⁂
Gelijk in het voorgaande reeds is medegedeeld, is Gerritsen tot zijn dood lid geweest van den Gemeenteraad te Amsterdam, en van 1893 tot ’97 lid van de Tweede Kamer. Bovendien was hij bij zijn dood nog lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en van 1899 tot 1902 is hij wethouder van de Handelsinrichtingen en het Armwezen geweest. Door de ernstige wijze waarop hij in al die colleges zijn taak opvatte en uitvoerde, en door ons innig samenleven, heb ik op maatschappelijk, wetgevend en uitvoerend gebied een leerschool [234]kunnen doorloopen als maar weinig vrouwen ten deel valt. Daardoor was ik ook in de gelegenheid om invloed uit te oefenen zoodra in een van die lichamen iets aan de orde kwam in verband met de belangen van vrouwen en meisjes. Het valt niet na te gaan of mijn inmenging werkelijk goeden invloed heeft gehad op de positie van de vrouwen, maar zij heeft mij de voldoening geschonken, dat ik op die wijze althans getracht heb daartoe iets bij te brengen.
In het bijzonder heb ik er mij over verheugd dat, toen Gerritsen wethouder was geworden, hem de leiding werd opgedragen van het Armwezen, waaronder ook ziekenhuizen, weeshuizen, instellingen voor ouden van dagen enz. waren begrepen. Daardoor heb ik indirect kunnen meewerken tot het verbeteren of opheffen van misstanden, welke ik in den loop der jaren in sommige van die instellingen had leeren kennen. Vooral de wijze waarop de zieke armen in de stad werden behandeld, eischte naar onze overtuiging een radicale hervorming. „Met werklust en werkkracht, met taaie volharding en moed,”—zooals een der Amsterdamsche couranten na zijn dood van Gerritsen getuigd heeft,—begon hij al die instellingen, welke nog werden beheerd volgens verouderde opvattingen, te reorganiseeren volgens redelijke eischen en naar de toen doordringende opvattingen van gemeentezorg en van humaniteit. Bij die herschepping kon hij beschikken en steunen op de kennis van zaken welke wij beiden op onze vele tochten in het buitenland hadden opgedaan, omtrent het beheer van zulke instellingen volgens de moderne opvattingen, welke gelukkig ten onzent ook door een deel van de burgerij werden gehuldigd. Maar er zijn toch groote moed en volharding noodig geweest om de voorgenomen hervormingen door te zetten, want het stond bij voorbaat vast, dat bij elke instelling die aldus onder handen werd genomen, een sterken tegenstand was te wachten van bestuurders en belanghebbenden, hetzij uit wel begrijpelijke behoudzucht, [235]hetzij uit eigenbelang. Hoe groot het verzet ook was, Gerritsen heeft zich bij het uitvoeren van zijn plannen nooit laten ontmoedigen, het prikkelde hem integendeel tot nieuwe inspanning om het doel te bereiken.
Ontmoedigend en ergerlijk alleen is de tegenstand geweest van de Amsterdamsche doktoren, toen Gerritsen de Geneeskundige Armenzorg aan een totale hervorming ging onderwerpen. Hoe konden zij zich op zulk een manier verzetten tegen het verbeteren van een toestand, welke onwaardig was voor de stad Amsterdam en voor de doktoren die in stedelijken dienst de geneeskundige armenpraktijk waarnamen? De eenige verontschuldiging die men voor hun houding nog kon aanvoeren, zou deze zijn, dat zij wellicht zich hebben geschaamd omdat niet reeds lang geleden uit hun eigen midden stemmen waren opgegaan om een einde te maken aan de onmenschelijke behandeling van de zieke armen. Nu moest een leek op medisch gebied komen om, zonder een hunner te ontzien wanneer hij te laken was, de geneeskundige armenzorg op humanitairen grondslag te vestigen.
De unfaire manier waarop de Amsterdamsche doktoren tegenstand voerden, het doet mij leed dit te moeten zeggen, heeft er niet weinig toe bijgedragen dat Gerritsen’s gezondheidstoestand, die toen reeds te wenschen liet, ernstig werd benadeeld. Toen hij in den Raad het pleit had gewonnen en hij een medicus zocht om onder zijn leiding aan het hoofd van den dienst de hervorming uit te voeren, uitte de wraak van de medici zich op deze manier, dat zij zulk een druk uitoefenden op ieder die zich aanmeldde, dat niemand de sollicitatie durfde handhaven, uit vrees voor de moeilijkheden die zijn collega’s hem in den weg zouden leggen. Het heele systeem werd door deze boycot bedreigd en het zou misschien zelfs schipbreuk hebben geleden, indien niet te elfder ure Dr. Menno Huizinga den moed had gehad om, de woede van de Amsterdamsche medici trotseerende, zich bereid te verklaren als directeur van den geneeskundigen dienst op te treden. [236]
Toen Gerritsen enkele jaren later was gestorven, hebben alle bladen om strijd, als een van zijn belangrijkste verrichtingen, hulde gebracht „aan zijn hervorming van de geneeskundige armenzorg, een groote zegen voor de zieke armen.”
De verontschuldigende verklaring welke ik hierboven heb aangevoerd voor de houding van de Amsterdamsche medici, vindt steun in hetgeen in latere jaren over de geneeskundige armenzorg door medici gepubliceerd werd. Daarin wordt wel gezegd, dat Gerritsen aan de reorganisatie den stoot heeft gegeven, maar van de tegenkanting der toenmalige toongevende Amsterdamsche medici werd met geen woord gerept. Er staat gelukkig tegenover dat in een uitgaaf van den jongsten tijd, het Gedenkboek bij het 75-jarig bestaan van den Geneeskundigen Kring te Amsterdam, 21 Sept. 1923 Dr. L. Heijermans, de directeur van den Geneeskundigen Dienst aldaar, in een overzicht van de ontwikkeling van dien dienst, aan het initiatief van Wethouder Gerritsen in 1901 recht heeft laten wedervaren.
⁂
In het begin van 1904 begon Gerritsen’s gezondheidstoestand, het zij dan slechts bij tusschenpoozen, bedenkelijke verschijnselen te vertoonen. Wanneer hij zich geneeskundig liet onderzoeken werd toch in geen enkel geval iets verontrustends gevonden. Hijzelf geloofde dat de verschijnselen alleen het gevolg konden zijn van overwerken. Hij stelde mij nu voor, om mijn praktijk voorgoed op te geven en gedurende langen tijd samen op reis te gaan. Dan zou hij eens in een geheel anderen gedachtenkring komen en op die manier zeker weder volmaakt gezond worden.
Het plan was zeer verleidelijk en het lokte mij vooral aan, omdat we een lange reis door Noord Amerika zouden maken om daar de sociale toestanden te leeren kennen. [237]Om in aanraking te komen met de Amerikaansche autoriteiten en ons de gewenschte introducties te verschaffen, besloten we bij wijze van uitgangspunt het eerst deel te nemen aan het Congres van de Interparlementaire Unie dat in Augustus van dat jaar, 1904, te St. Louis zou worden gehouden.
Het plan van de reis kreeg dus al vasten vorm, maar alvorens ik mijn praktijk zou neerleggen, wilde Gerritsen toch dat ik het jubileum zou vieren van mijn promotie tot doctor in de geneeskunde, 25 jaar geleden. De herinneringsdag was 8 Maart 1904 (door een vergissing van de feestcommissie werd de viering op 18 Maart bepaald). Gerritsen werkte er toe mede om het feit te herdenken, maar hij liet mij van de plannen geheel onkundig.
Er had zich een commissie van vrouwen gevormd en deze heeft er voor gezorgd dat de 8e Maart 1904 voor mij eenig en onvergeeflijk is geworden. Die commissie bestond uit de dames Th. P. B. Haver, J. van Buuren-Huys, Martina Kramers, W. Drucker, Schöffer-Bunge, Van Loenen-de Bordes en E. Kerlen. Van den vroegen ochtend af stroomden bloemstukken, telegrammen, brieven, binnen- en buitenlandsche bladen en tijdschriften onze woning binnen. Alles getuigde van het voor mij, en zooals nu bleek, ook voor anderen heuglijke feit. Vele oud-patiënten hadden de gelegenheid aangegrepen om mij tastbare bewijzen van dankbaarheid te geven, een aantal besturen van vereenigingen, waarbij die van arbeiders mij het meest welkom waren, gaven uiting aan hun vriendelijke en waardeerende gevoelens door brieven, verzen, telegrammen. Alle groote en kleine organen van de Nederlandsche pers hadden dien dag meer of minder uitgebreide levensschetsen van mij, soms nog vergezeld van persoonlijke herinneringen en indrukken. Enkele van deze gelegenheidsstukjes zal ik mij veroorloven hier te laten volgen.
In het „Sociaal Weekblad” schreef Cornelie Huygens o.a.: [238]
Weldra bleek, hoe groot een behoefte er bestond aan vrouwelijke geneeskundige hulp. Reeds van den aanvang af mocht zij zich in een goede praktijk verheugen, en deze breidde zich met den dag uit. Maakte dit—met het oog op de bij velen nog bestaande sterke vooroordeelen tegen eene „vrouwelijke dokter”—wellicht veler verwondering gaande, vooral in een land welks schuwheid tegenover het vreemde en nieuwe bijna spreekwoordelijk is geworden, voor allen die Dr. Aletta Jacobs persoonlijk leerden kennen, was het raadsel spoedig opgelost.
Wie eenmaal die jonge vrouw met haar kalm, rustig optreden en tevens zoo vastberaden doortastend handelen aan het ziekbed hadden gadegeslagen, waren ten diepste overtuigd, dat zij, gehoor gevend aan den in hare jeugd onweerstaanbaren ziele-drang, hare ware roeping had gevoeld—dat zij als geneeskundige een terrein betrad, haar door haar geheelen aanleg als het ware aangewezen.
De geestkrachtige kalmte, die men bij dokters une grâce d’état kan noemen, verloochent zich bij haar geen oogenblik. Tot zelfs in de meest spannende oogenblikken blijft aan de sponde der kranken haar blik helder en onbevangen, haar hand vast, haar stem zacht en bemoedigend, dringt haar bedarende invloed tot de zieken door. Schrijfster dezes, die wellicht vaker dan iemand in de gelegenheid is geweest met bewondering op te merken, hoe in dergelijke oogenblikken het echt vrouwelijke in haar aan een mannelijke geestkracht zich paart, is het een behoefte op deze eigenschappen van onze eerste nederlandsche doctores, welke alleen hare patiënten en hunne nabestaanden ten volle vermogen te waardeeren, met nadruk te wijzen.
Immers juist dat zoo echt-vrouwelijke, hetwelk de karakteristiek van haar wezen vormt en zich zelfs openbaart in kleinigheden, in de nauwgezetheid waarmede zij haar huishouden bestiert, de keuze harer bezigheden enz., kan beter dan de welsprekendste betoogen logenstraffen de nog altijd bij sommigen bestaande vrees, dat de lichtstralen der wetenschap den nimbus van het waarachtig-vrouwelijke zullen doen verbleeken.
DR. ALETTA H. JACOBS IN HAAR WERKKAMER IN 1904 BIJ GELEGENHEID VAN HAAR 25 J. DOCTORSJUBILEUM
In die dagen bevatte „de Telegraaf” een artikel, geteekend met de initialen J. C. Daaraan is het volgende ontleend:
Wanneer zij nu over hare minder aangename ervaringen spreekt, dan doet ze het met een beminnelijken lach op haar vriendelijk, rustig gezicht, maar indertijd zullen ze haar bitter gesmaakt hebben en ze heeft er zich toch maar doorheen geworsteld.
Dezelfde flinkheid die haar gedurende den studietijd typeerde, [239]dit durven handelen en optreden, dit aanpakken heeft zij altijd behouden.
Zij heeft haar besliste meening over de verschillende maatschappelijke vraagstukken en zij formuleert die scherp, uit ze, waar zij denkt hier mee nut te doen—zij heeft het recht, na haar daden, over haar denkbeelden te schrijven, voor het publiek te spreken, zooveel te meer omdat ze het doet in pittigen, anregenden vorm.
Haar praktijk, die zich van het begin af bijna uitsluitend tot vrouwen beperkte—en die wel sterk aangroeien moest, omdat zij in een dringende behoefte voorzag—bracht haar de gelegenheid de nooden der menschheid, der vrouwen vooral, grondig te kunnen bestudeeren, in te zien wat er gebeuren moest ter verbetering der verkeerde toestanden.
Dit inzien was voor haar voldoende luid op haar denkbeelden uit te spreken om die middelen tot verbetering ingang te doen krijgen.
En daartoe was dikwijls een aanzienlijke hoeveelheid zedelijken moed noodig.
Of was het geen daad van moed de aanvrage van haar kiesrecht in 1883, terwijl ze haast van te voren weten kon bespot en belasterd te worden?
Moedig ook is haar zich schrap zetten tegen het ingekankerde maatschappelijke kwaad, de prostitutie.
Altijd heeft zij zich opgeworpen tot hulp der vrouwen, waar deze hulp noodig hadden en in de vijf-en-twintig jaren van haar werken nu, heeft zij toch ook de voldoening, te kunnen wijzen op betere maatregelen door haar tusschenkomst in het leven geroepen.
Zoo zal nu een wettelijke regeling komen op de door haar reeds voor vele jaren met klem geëischte betere behandeling der winkelmeisjes, voornamelijk wat het staan betreft.
Al had zij niets gedaan dan alleen haar daad van zeventienjarig meisje, dan had zij reeds daardoor alleen den bewonderenden eerbied van velen verdiend; dat zij nu vijf en twintig jaren lang haar tijd geeft om mee te helpen tot de oplossing der gewichtigste sociale kwesties, dat zij haar werkkracht afstaat om te doen wat zij kan ter verkrijging van de economische en staatkundige onafhankelijkheid der vrouw, die zij zoo zeer noodzakelijk acht—dit geeft haar recht op de achting van allen, die weten van het leed, dat er op de wereld is en een greintje voelen van het machtige, en alles overheerschende gevoel, dat altruïsme genoemd wordt.
Zooals zij daar stond, toen zij mij ontving, in haar donker, [240]los kleed, harmonieerend met de halve donkerte van haar kamer, leek zij mij, bij al haar beslistheid en haar flinkheid, een ideaal van zachte, teer-voelende vrouwelijkheid tevens.
DR. ALETTA H. JACOBS EN CAREL VICTOR GERRITSEN, BIJ GELEGENHEID VAN HAAR 25 J. DOCTORSJUBILEUM HET BRONZEN BEELD STELT VOOR LA VICTOIRE NAAR MEAUX, HAAR DOOR DE FEESTCOMMISSIE VEREERD
Het Geïllustreerd Zondagsblad van „de Echo” bevatte een aan mij gewijd artikel, waarvan het slot aldus luidde:
Een enkel woord van hulde en waardeering zij echter ook onzerzijds daaraan nog toegevoegd; een wellicht niet geheel overbodige herinnering voor vele vrouwen, dat wanneer het, uitzonderingen voorbehouden, algemeen in onze dagen als iets vanzelf-sprekends wordt beschouwd, dat de vrouw, als de intellectueel gelijkwaardige van den man, als zoodanig ook in het openbare leven wordt erkend en geëerbiedigd, dit voor een niet gering deel aan dr. Aletta Jacobs, aan haar taktisch ijveren, aan het eerbiedwaardige voorbeeld dat zij gaf, is te danken.
De vrouwenbeweging is in den loop der jaren veronzuiverd door inmenging eenerzijds van elementen, die daarin niet thuis hoorden; die de mooie zaak in veler oog bedierven door domme en daardoor leelijke napraterij van dingen, die buiten haar stonden, die zij niet begrepen, en die zij zoodoende verkeerd en te onpas propageerden,—met al de nadeelige gevolgen van dien. En anderzijds door ’n betreurenswaardige miskenning van het essentieele innerlijke verschil, dat—bij intellectueele gelijkwaardigheid overigens—onweersprekelijk bestaat tusschen den man en de vrouw.
Vrouwen als dr. Aletta Jacobs dragen daaraan geen schuld; zien het integendeel met deernis aan, hoe onhandigheid en domheid de glorie van haar monumentale werk soms beduimelen.
Op de denkende, bewuste voorgangsters dient dan ook het oog gericht bij de beoordeeling van het prijzenswaardige en verhevene, dat in uitingen van den tijd, als het naar voren treden van de vrouw er een is, gelegen ligt.
Zulk eene is Dr. Aletta Jacobs bij uitnemendheid.
De Nederlandsche vrouwen zijn haar daarvoor grooten dank verschuldigd.
In het Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht schreef Mevrouw W. Drucker een artikel, waarvan de aanhef luidde als volgt:
„Een te betreuren, maar niet te loochenen feit is, dat de vrouwen, die in het heden een graad behalen, zijn pedant en [241]arrogant, zei tot mij een tiental jaren geleden Mr. Louis Frank, de bekende Feminist. Op wie dit ook van toepassing, zeker niet op haar, die op 18 Maart a.s. viert haar 25-jarig doctorschap, op haar die was de eerste vrouw in Nederland die behaalde een academischen graad, op Dr. Aletta H. Jacobs. Niemand toch, haar voor het eerst ontmoetende, zal onderkennen in die blijmoedige, levendige figuur de geleerde vrouw. Nergens, noch bij vergaderingen noch en petit comité dringt zij ooit iemand op het vaak zoo hinderend overwicht der academisch gegradueerden. Dokter zij aan het ziekbed, niet in het daaglijksch leven. Geen onder haar mannelijke collega’s die beter weet te schiften het een van het ander.
Terwijl ik dit hoofdstuk schrijf, ligt naast mij een stapel bladen uit Noord-Amerika, Canada, Engeland, uit de drie Skandinavische landen, uit Duitschland, Oostenrijk en Hongarije. Zij bevatten meer of minder uitvoerige mededeelingen over mijn jubileum en mijn werk. In de meeste dezer bladen is echter de waarheid zoozeer met verdichting gemengd, dat ik mij maar van aanhalingen zal onthouden.
Het comité dat den feestdag had voorbereid, hechtte in den morgen een krans aan het standbeeld van Thorbecke, den grooten staatsman die in 1871 voor de Nederlandsche vrouw de mogelijkheid had geopend om aan een Rijksuniversiteit te studeeren. In den namiddag was in het gebouw „Eensgezindheid” een receptie gearrangeerd voor allen die mij persoonlijk geluk wilden wenschen. Van die gelegenheid werd druk gebruik gemaakt. Gerritsen vergezelde mij daarheen.
Het was Mevrouw Haver die het woord voerde namens het comité en namens vele vrouwen in het land, en daarbij bood zij mij een beeld, „La Victoire” aan, dat op het voetstuk het opschrift draagt: „Aan Dr. Aletta H. Jacobs, 1879–1904, de eerste vrouw-doctor in Nederland”. Mevrouw Haver verzuimde niet, in haar mooie toespraak ook hulde te brengen aan Gerritsen, als een der eerste mannen in ons land, die de vrouw als vrouw wist te [242]waardeeren en haar in haar streven tot verheffing ten allen tijde tot steun was geweest.
Dien middag had Gerritsen, zonder dat ik daarvan op de hoogte was, het comité en enkelen van onze goede vrienden, buiten ons huis aan een feestmaal genoodigd.
CAREL VICTOR GERRITSEN IN 1904
Toen dit aardige feest voorbij was, wilde ik nog gaarne vóór onze groote reis naar Amerika, het Congres van den Internationalen Vrouwenraad bijwonen dat in Juni van dat jaar in Berlijn zou worden gehouden. Bovendien had ik nog veel te regelen alvorens voor een zoo langen tijd uit het land te gaan. Van 7 tot 9 April zou in Den Haag het Congres voor Kinderbescherming worden gehouden. Dit ging uit van den Nationalen Vrouwenraad waarvan ik toen vice-presidente was, en aangezien de presidente in het buitenland vertoefde, moest ik haar plaats innemen. Zoo zat ik midden in de drukte der voorbereiding van dit congres.
Wij besloten dus om dit alles eerst mee te maken en plaatsen te bespreken op een boot van de Holland Amerika Lijn, die einde Juli of begin Augustus van Rotterdam naar New-York vertrok.
In de laatste dagen van ons verblijf te Berlijn vertoonden zich bij Gerritsen weer die eigenaardige ziekteverschijnselen. Met bezorgdheid begon ik op te zien tegen de groote reis, maar dan putte ik troost in de zekerheid dat bij nauwkeurig medisch onderzoek toch niets abnormaals was gevonden. De verschijnselen zouden dus wel zijn toe te schrijven aan een oververmoeid zenuwgestel. Toen hij dan ook na een paar rustige dagen zijn gewone opgewektheid en veerkracht had teruggekregen, voelde ik mij gerust gesteld en hoopte ik op den weldadigen invloed van de lange reis in een geheel nieuwe omgeving.
Nadat wij de nieuwste boeken over Noord-Amerika hadden gelezen, meenden we ons voldoende te hebben voorbereid op hetgeen we zouden zien en ondervinden. Toch is de werkelijkheid heel anders geweest dan wij [243]ons uit beschrijvingen hadden voorgesteld. Beiden hadden wij een afspraak gemaakt met een Amsterdamsch blad om, als we daartoe aanleiding vonden, nu en dan een artikel te schrijven, Gerritsen voor het „Algemeen Handelsblad” en ik voor „de Telegraaf”. Van beide organen hadden we een „perskaart” gekregen, die ons in Amerika van veel nut is geweest. Op deze reis hebben we ondervonden dat journalisten in den vreemde veel op andere reizigers vóór hebben. Onze perskaarten hebben ons in Amerika soms meer en beter geholpen dan de beste introducties.
Toen wij in New-York waren aangekomen, ondervonden we voor het eerst na zoovele jaren moeilijkheden om onze beide namen te handhaven. Noord-Amerika, het land dat ons geschilderd was als bij uitstek vrij en democratisch, kon niet gedoogen dat in een fashionabel hotel man en vrouw ieder op hun eigen naam in het register werden ingeschreven voor één kamer. In „Holland House” moesten we twee kamers nemen, of anders ons laten inschrijven op een van ons beider namen. Wij kozen het laatste en daarbij stond mijn man er op, dat het gebeuren zou op mijn naam. In New-York zoowel als in alle andere hotels in Amerika zijn we dus ook op die manier ingeschreven.
Daar wij lang vóór de opening van het Congres der Interparlementaire Unie in New-York waren, hadden we gelegenheid om kennis te maken met vele personen voor wie we introducties bezaten of met wie wij door correspondentie over sociale onderwerpen reeds eenigermate bekend waren. Ook konden we nu wat meer van de groote stad zien dan anders het geval zou zijn geweest. Bovendien profiteerden wij van veel goede raadgevingen bij het opmaken van onze reisroute door Noord-Amerika, waarbij we tegelijk alle gewenschte gegevens verzamelden voor ons aanstaand bezoek aan allerlei bijzondere instellingen in de verschillende Staten.
Een voorbeeld hiervan was het volgende. Mr. Samuel [244]Barrows, een lid van het Amerikaansche Congres en een der leiders van het toezicht op de gevangenissen in Noord-Amerika, verschafte mij een officieelen vrijbrief om overal bezoeken te brengen aan gevangenissen en reformatoria. Daarvan heb ik gretig gebruik gemaakt en zoo heb ik, naast het afkeurenswaardige wat ook in Amerika nog in de oudere gevangenissen bestond, ook het bewonderenswaardige, in ons land nog onbekende, systeem leeren kennen dat in verschillende reformatoria in toepassing was gebracht. Van een dezer, de in den Staat Massachusetts bestaande Reformatory Sherborn, een strafgevangenis voor vrouwen, heb ik in „de Telegraaf” een uitvoerige beschrijving gegeven. Niet lang nadat ik in Nederland was teruggekeerd, heeft dat artikel mij een heerlijke voldoening verschaft. De directrice van de bijzondere strafgevangenis voor vrouwen te Gorinchem, schreef mij o.a.: „de lectuur van Uw artikel heeft hier al een aangenaam gevolg. Aan de eenige celbewoonster die ik hier heb, is door den voorzitter een maandroosje ter kweeking in haar cel gegeven, wat haar zeer verblijdde.” Welk schooner resultaat had ik mij van mijn reisbrieven kunnen wenschen, dan dat daardoor een beetje zonneschijn was gebracht in het onmenschwaardige bestaan dat wij nog maar steeds vele veroordeelden laten ondergaan?
Uit de brieven die Gerritsen aan het Handelsblad stuurde, blijkt hoezeer hij zich in alle Staten welke wij bezochten, op de hoogte stelde van de arbeiderstoestanden, in het bijzonder van de verhoudingen tusschen werkgever en werknemer en aan welke wetten die verhouding was onderworpen. Hij maakte nauwkeurige studies van het onderwijs, het bibliotheekwezen, het bankwezen, en ook wanneer hij er in zijn reisbrieven niet van gewaagde, dan had hij toch over deze en andere onderwerpen uitgebreide aanteekeningen gemaakt die hij zich voorstelde later te zullen uitwerken.
Niet alleen bezocht ik vele strafgevangenissen, maar ik had ook groote belangstelling voor het hospitaalwezen [245]en voor de wettelijke en sociale positie van het verplegend personeel. Overal zocht ik contact met de leiders van de vrouwenkiesrechtvereenigingen, om goed op de hoogte te komen van de manier waarop die strijd in Amerika werd gevoerd en hoe de stand was van het vraagstuk in de verschillende Staten.
Op 6 September 1904 vertrokken wij met 300 deelnemers aan het Congres, uit New-York naar St. Louis. De Amerikaansche regeering had twee extratreinen, uitsluitend samengesteld uit Pullman Cars, ter beschikking gesteld. Bovendien had zij voor de geheele reis en voor den duur van het Congres, huisvesting en verzorging van de deelnemers op waarlijk luxueuse wijze voor haar rekening genomen. Onderweg deden wij eerst Philadelphia aan, waar we ontvangen werden door vertegenwoordigers van de stad, die ons al het merkwaardige en wetenswaardige lieten zien. Hetzelfde herhaalde zich te Pittsburg, waar wij onder het beste geleide de fabrieken van Carnegie konden bezichtigen.
Toen het Congres in St. Louis ten einde was, werden de bezoekers op dezelfde wijze met extratreinen naar New-York teruggevoerd. Op die terugreis deden we eerst Kansas City aan en hoewel we slechts enkele uren tijd hadden, kregen we toch een goeden indruk van de stad, omdat vele particulieren hun auto’s ter beschikking hadden gesteld voor een grooten rondtoer. Den volgenden dag kwamen we in Colorado. Daar, in Colorado Springs, stond een andere trein op ons te wachten waarmede wij, 10.000 voet de hoogte in, naar Cripple Creek werden gevoerd om de goudmijnen en een groot mijnwerkerskamp te zien. Had ik toen reeds de boeken van Upton Sinclair gelezen, dan zou ik het leven der mijnwerkers zeker met andere oogen hebben aangezien.
Toen we met den extratrein in Denver waren aangekomen, besloten Carel en ik om van het overige gezelschap afscheid te nemen en niet verder mede te gaan. Wij wilden enkele dagen rustig in Denver blijven en dan [246]samen westwaarts reizen. Ik was blij dat Gerritsen hiermee instemde, want de laatste drukke dagen hadden hem zichtbaar vermoeid en zijn zenuwen van streek gebracht. Na een paar dagen van rust meende hij weer krachtig genoeg te zijn om de reis voort te zetten naar Wyoming, waar we het Yellowstone Park wilden doorkruisen. Daarna vertrokken we naar Salt Lake City in Utah. Daar had ik een paar goede vriendinnen, die ik van onze komst op de hoogte had gebracht. Aldus kwamen we in nauwer contact met de Mormonen en hun leerstellingen, zoodat we meer te weten kwamen dan ons uit verhalen en krantenartikelen bekend was. Wij deden aldus de overtuiging op, dat het Mormonisme evenals ieder geloof zijn goede en zijn kwade zijde heeft en dat onder de volgelingen, precies als onder de belijders van andere godsdiensten, goede maar ook minder goede elementen voorkomen. Dikwijls ben ik later hier te lande in staat geweest verkeerde begrippen over de Mormonen te bestrijden en weg te nemen.
Voor een meer uitvoerige beschrijving van onze reis door Noord-Amerika is in dit boek geen plaats. Ik wil dus slechts in het kort vermelden, dat we van Utah naar Californië vertrokken, van San Francisco naar Los Angeles en vandaar door Arizona, Nieuw-Mexico en Illinois naar New-York terug. Op dezen tocht hebben we niet verzuimd de groote wonderen van N.-Amerika te bezichtigen, waaronder de Yosemite-vallei in Californië, de Grand Canyon en de cliff-woningen in Arizona, en natuurlijk de Niagara-watervallen in den staat New-York. Overal trachtten we zooveel mogelijk kennis op te doen omtrent land en volk. Evenals voor alle primitieve volken, voelde ik groote belangstelling voor de levensomstandigheden van de Indianenstammen en de Neger-bevolking, en zooveel het een vreemdeling mogelijk is, trachtte ik met hen in aanraking te komen en hen in hun eigen omgeving te leeren kennen.
Toen het jaar ten einde liep begon ik steeds meer naar huis te verlangen, want ik had bij Gerritsen een snellere [247]herhaling van zijn ziekteverschijnselen en een zichtbare vermagering waargenomen.
In Januari 1905 kwamen we dus in Amsterdam terug. Alle politieke partijen waren in de weer ter voorbereiding van de aanstaande Kamerverkiezingen in Juni. Nog waren we geen etmaal thuis of Gerritsen was reeds aangezocht door twee districten voor een zetel in de Kamer. Op de terugreis had hij zich aan boord ziek gevoeld en het bed bijna niet verlaten. Zijn vermagering was sterk toegenomen. Bij den aanstaanden verkiezingsstrijd vreesde ik een verergering van het ziekteproces, waarvan ik den naam niet kende en waarvan ik den ernst nog niet kon overzien. Ik wendde al mijn overredingskracht aan om hem te doen besluiten zelf geen candidatuur aan te nemen en alleen, zooveel zijn toestand zou toelaten, de partijgenooten ter zijde te staan.
Het mocht niet baten. Er stonden te groote landsbelangen op het spel. Het rechtsche Ministerie moest van het kussen. Alle eigenbelang moest wijken en geen enkele kracht mocht zich van medewerking onthouden. Het slot van deze redeneering luidde: „Jijzelf zoudt de laatste zijn om met zulke overwegingen je medewerking te weigeren!”
Gerritsen nam beide candidaturen aan en spoedig daarna was hij voortdurend, afwisselend in Schoterland en in Den Helder, om avond aan avond verkiezingsspeechen te houden of met een tegencandidaat in debat te treden. Als hij eens een paar dagen thuiskwam, vond ik dat hij er telkens slechter uitzag. Dringend spoorde ik hem aan om den strijd op te geven en aan anderen over te laten. Maar hij wilde er helaas niets van hooren. Eerst toen hij op een morgen zijn bed niet meer kon verlaten, stond hij mij toe een bevrienden doctor te laten komen. Hoewel deze den toestand reeds zeer ernstig vond, durfde hij toch nog geen diagnose vaststellen.
Het was op den dag der verkiezing, toen een telegram hem reeds had verheugd met zijn overwinning in het [248]district Den Helder, dat Professor Pel in consult met enkele doctoren die Gerritsen reeds herhaaldelijk hadden onderzocht, mij de vreeselijke zekerheid moest geven, dat er geen redding meer mogelijk was en het einde reeds spoedig was te verwachten. In betrekkelijk korten tijd was zijn vroeger krachtig gestel gesloopt door maag- en levercarcinoom, in een nu reeds ver gevorderd stadium.
Tot den laatsten dag is zijn geest helder gebleven en verheugde hij zich over de overwinning van de linksche groepen bij de verkiezingen. Met de vrienden die hem aan zijn ziekbed kwamen opzoeken, sprak hij over het vormen van het nieuwe Ministerie, en al wat hierover in de couranten verscheen moest ik hem voorlezen of vertellen. Dat zijn einde nabij was, daarvan was hij zich niet bewust en ik zorgde dat hij er onkundig van bleef.
Op den 5den Juli 1905 is hij zacht ingeslapen.
Alle bladen hebben bij zijn dood waardeerende artikelen aan Gerritsen’s leven en werken gewijd. Ik wensch hier slechts enkele zinsneden aan te halen, omdat zij hem goed karakteriseeren.
Uit „de Telegraaf” (van 5 Juli 1905):
Reeds in 1888 vaardigden de Amsterdamsche kiezers C. V. Gerritsen naar het Prinsenhof af, en het was daar, als raadslid en als wethouder, dat hij zijn beste krachten aan de openbare zaak mocht geven. Van het groepje radicalen, toentertijd in den raad, was hij een der vurigsten en warmsten, die allerminst de kunst verstond zijn tegenstanders langs den weg der gemoedelijkheid tot zwijgen te brengen.
Zijn wijze van optreden prikkelde daartoe te zeer de gemoederen, wat echter niet wegneemt, dat men hem, overtuigd als men was van zijn werkkracht, zijn ijver en zijn liefde voor de zaak waarvoor hij streed, in 1898 als wethouder koos, in welk ambt hij de leiding van het Armwezen en de Handelsinrichtingen op zich nam. Veel heeft Amsterdam aan zijn optreden te danken. De achterlijke toestanden op het gebied van de armenzorg vonden in den nieuwen wethouder een ernstig bestrijder, en men zal zich den fellen strijd herinneren, dien hij, met zijn nieuwe regeling van den geneeskundigen dienst, tegen tal van geneesheeren in deze stad te strijden had. Hij gaf geen kamp en won. [249]De nieuwe dienst heeft reeds wonderen verricht, niettegenstaande de korte spanne tijds, dat hij in werking is en blijkt een zegen voor de armen in deze gemeente. Hiermede is wel de grootste verdienste van den heer Gerritsen als wethouder geschetst.
En het Volksblad „de Echo” (5 Juli 1905) getuigde:
Door alles wat wethouder Gerritsen in het belang van Amsterdam tot stand bracht liep één lijn; alles ademde één geest; alles droeg één en hetzelfde merkteeken, namelijk dat van ontworpen, bedacht, uitgewerkt te zijn door een man, die met al te zeer verouderde begrippen wenschte te breken; die zich ten taak had gesteld om als ondeugdelijk, als onhoudbaar en verderfelijk al datgene uit de Gemeentehuishouding te verwijderen, wat daarin nog bloeide en woekerde uit de dagen en tijden, dat dikke nevelen nog het werk der vroedschappen en hunne gecommitteerden aan de contrôle der burgerij onttrokken.
En wèl was er destijds dan ook reden voor ons om het aftreden van den heer Gerritsen als wethouder voor Amsterdam een zeer groot verlies te noemen,—het verlies van de kennis, het talent, de reuzen-werkkracht en het vóórziende beleid van een man als Gerritsen steeds bleek te zijn.
De dood komt maar o! zoo zelden gelegen. Maar ditmaal is zijn verschijning toch al buitengewoon treffend.
Ziedaar een man, die na een leven vol inspanning, vol arbeid en opoffering in wat naar zijne opvatting het algemeen belang was, geveld op het oogenblik dat een groote wensch van zijn leven zich tot werkelijkheid zou gaan voltrekken.
Opnieuw had ik mijn steun in het leven verloren en stikdonker leek mij den weg dien ik verder alleen zou hebben af te leggen. [250]