[Inhoud]
HET VERDRAG MET DE OEKRAÏNE.

HET VERDRAG MET DE OEKRAÏNE.

HOOFDSTUK I.

Een soirée bij den Oekraïnischen zaakgelastigde.

De partijen van Wladimir Letchitsky, den zaakgelastigde van de Oekraïne, waren meestal druk bezocht.

Het is niet uit te maken of dit misschien een gevolg was van de voortreffelijke hoedanigheden van zijn kok, dan of het wellicht ook eenigszins was toe te schrijven aan de bekoorlijkheden van zijn dochter, een zeer bevallig meisje van het zuiver Slavische type, dat het grootste deel van haar opvoeding had genoten op een Engelsche kostschool en die het Engelsch dan ook vloeiend sprak, zonder het minste accent.

Sonja was een voortreffelijke musicienne en zij bespeelde de mandoline even goed als de vleugel-piano, terwijl haar prachtige, volle sopraan, haar, als zij dit gewenscht had, een plaats zou hebben verschaft tusschen de beste concertzangeressen van den tegenwoordigen tijd.

Maar dat behoefde het jonge meisje zeker niet te doen, want haar vader was een zeer rijk man en men fluisterde, dat zij bij haar huwelijk een bruidsschat van een half millioen pond Sterling zou meekrijgen—en dat was zelfs voor de huidige omstandigheden zeer veel te achten.

Wladimir Letchitsky was gehuwd en zijn vrouw had hem naar de Engelsche hoofdstad vergezeld.

Zij was een Engelsche van geboorte en de zaakgelastigde had haar leeren kennen, toen hij, vele jaren geleden, geruimen tijd in Londen had doorgebracht als legatiesecretaris bij de Russische Ambassade.

Hij werd beschouwd als een der bekwaamste diplomaten van zijn land en aanstonds, nadat de Oekraïne zich onafhankelijk had verklaard en zoodra deze onafhankelijkheid door de entente erkend was, had de Regeering van de nieuwgevormde republiek hem naar Londen gezonden, teneinde daar hare belangen te behartigen, totdat de tijd [2]zou zijn aangebroken, waarop hij tot gezant zou kunnen worden benoemd, welken titel hij intusschen reeds officieus droeg.

Ten koste van groote geldelijke offers had Letchitsky zich een huis verworven in een der deftige wijken van Londen en daar was het, dat hij zijn befaamde partijen gaf—niet veel, maar die dan ook alle iets bijzonders hadden, want de zaakgelastigde was een man van smaak en zijn vrouw en dochter wisten telkens iets nieuws te verzinnen, om hunne gasten aangenaam bezig te houden.

Het groote, deftige huis van Berkeley Square leende zich voortreffelijk voor het geven van dergelijke feesten, met zijn ruime, prachtige zalen en zijn grooten tuin, welke des zomers gelegenheid bood om er Venetiaansche feesten en soortgelijke uitspanningen te organiseeren.

De Oekraïnische zaakgelastigde stond ook bekend als een voortreffelijk gastheer, die zich de gebruiken en de zeden van Engeland volkomen had eigen gemaakt.

Op het oogenblik, waarop ons verhaal een aanvang neemt, heerschte er groote opgewektheid onder de gasten, welke zich verzameld hadden in een der grootste zalen van het huis, waar nu gedanst werd.

De zaal was fraai versierd met palmen en andere exotische gewassen en er was een soort verhooging gemaakt, vanwaar de ouderen van dagen, of zij die de danskunst niet machtig waren, konden toezien.

Aan het tegenovergestelde einde van de zaal was het kleine orkest opgesteld, hetwelk dansmuziek liet hooren.

Met vier doorgangen, door portières afgesloten, kon men van deze zaal in het aangrenzende vertrek komen, dat niet veel kleiner was en waar een heerlijke koelte heerschte, ofschoon het warme jaargetijde reeds had ingezet, want de vier breede balkondeuren stonden wagenwijd open en de frissche nachtlucht kon dus vrijelijk naar binnen stroomen.

Wie lust had kon het breede terras betreden, en van daar naar den tuin afdalen, die zwakjes verlicht was door enkele lampions.

De Oekraïnische zaakgelastigde was een zeer vrijzinnig man en in zijn salon vereenigde hij burgers en edellieden, militairen en geleerden, mannen van de wetenschap en van de balie, eenvoudige journalisten en professoren met een wereldmacht en zij kwamen allen gaarne, want, wij zeiden het reeds, dat Letchitsky een ontwikkeld man was, die het grootste belang stelde, niet alleen in de zaken van zijn eigen land maar ook in die van de natie, waar hij thans geaccrediteerd was.

En die belangstelling was niet platonisch, want het was van algemeene bekendheid, dat hij herhaaldelijk zeer groote bedragen had beschikbaar gesteld voor een of ander wetenschappelijk doel en het kwam nimmer voor, dat hij iemand met leege handen liet heengaan, die hem een inteekenlijst voorlegde tot bijeenbrenging voor een steunfonds voor oude kunstenaars, voor de stichting van een monument, of iets dergelijks.

Er waren echter weinig uniformen dien avond, en dan nog maar alleen van jonge luitenants, want de hooger geplaatste officieren hadden van het Ministerie een wenk gekregen, dat zij er beter aan deden, zich vooralsnog een weinig terzijde te houden, en zooals men dat noemt, eerst de kat eens uit den boom te zien.

Want in ieder geval waren de toestanden daarginds in Rusland nog altijd zeer onzeker en wie zou kunnen zeggen, of de Oekraïne over een jaar nog wel een onafhankelijke republiek zou zijn?

Het was dus zaak, zich aanvankelijk niet te ver te wagen—en toch had de Engelsche Regeering zich blijkbaar geheel vertrouwd gemaakt met het denkbeeld, dat de Oekraïne nooit weder tot Rusland zou terugkeeren, zooals uit het vervolg van dit verhaal zal blijken.

Op de verhooging, welke men vanuit de zaal langs drie treden kon bereiken, zaten verscheidene gasten, in hoofdzaak oude dames en heeren, die op het vroolijk gewoel neerkeken.

Daaronder waren twee heeren, die, naar hun leeftijd te oordeelen, nog zeer goed een werkzaam aandeel hadden kunnen nemen aan het dansvermaak.

De oudste was ongeveer veertig jaren oud, misschien een jaar ouder, wiens haar aan de slapen een weinig begon te grijzen.

Zijn gelaat was volkomen glad geschoren en daardoor kwam de energieke uitdrukking van zijn trekken des te beter uit.

De mond met de dunne lippen was scherp geteekend en wees, evenals de vierkante krachtig ontwikkelde kin, op ontembare geestkracht, de [3]wenkbrauwen, als met een penseel getrokken, waren nog gitzwart en als zij gefronst werden, vormden zij bijna een rechte lijn en verborgen de oogen, groote staalgrijze oogen, die meestal een ironische uitdrukking hadden, maar die toch ook konden schitteren en fonkelen van heftige verontwaardiging of van geestdrift—maar dit laatste scheen maar heel weinig te geschieden.

Meestal lag een koude, strakke trek op het mannelijk, een weinig gebruind gelaat van Lord William Aberdeen, zoo was de naam van dezen bezoeker.

Naast hem stond zijn secretaris, Charly Brand, een jonge man met een blozend bijna vrouwelijk gelaat, waarin twee groote helderblauwe oogen ondeugend rondkeken.

Zijn huid was merkwaardig blank voor die van een man, zijn hoofdhaar was dik en blond.

Zooals hij daar stond, de handen losjes op den rug gevouwen, was hij het toonbeeld van jeugdige zorgeloosheid en vroolijkheid.

En toch had deze jonge man, die er uitzag alsof hij nog aan kinderlijke spelen zou kunnen deelnemen, reeds vele jaren deelgenomen aan de gevaarvolle, somtijds vreeselijke avonturen van den man, die naast hem stond.

Want wel was deze op dit feest verschenen onder den naam van Lord William Aberdeen, maar inderdaad luidde zijn naam: Lord Edward Lister, geheeten: John Raffles.

Wie echter onder de gasten zou een oogenblik hebben durven vermoeden, dat zich daar onder het mom van een bekend Londensch filantroop, die jaarlijks duizenden Ponden Sterling besteedde aan liefdadige doeleinden, een man verborg, die reeds geruimen tijd door de Engelsche politie werd gezocht en op wiens aanhouding een premie van duizend Pond Sterling was gesteld?

Men zou dengene, die zooiets durfde beweren, niet eens hebben laten uitspreken, maar hem eenvoudig en zoo spoedig mogelijk als een gevaarlijken gek hebben opgesloten.

Er waren slechts weinig personen, die den waren aard van Lord Aberdeen kenden en die zouden zich liever hebben laten dooden, dan ooit zijn kostbaar geheim te verraden, het geheim, dat hem in staat stelde, zijn dubbel leven te leiden en zijn zonderlinge praktijken ten uitvoer te brengen.

John Raffles, zoowel als Charly Brand hadden eenige maanden geleden op een soirée bij den Amerikaanschen Gezant kennis gemaakt met Letchitsky, en aanstonds had deze hen op zijn beurt uitgenoodigd.

Reeds eenige malen hadden Raffles en Charly Brand een bezoek gebracht aan het prachtige huis aan Berkeley Square en ook ditmaal hadden zij gevolg gegeven aan de invitatie.

Nadat zij een tijdje hadden toegekeken, zeide Raffles glimlachend:

„Mijn waarde Charly, er is iets in mij, dat mij zegt, dat je het gezelschap van een jong meisje, dat je ten dans zou kunnen voeren, ver boven het mijne zou stellen. Wat ik je bidden mag, laat je niet weerhouden—daal de drie treden af, die je van het dansparadijs scheiden, trek den rubicon over, en geniet van de lichaamverdraaiingen, de heupwiegingen en de teenverrekkingen welke die dwazen daar beneden te aanschouwen geven.”

„Je zult dus nooit tot een ander inzicht komen, Edward?” vroeg Charly hoofdschuddend en zoo zacht, dat alleen Raffles hem verstaan kon. „Zie je dan zelf niet, dat deze dansen, die je zoo verguist, veel sierlijker zijn, dan de eeuwige wals, die feitelijk niets anders is dan de imitatie van een draaitol?”

„Het is mogelijk, dat het sierlijker is Charly—maar het is ook heel wat obscener. Je moet mij deze opmerking ten goede houden—maar ik kan de houding van de dansende jongelieden niet bepaald aesthetisch vinden.”

„Kom, kom—je overdrijft!” riep Charly. „Het is waar—niet iedereen danst even goed en mooi—maar wanneer je onbevooroordeeld bent, dan zul je moeten toestemmen, dat een goed gedanste Foxtrott lang niet verwerpelijk is.”

„Ik geloof niet, dat ik mijn meening zal wijzigen, Charly,” gaf Raffles ten antwoord. „Het zal je natuurlijk ook wel bekend zijn, dat al deze dansen afstammen van een enkelen oerdans, en dat is de Maxixe, die in de gemeenste kroegen van Mexico, Chili, Peru en andere Zuid-Amerikaansche republieken wordt gedanst door Cowboys, spoorwegroovers, straatmeiden, lichtekooien en ander lichtschuw gespuis. Maar—in die sfeer, in dat milieu, hoorde die dans thuis en als zoodanig kon men er dan ook genieten, evengoed als van de [4]Italiaansche Tarantella en van de Spaansche, Russische en andere nationale dansen. Maar van het oogenblik af, dat men die dansen overbracht naar de Westelijke salons, zijn zij van hun waren aard vervreemd, verknoeid en bedorven. De Maxixe moest gedanst worden door een man in een zeer wijde broek met geitevel bekleed, gespoord, een vuurrooden halsdoek om den nek, de revolvertasch op de heup, een eindje sigaret tusschen de lippen en een sombrero achter op het hoofd, door een vrouw in een korten rooden rok, blootsvoets en met geen enkel ander kleedingstuk aan dan een openhangend hemd. Maar nu zie ik menschelijke schepsels in een zwart foudraal, met glimmende etuis om hun voeten en een stijven witten halsband om hun nek, of wel gewikkeld in een baal kanten en zijde en nu bevalt mij die dans niet meer—en iets anders kan ik er waarlijk niet van zeggen.”

Charly onderdrukte den schaterlach, die hem naar de lippen drong en zeide met een boos gezicht:

„Je bent onuitstaanbaar. Je draagt toch immers zelf ook zulk een zwart foudraal.”

„Verbeeld je je soms, dat ik het voor mijn plezier doe?” vroeg Raffles verwonderd.

„Mijn hemel—je kunt hier toch niet in je pyjama komen?”

„Waarom eigenlijk niet? Wat is er tegen? De dames komen immers toch ook wel hier in een soort nachttoilet? Misschien, als wij een jaar of tien verder zijn, zal men ook het onzinnige in gaan zien van deze sombere zwarte uniformen voor de heeren der schepping, die volstrekt niet past bij het zware werk, dat zij hier moeten verrichten. Men trekt een stratenmaker toch ook geen dwangbuis aan, nietwaar? Als ik iets te zeggen had, als men mijn raad volgde, dan werden alle dames en heeren, die ik hier zie voorbij huppelen, schuiven, draaien, wentelen en op een eigenaardige wijze drentelen, juist als een kip, die zijn ei niet kan kwijtraken—ik zeg, dan zou ik al die lieden in een wijd, gemakkelijk zittend badpakje steken!”

„Edward—ik kan het niet langer aanhooren,” zeide Charly verontwaardigd. „Ik heb geen badpakje aan, maar ik zal toch eindelijk mij gaan voegen bij die lieden, die op zulk een eigenaardige wijze ronddrentelen.”

„Dan wil ik je voorloopig groeten, Charly—en ik hoop dat je het ei kwijtraakt!” zeide Raffles glimlachend.

Het volgend oogenblik was Charly de drie treden afgesprongen en toegetreden op een bevallig jong meisje.

Raffles ging hem na, maar hij sloeg terzijde af en liep kalm, nu en dan uitwijkend voor een niets ontziend voorbijstormend danserpaar, naar den kant van de danszaal, waar zich de vier uitgangen bevonden.

Hij had spoedig een dezer doorgangen bereikt en stond daar een oogenblikje stil, om zijn blikken te laten gaan over de dansende paren.

Toen sloeg hij de hand aan het gordijn, teneinde in de aangrenzende zaal een weinig frissche lucht te gaan inademen.

Maar hij bleef stilstaan, en keek door de rest van het gordijn naar een der vensters, waar de gouvernante van de jongste kinderen van het echtpaar Letchitsky stond te praten met een der bedienden.

Dit was op zich zelf niet zoo bijzonder, maar Raffles werd onwillekeurig getroffen door de wijze waarop het gesprek gevoerd werd.

Het nam namelijk juist een aanvang, toen Raffles het gordijn wilde terugslaan, en het duurde ter nauwernood eenige seconden.

En het eindigde hiermede, dat de gouvernante als het ware in het voorbijgaan den bediende een papiertje, tenminste iets wits, in de hand drukte.

En daarop gingen zij ieder weder huns weegs, na een snellen blik op de doorgangen te hebben geworpen.

De zaal was nu weder geheel verlaten, en Raffles trad er binnen.

Hij ging op een der ramen toe en trad op het terras.

De nacht was buitengewoon stil en warm.

Als van heel ver klonken de tonen van het kleine orkest in de danszaal.

De tuin zond zijn zoete geuren naar omhoog.

Raffles leunde over de balustrade en snoof vol behagen die bedwelmende lucht op.

Zijn oogen sloten zich en zijn gelaat verloor een oogenblik zijn hardheid, het masker der onverzettelijke wilskracht verkreeg zelfs een ongewone teerderheid.

„Hetgeen ik nu gevoel, voor eenige seconden slechts, dat moest de mensch voortdurend kunnen [5]gevoelen,” fluisterde hij op zachten toon voor zich heen. „Maar helaas—hoe spoedig versterft deze zaligheid. Reeds hoor en zie ik alleen weder de wulpsche muziek, de half ontkleede vrouwen, de mannen met hun leege, onnoozele gezichten, oud voor zij nog jong zijn geweest.”

Hij richtte zich op en ging zuchtend de trappen van het terras af.

Maar nauwelijks had hij den tuin bereikt, en zich nedergezet in het volkomen duistere prieel, of achter hem klonken voetstappen.

Door het houten raamwerk, met klimop begroeid, kon hij vaag twee gedaanten onderscheiden—waarschijnlijk een danserpaar, die hier kalmte en .…. eenzaamheid kwam zoeken.

De gedaanten richtten zich tamelijk snel naar het prieel en reeds wilde Raffles door te hoesten zijn aanwezigheid doen blijken, toen een der gestalten stil stond, en een mooie vrouwenstem begon te spreken.

En dadelijk herkende Raffles die stem.

Het was Sonja Letchitsky die daar sprak.

„Ik heb er in toegestemd, Edgar, je naar den tuin te volgen, maar ik had het niet moeten doen, al ben je nu mijn neef. Ik kan mij ook niet goed voorstellen, wat je mij wel te zeggen kunt hebben, dat niet evengoed in de balzaal gezegd had kunnen worden.”

„Je drijft den spot met mij, Sonja!” sprak een hooge eenigzins schelle mannenstem, welke Raffles herkende als toe te behooren aan Edgar Macpherson, den tweeden zoon van een broeder van Sonja’s moeder, en die sedert eenige weken was teruggekeerd van een reis door Indië, waar hij op klein wild gejaagd had.

„Volstrekt niet, Edgar!”

„Je zoudt dus niet weten, wat mij je deed vragen, mij hierheen te volgen?” hernam de jonge man. „Waarom laat je mij lijden, Sonja? Ik kan toch niet denken, dat je niet weet, wat er in mij omgaat? Ik heb je lief—en ik bracht je hier, om dat te zeggen—ofschoon je het heel goed weet!”

„Ik wist het niet, op mijn woord, Edgar—want als ik het had kunnen vermoeden, dan zou ik je nooit naar den tuin gevolgd zijn!”

Macpherson slaakte een gesmoorden kreet van woede en gekwetste ijdelheid—smart kon Raffles er tenminste niet in hooren—en hernam toen op veranderden toon:

„Je hebt het moeten weten, Sonja. Ik heb het duidelijk genoeg laten merken. Als je dit nu zegt—dan moet je met mij hebben gespeeld. Dan ben je een hartelooze kokette!”

„Ik verbied je om zoo tegen mij te spreken, Edgar!” zeide Sonja op vasten toon. „Ik heb je met genoegen terug gezien, want je bent mijn neef, en ik mocht je wel lijden. Ik heb met je getennist, en gegolfd—maar ik begrijp niet, hoe je daaruit durft afleiden, dat ik je hoop heb gegeven. Kom, laten we weder naar de danszaal teruggaan. En als wij goede vrienden willen blijven—beloof mij dan, dat je nooit weer over dit onderwerp zult spreken!”

„Dat kan ik je niet beloven, Sonja,” hernam de jonge man op hartstochtelijken toon. „Ik heb je lief—en ik kan mij niet vertrouwd maken met de gedachte, dat je aan een ander zoudt toebehooren dan mij! Zeg—er is toch … geen ander?” voegde hij er op dreigenden toon aan toe.

„Ik geloof niet, dat gij het recht hebt, mij die vraag te stellen,” zeide Sonja op koelen toon. „Ik ga weder terug—als gij hier achter wilt blijven, zoo doe het dan.”

Maar Macpherson trad haar in den weg en riep op gedempten toon, waarin zijn hartstocht weer klonk:

„Zoo laat ik je niet gaan, Sonja. Je hebt mij nooit zoo schoon, nooit zoo verleidelijk toegeschenen. Je maakt mij waanzinnig. Een kus—ik smeek je er om.”

„Je waagt het!” riep het jonge meisje met een stem, die trilde van verontwaardiging. „Ga onmiddellijk heen—je schijnt je te vergeten aangaande de persoon die voor je staat. Nooit zou ik dulden, dat je me aanraakte!”

„Je toorn, Sonja, maakt je des te schooner. Ik wil—ik moet je kussen!”

Hij had de beide polsen van het meisje gegrepen, die een lichten kreet van pijn slaakte en op datzelfde oogenblik trad Raffles uit het prieel te voorschijn.

Hij was uiterst kalm en deed niets anders dan met een langzaam gebaar zijn sigarettenkoker uit den zak halen, er een sigaret uitnemen en deze met een kleinen gouden sigarenaansteker te doen ontbranden. [6]

Maar terwijl hij dit deed, had hij zijn blik geen oogenblik van Edgar afgewend en hij behoefde ook volstrekt niet te spreken.

De jonge man had dadelijk de polsen van Sonja losgelaten.

Hij uitte nu een gesmoorden vloek en wendde zich toen tot Raffles met de opmerking:

„Het schijnt—dat Mylord een weinig voor spion heeft gespeeld?”

Raffles deed een enkelen stap vooruit en er lag een uitdrukking in zijn oogen die tengevolge had, dat Edgar er veel vlugger twee achteruit deed.

„Ik zou u aanraden mijnheer Macpherson,” zeide Raffles op kouden toon, „dit vermoeden niet nogmaals te uiten. Voor uw eigen bestwil niet. Het is niet mijn gewoonte te spionneeren—tenminste niet in liefdeszaken.”

En hij wendde zich met een galante buiging tot Sonja, die bleek terzijde was blijven staan, bood haar den arm en zeide op den gewoonsten toon van de wereld:

„Het wordt een weinig koel, Miss—sta mij toe, dat ik u weder naar binnen begeleid.”