdat de kolenmijnen overal hetzelfde beeld vertoonen, een triestige combinatie van onheilspellende duisternis, moeilijke begaanbaarheid en een onmenschwaardig lijkenden, zeer zwaren en naar verhouding slecht betaalden arbeid. Kortom, het beeld dat Zola in zijn „Germinal” op zoo aangrijpende manier heeft geschilderd. Van dat alles kregen we op den langen en moeizamen tocht door nauwe gangen, waar we dikwijls gebukt moesten loopen of zelfs op de knieën voortkruipen, een diep besef. Ik gevoelde diepe deernis met de zwoegende mijnarbeiders en niet minder met de arme paarden die gedoemd zijn om hun leven in de donkere diepte te slijten, zonder ooit het daglicht terug te zien. Graag wil ik bekennen dat ik, zwaar transpireerend van inspanning en door de hitte, op den duur doodmoe was geworden. Op het laatst bleef ons een extra sensatie niet gespaard, toen we een mijnwerker tot onzen geleider hoorden zeggen: „There’s something wrong!” Het bleek dat er een electrische kabel was gebroken en dat daardoor het geregeld oprijden van de kolenwagentjes in een deel van de mijn was gestremd. Tegelijk was de lift die ons naar beneden had gebracht, defect geraakt, zoodat we nog een eind verder moesten loopen naar een andere schacht.
Nooit heb ik met meer vreugde het daglicht begroet, dan toen wij dien middag, na vier uren in het duister te zijn geweest, eindelijk weer boven kwamen! In welken toestand van vervuiling kan ik nauwelijks beschrijven. Neus, mond, ooren en oogen zaten vol kolengruis en stof. Gelukkig wachtte ons ten huize van onzen gastheer een verfrisschend bad en daarbij bleek dat mijn haren, ondanks de beschermende kap, stijf zaten van het stof. Na een uur waren we naar het uiterlijk [223]weer presentabel, maar nog dagen lang heb ik het gevoel gehad of mijn slijmvliezen nog vol zaten met gruis en stof.
Een bezoek aan een kolenmijn is, zelfs in ons land nu we in Zuid-Limburg een groot staatsbedrijf hebben, tegenwoordig geen zeldzaamheid meer, maar toen wij beiden te Bothwell afdaalden, kwam het ook in Schotland zeer zelden voor, dat een vrouw tegen zulk een tocht niet opzag en zich niet liet afschrikken door welgemeende waarschuwingen. In zooverre heb ik er nooit spijt van gehad, omdat ik een onuitwischbaren indruk heb behouden van het leven der mijnwerkers.
Nadat we van Glasgow uit een heele week op dergelijke manier goed hadden besteed, bestegen we weder onze rijwielen om door Inveraray naar Oban te gaan. Hier zouden we een paar dagen blijven, maar het was er vol badgasten, daarom besloten wij op een boot naar Fort William te gaan en van daar weder op de fiets naar Inverness. Van deze plaats reden we naar Gairloch en staken vandaar over naar het eiland Skye, dat in die dagen druk werd besproken, omdat de Crofters, de hutbewoners, er in opstand waren gekomen tegen de grondeigenaars. Om zijn mooie natuur is Skye overigens vermaard en wordt veel bezocht door Engelsche en Schotsche families.
Een rijwieltocht van Inverness naar Gairloch vordert eenige dagen. Den tweeden dag na ons vertrek hadden we veel last van regenbuien, zoodat we telkens ergens moesten schuilen. Eindelijk dachten we door snel te rijden het dichtst bijzijnde hotel nog wel te kunnen bereiken, maar toen we een goed eind op weg waren, brak er weer een plasregen los. ’t Was al bijna zeven uur en er was geen huis in zicht. We zagen alleen een klein kerkje. Daar gingen we heen om te vragen of er misschien niet ver af een spoorweghalte was. Toen we daarop aan de pastorie aanklopten, werden we vriendelijk ontvangen door den ongetrouwden predikant [224]en zijn huishoudster. Zij zeiden dadelijk dat we onmogelijk verder konden. De dominee zeide dat indien ik de huishoudster wilde helpen om een kamer in orde te brengen, en als we het met een eenvoudig maal voor lief wilden nemen, we gerust konden blijven. Natuurlijk namen we dat gaarne aan. Onder het avondeten had ik op een tafeltje een schaakspel zien staan. Het bleek dat de predikant een groot schaakliefhebber was. Terwijl Gerritsen na den eten mocht snuffelen in de bibliotheek van den ouden heer, speelde ik een partij schaak met hem en het gevolg was, dat we eerst na middernacht naar bed gingen. Den volgenden morgen waren we reeds vroeg reisvaardig, maar de huishoudster kwam ons vertellen dat we niet weg mochten. De dominee was al voor dag en dauw uitgegaan om een paar konijnen te verschalken voor een lekker maal, en in geen geval konden we vertrekken vóór zijn eerwaarde terug was. Toen hij thuis kwam smeekte hij ons letterlijk om nog een paar dagen te blijven. Het was blijkbaar zoo goed bedoeld, dat we besloten althans dien eenen dag nog zijn gasten te blijven. Zoo kregen we een kijkje in het leven van een Engelschen dorpspredikant. ’t Leek ons niet erg benijdenswaard.
Toen we van het eiland Skye in Gairloch waren teruggekeerd en van daar weer naar Inverness reden, kozen we een andere route dan de vorige. Uit Inverness zijn we toen eerst naar Aberdeen gereden en vandaar langs de Dee naar Braemar. In Ballater brachten we een bezoek aan de hoeve Ballaterach, waar Byron zijn jonge jaren heeft doorgebracht en waar Mary Robertson, de dochter van den pachter, het voorwerp is geweest van zijn eerste liefde. Aan die idylle dankt men eenige mooie gedichten. De hoeve was sedert dien tijd echter geheel veranderd.
Braemar, waar Koningin Victoria haar zomerverblijf had, loonde de moeite van een bezoek. Van hier uit moesten we over twee moeilijke bergpassen om ons [225]volgende doel te bereiken. ’s Morgens vroeg vertrokken we van Braemar bij het prachtigste weer, maar toen we den eersten bergtop hadden bereikt, zaten we in zulk een dikken mist, dat we geen meter voor ons uit konden zien. Die mist was bovendien koud en nat, zoodat onze kleeren doorweekt waren. Wat nu te doen? Even te voren hadden we aan den weg een armoedige hut gezien, de eenig zichtbare menschelijke woning. We slaagden er in om die hut weer te vinden. De bewoners waren twee, meer dan 70-jarige zusters, die ons liefderijk verwelkomden. Er werd een vuurtje gemaakt van takkebossen, waarbij we onze natte kleeren konden drogen. Deze vrouwen van goeden stand hadden betere dagen gekend en toen die voorbij en zij niet meer in staat waren om in eigen onderhoud te voorzien, had de familie haar op een koopje in dit eenzame oord onder dak gebracht. Toen we hier een paar uren hadden gezeten en het weer niet in het minst was veranderd, leek het ons onmogelijk om in dit schamel verblijf langer te blijven. We vroegen of het niet mogelijk zou zijn om in de omgeving een herberg of een ander huis te bereiken waar we konden overnachten. Toen is een van de oude dames met ons meegegaan om ons den weg te wijzen naar het achter hare woning gelegen huis van den jachtopziener. Onze rijwielen lieten we achter. De jachtopziener was niet thuis, maar we werden ontvangen door zijn zuster en dat ging op een echt Schotsche manier, stroef en knorrig. Zoo iets hadden we echter al dikwijls meegemaakt en lieten er ons niet door afschrikken. Het was altijd beter gemeend dan het leek. „Kom maar binnen,” zei de zuster. „ik zal wel thee voor jullie zetten, maar ik hoop dat het weer gauw opklaart zoodat jullie verder kunt gaan.” Spoedig stond er een goede Engelsche thee met brood, kaas en eieren klaar, het houtvuur knapte lekker en kort daarna zat Betsy Wallace, zoo heette onze gastvrouw, gezellig met ons te praten, precies of we oude kennissen waren. [226]
Na eenigen tijd kwam ook de broer thuis, een goedhartige, flinke man, die onmiddellijk zeide dat we er goed aan hadden gedaan om bij hen aan te kloppen, want op onzen verderen weg zouden we over een langen afstand geen huis meer hebben gevonden, en bovendien was een eind verder een gevaarlijke bocht.
Tegen vijf uur klaarde het een beetje op. We vroegen den jachtopziener wat we nu zouden doen, onzen tocht voortzetten of naar Braemar terugkeeren. Hij ging naar buiten om poolshoogte te nemen en kwam terug met de uitspraak dat we moesten blijven. Het weer was niet te vertrouwen en of we het een of het ander deden, in beide richtingen liepen we gevaar een ongeluk te krijgen. Nu werd in de „mooie kamer” een veldbed gespreid en ’s avonds aten we met broer en zuster het avondmaal, dat bestond uit gestoofde aardappelen en slappe koffie. Maar welk een gezellige prater was de vriendelijke jachtopziener! Den heelen avond vertelde hij ons bijzonderheden en anecdoten uit het Schotsche boerenleven. Toen we den volgenden ochtend met mooi en helder weer vertrokken, waren onze fietsen versierd met bossen bloeiende witte heide. Die was Betsy in de vroegte gaan zoeken. Dat bracht geluk aan, zeide zij hartelijk. Van betaling voor hun gulle gastvrijheid wilden broer noch zuster hooren, en toen ik vroeg of ik dan niets kon doen om blijk van erkentelijkheid te geven, zeiden ze dat zij het prettig zouden vinden als we hun nu en dan eens iets schreven, om hun te toonen dat we hen niet waren vergeten. Nu, dat heb ik ook gedaan. Vele jaren achtereen heb ik Betsy en haar broer met Kerstmis een kleine attentie gezonden, iets waarmee ik dacht hen genoegen te doen. Dan volgde er altijd een kort, stroef briefje als antwoord. Het heeft zoo lang geduurd tot hetgeen ik zond als „onbestelbaar” terugkwam.
Na dit avontuur bezochten we nog de Trossacks, waar we uitstapjes maakten naar en over verschillende meren, en daarna reden we over Stirling naar Edinburg [227]waar we eenige dagen doorbrachten. Wel hadden we eerst plan om al fietsende naar Londen te trekken, maar daarmee was toch te veel tijd gemoeid. In Edinburg hebben we dus onzen rijwieltocht geëindigd en zijn met trein en boot over Londen naar Amsterdam teruggekeerd.
⁂
In Juli 1899 zou in Londen het groote internationale Congres van vrouwen worden gehouden, het eerste in Europa. Het was het tweede Congres van den Internationalen Vrouwenraad, die tegelijk met het eerste Congres, in 1893, in Noord-Amerika was opgericht. Maanden te voren had ik mij verheugd in het vooruitzicht kennis te maken met vele vrouwen uit verre landen met wie ik al jaren had gecorrespondeerd. lederen keer wanneer ik weer een brief kreeg met de vraag: „Zal ik u in Londen zien?” ging mijn hart open en heerlijk vond ik het daarop toestemmend te kunnen antwoorden. Mijn vreugde over het feit dat ik al die vrouwen uit verschillende landen bijeen zou zien, allen evenals ik strevende naar verheffing van de vrouw en verbetering van haar maatschappelijke, politieke en economische positie, werd nog verhoogd doordat Gerritsen mee zou gaan om ook aan het Congres deel te nemen. Ik mag er dadelijk bijvoegen, dat hij een der zeer enkele mannen is geweest die een spreekbeurt op het Congres hebben vervuld.
Vele Londensche families hadden de vreemdelingen gastvrijheid aangeboden, meest op een zoo heusche manier dat een weigering niet mogelijk was. Zulk een uitnoodiging ontving ik van Mrs. Herbert Samuel voor de heele Congresweek, natuurlijk ook voor mijn echtgenoot. De jonge man die ons op een morgen aan Liverpool Station kwam afhalen, hielden we, misleid door zijn jeugdig uiterlijk, voor den zoon van onzen gastheer. Toch was hij het zelf, Sir Herbert Samuel, de man die later in het politieke leven een bijzondere rol zou spelen, [228]dezelfde die de eerste Gouverneur zou worden van Palestina, wat hij heden nog is. (Over deze aangename kennismaking heb ik trouwens hiervóór, op blz. 99, reeds een enkel woord geschreven).
Mijn eerste ontmoeting met vrouwen als de toen reeds 80-jarige Miss Susan B. Anthony uit Amerika, met de predikante Anna Howard Shaw, Mrs. Emmeline Wells—weduwe van een der eerste Mormonen, die jaren lang Gouverneur van Utah is geweest,—met Baronesse Alexandra von Gripenberg uit Finland, de twee Russinnen Madame Anna de Philosofoff en Dr. Kozakevitch Stevanofsky, verscheidene vrouwen uit Canada, Australië en Nieuw-Zeeland,—wekte bij allen de duidelijk uitgesproken verwondering op, dat ik nog zoo jong was. Wel telde ik reeds 45 jaar, maar toen de oude Miss Anthony mij in haar armen nam en hartelijk kuste, zeide zij: „How can it be that you are the same woman of whom I have heard so many, many years already!” Hetzelfde hoorde ik telkens van velen met wie ik nu eerst persoonlijk kennis maakte.
Op een van de eerste groote diners waartoe verscheidene deelgenooten aan het Congres waren uitgenoodigd, was ik geplaatst tusschen Beatrice Harraden, de ook in ons land door haar boek „Ships that pass in the night”, bekend geworden Engelsche schrijfster, en de Amerikaansche schrijfster Mrs. Charlotte Perkins Stetson. Deze laatste had juist haar belangrijke werk, „Women and Economics” voltooid, waarvoor de Fabian Society in Londen haar het eerelidmaatschap had aangeboden. Eenige jaren te voren trouwens was zij reeds in Californië met goud bekroond voor een verhandeling over de arbeidersbeweging. Nog vóór het diner was afgeloopen, had Mrs. Perkins mij al gevraagd of ik haar nieuwste werk in het Nederlandsch wilde vertalen. Toen ik toestemmend antwoordde, kreeg ik nog denzelfden avond van haar een schriftelijke opdracht daartoe. Juist een jaar later, in Juli 1900, kon ik de vertaling van het boek van [229]Charlotte Perkins Gilman (haar nieuwe schrijversnaam nadat zij gescheiden was van den heer Stetson en met den heer Gilman hertrouwd), getiteld: „De Economische toestand der vrouw”, verschenen bij Tjeenk Willink te Haarlem, het Nederlandsche publiek aanbieden. Ondanks de zeer waardeerende beoordeeling die het in vele bladen en tijdschriften ten deel viel, is van dit boek ten onzent niet voldoende notitie genomen. Toch „raakt het een levenskwestie van de tegenwoordige maatschappij” (Alg. Handelsblad van 23 Dec. 1900), omdat het een krachtig pleidooi is voor de economische onafhankelijkheid der vrouw in het huwelijk, van een zedelijk, economisch en eugenetisch standpunt.
Nog eenmaal, een tiental jaren later, heb ik tijd besteed aan het vertalen van een boek, „Woman and Labour” door de geniale en sympathieke Olive Schreiner geschreven. Het moge dan wetenschappelijk niet op één lijn staan met het boek van de Amerikaansche schrijfster, het behandelt toch van sociologisch en ethisch standpunt hetzelfde onderwerp en kan dus als een aanvulling daarvan beschouwd worden.
Onder de vele feestelijkheden waarmede dit, nooit geëvenaarde Congres, gepaard ging, staat helder gegrift in mijn geheugen, de begroetingsavond in Stafford House, waar de Hertogin van Sutherland en Lady Aberdeen de gasten ontvingen. Verder ook het prachtige tuinfeest in Gunnersbury Park, waar de Ladies de Rothschild gastvrouwen waren. Voor dit laatste feest stonden extratreinen de gasten ten dienste en rijtuigen die hen van en naar de stations reden. Ook heb ik het voorrecht gehad tot de genoodigden te behooren van Sir Richard Temple, die twee opeenvolgende weken een twaalftal personen had geïnviteerd om het week-end door te brengen op zijn prachtig buitengoed, „The Nash” bij Worcester. Verder zal ik niet gewagen van de overige ontspanningen welke de deelneemsters werden aangeboden. Zij waren zoo talrijk dat iedereen in beslag [230]was genomen door lunches en diners, ja zelfs waren er „ontbijt-partijen”. Alleen wil ik nog opmerken dat op al mijn invitatiekaarten achter mijn naam was bijgevoegd: „and husband” of anders: „and Mr. Gerritsen” en dat mijn man in de meeste gevallen van die toevoeging gaarne gebruik heeft gemaakt.
Toen we in Amsterdam terug waren en aan vrienden en kennissen van het Congres vertelden, zeide Gerritsen eens, dat het hem op het Congres duidelijk was geworden, hoe het een fiere vrouw te moede moest zijn wanneer zij haar leven lang nooit haarzelf mocht wezen, maar altijd beschouwd werd als een aanhangsel van haar man. Gedurende al dien tijd in Londen was hijzelf niet anders geweest dan de man van Dr. Aletta H. Jacobs. Zulk een les moest iedere man maar eens krijgen—zeide hij—dan zouden de vrouwen met haar streven naar onafhankelijkheid wel beter begrepen worden. De ervaring die hij aldus in Londen had opgedaan, is voor Gerritsen niet afschrikwekkend geweest, want in 1904 heeft hij mij weer begeleid naar Berlijn, waar toen het volgende Congres van den Internationalen Vrouwenraad werd gehouden. Over dit congres zal ik echter niet meer uitweiden en alleen noteeren dat de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht daar vasten vorm heeft gekregen. Voor mij persoonlijk is dit Congres nog van bijzondere beteekenis geweest, omdat ik daar voor het eerst Mrs. Carrie Chapman Catt persoonlijk leerde kennen en vervolgens hare vriendin ben geworden; en omdat ik ook te Berlijn in nauwere aanraking kwam met de predikante Anna Howard Shaw, die mij tot haren dood een lieve vriendin is geweest.
⁂
Hier volgt nog iets ter illustratie van onze verhouding als man en vrouw, zooals Gerritsen en ik die opvatten.
Het ligt in de rede dat ik gebruik maakte van de gelegenheid die de Radicale Bond—later ook de Vrijzinnig-Democratische [231]Partij—aanbood, dat vrouwen onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als mannen leden konden worden. Niet alleen was ik de beginselen van de partij ten volle toegedaan, maar ik was overtuigd dat ik in haar midden goede propaganda zou kunnen maken voor betere levensvoorwaarden voor de vrouw. Daarom werd ik dus een werkzaam lid.
Gerritsen vervulde in de partij een leidende rol en daardoor was ik steeds op de hoogte van alles wat er aan de orde kwam. Niet lang nadat de radicale partij in den Vrijzinnig-Democratischen Bond was opgegaan, moest er een program worden vastgesteld, dat als richtsnoer zou dienen voor onze partijgenooten die zitting kregen in de vertegenwoordigende lichamen. Voor het opmaken van een concept-program werd een commissie gevormd en daarvan werd Gerritsen als voorzitter aangewezen. Ik had een levendige belangstelling voor dat ontwerp en binnenskamers leverde ik kritiek op sommige punten die mij niet ver genoeg gingen. Ook miste ik er een paar punten in. Ik trachtte Gerritsen te bewegen om daarin te voorzien, ten eerste door te bepalen, dat bij de benoeming van ambtenaren geen verschil van sekse mocht gelden, doch alleen op bekwaamheid en geschiktheid van de sollicitanten mocht worden gelet; en ten tweede, dat bij de benoeming van vrouwen „gelijk loon voor gelijke arbeidsprestatie” in acht moest worden genomen.
Na eenigen tijd vertelde Gerritsen mij dat het concept-program was vastgesteld en dat mijn beide punten in de commissie geen genade hadden kunnen vinden. „En jijzelf?”, vroeg ik. Met een effen gezicht antwoordde hij: „Ik maak deel uit van de commissie en ik heb je het oordeel van de commissie verteld.” Meer was er niet uit hem te krijgen.
De vergadering van de partij waarin het concept-program zou worden behandeld, om al dan niet geamendeerd te worden vastgesteld, zou te Amsterdam worden [232]gehouden. Ik peinsde op middelen om de twee punten die ik wenschte toch nog opgenomen te krijgen. Daarvoor was ik bij Gerritsen als raadgever aan het verkeerde kantoor. In de vergadering moest hij het program verdedigen in den vorm zooals het door de commissie was opgesteld. Hij kon mij den weg niet wijzen om mijn zin te krijgen, want hij zou daardoor zijn taak nog verzwaren en zelfs toen ik hem vroeg naar de argumenten op grond waarvan de commissie de bedoelde punten had verworpen, zeide hij dat hij niet mocht verklappen wat in de commissievergadering was verhandeld. Misschien hechtte ik te groote beteekenis aan het opnemen van de beide punten, maar zij lieten mij toch geen rust en ook de houding van mijn man prikkelde mij tot verzet. Op den avond vóór de vergadering vroeg ik hem of er nog tijd was voor het indienen van amendementen. Zeker,—was het bescheid—als ze dan maar vóór de opening op de bestuurstafel gedeponeerd waren.
Toen we den volgenden morgen samen naar de vergadering gingen, liet ik Gerritsen een couvert zien, zeggende: „Hier heb ik de amendementen die ik op de bestuurstafel ga leggen”. Toen zei hij: „Je moet maar weten wat je doet. Ik ga je heftig bestrijden!” Dat klonk niet aanmoedigend, maar ik gaf het niet op.
Er waren in die dagen nog maar enkele vrouwen lid van den Vrijzinnig-Democratischen Bond. In deze vergadering was ik zelfs de eenig aanwezige.
Toen mijn amendementen aan de orde kwamen, vroeg de voorzitter zeer formeel: „Wenscht Dr. Jacobs haar amendementen nog toe te lichten?” Mijn antwoord luidde dat de twee bedoelde punten geheel in de lijn van onze beginselen lagen en dus in het program niet mochten ontbreken. Daarom achtte ik toelichting feitelijk overbodig, maar indien er bezwaren werden aangevoerd dan zou ik mijn standpunt gaarne nader uiteen zetten. Nu, er kwamen bezwaren, eerst uit de vergadering en toen van de bestuurstafel. Het was Gerritsen, de voorzitter, [233]die met al de scherpte waarover hij kon beschikken, tegen het opnemen van de twee punten in verzet kwam. Ik vreesde het pleit te hebben verloren, maar ik deed toch mijn best om de aangevoerde argumenten te ontzenuwen, bezield als ik was door mijn overtuiging en door de beteekenis die ik aan het opnemen toekende. Met een kleine meerderheid behaalde ik tot mijn groote voldoening de overwinning.
Na afloop van de vergadering kwam Gerritsen naar mij toe en terwijl hij vertrouwelijk zijn arm op mijn schouder legde, zei hij lachend: „Ik feliciteer je met je overwinning!” De heeren die er getuigen van waren, toonden zich verwonderd en een van de voornaamsten in de partij zei ronduit: „Ik ben werkelijk verbaasd dat zulk een openlijk verschil van meening op die manier wordt opgenomen!” Men had blijkbaar gedacht dat ik een standje zou hebben gekregen omdat ik in het openbaar tegen mijn man was opgetreden. Wat kende men ons nog weinig! In een van de Amsterdamsche bladen stond den volgenden ochtend in het verslag van de vergadering een afkeuring over het gebeurde en daaruit putte het orgaan een argument tegen vrouwenkiesrecht. Nu kon men eens zien waar het heenging als de vrouwen zich met de politiek bemoeiden. Het leidde zelfs tot een openlijk conflict tusschen man en vrouw!