[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De nieuwe Gouvernante.

Toen Raffles in de balzaal met een buiging en enkele hoffelijke woorden afscheid had genomen van Sonja, zonder haar ook maar met een enkel woord te hebben herinnerd aan hetgeen er zooeven in den tuin was voorgevallen, stond hij van aangezicht tot aangezicht met Charly Brand, die zich zeer vermaakt scheen te hebben.

„Naar je verhoogde kleur te oordeelen, Charly, moet je een drietal dansen achter den rug hebben. Wanneer je nu genoeg hebt van deze kangeroesprongen, ga dan met mij een glas champagne drinken aan het buffet; ik meen, dat ik vrij goede champagne in mijn kelder heb, maar zij is niet te vergelijken bij den godendrank van dezen Aziaat. Hoe hij er aan komt, weet ik niet—maar zij zoekt tevergeefsch haar wedergade.”

„Dat is een uitstekend plan en ik vergezel je, mits je het woord kangeroesprong weer terugneemt.”

„Ik neem het terug, Charly—om het bij een volgende gelegenheid door een beteren term te vervangen,” antwoordde Raffles glimlachend.

De beide vrienden verlieten de danszaal en toen Raffles nog eens een blik achter zich wierp, zag hij Sonja op levendigen toon een gesprek voeren met een jongen man in luitenantsuniform.

Op tien meters afstand stond Macpherson met duisteren blik naar hen te kijken.

Raffles en Charly gingen door de nevenzaal, die op den tuin uitkwam en waarnaast het buffet was aangebracht, in een groot vertrek, waaruit alle meubelen waren verwijderd, met uitzondering van twee lange, aan elkaar geschoven tafels, haast bezwijkend onder de vracht van flesschen en glazen [7]en versnaperingen van allerlei aard: sandwiches, pralines, fijne zuidvruchten en andere lekkernijen.

Achter de tafel stonden twee bedienden, die de handen vol hadden om wijnflesschen te ontkurken en „Galantine de veau” te snijden.

Raffles en Charly lieten zich een glas champagne geven, wat niet zoo gemakkelijk viel, want men verdrong zich in het kleine vertrek, en trokken zich toen naar een hoekje terug om het kostelijke vocht met kleine teugen te genieten.

En toen begon Raffles op zachten toon:

„Een van de bedienden achter de tafel heb ik zooeven in de groote zijzaal gezien, waar hij een samenkomst scheen te hebben met de gouvernante.”

„Wat! Met de oude Miss Hopson!” riep Charly proestend uit. „Die pokdalige dame met haar rossig haar?”

„Die is er sedert een paar weken niet meer, Charly, zij is vervangen door Miss Irma Stanilof, een jonge en voor zoover ik er over oordeelen kan, zeer schoone Russin, die echter onze taal voortreffelijk spreekt.”

„Dat wist ik niet!” riep Charly uit. „Wie was het van de twee?”

„Die met dat breede, bleeke gezicht, en de zwarte oogen.”

„Maar dat is een man van een jaar of vijf en veertig. Ik kan hem ook niet zeer aantrekkelijk vinden. En had die man een apartje met die mooie nieuwe gouvernante?”

„Zij duwde hem een papiertje in de handen en het tweetal scheen er bijzonder op gesteld te zijn niet te worden gestoord.”

„Hé, dat is vreemd!” zeide Charly verbaasd.

„Iets dergelijks zeide ik ook tot mezelf, toen ik het zag, Charly. Je moet weten, dat ik, als ik gezant was van een buitenlandsche mogendheid, volstrekt niet gesteld zou zijn op mooie buitenlandsche gouvernantes en een bepaalden afkeer zou hebben van briefjes, die door deze dame in handen worden gespeeld van een bediende, die noch jong noch knap is en hoogstwaarschijnlijk ook niet zal uitblinken door geest en nog veel minder door rijkdom—attributen, welke bij ons mannen anders gelukkig menigmaal het gemis aan jeugd en schoonheid vergoeden.”

„Zij waren dus geheel alleen in dat vertrek?”

„Geheel alleen en zij haastten zich hun kort gesprek te beëindigen. Zij begaf zich waarschijnlijk weder naar de kinderkamer en hij verdween door de deur, waardoor wij zelven zoo even binnenkwamen, om zijn plaats weer achter de tafel in te nemen.”

„Die man ziet er ook niet als een landgenoot uit,” merkte Charly op, terwijl hij den bediende met het bleeke gezicht aandachtig gadesloeg.

„Neen, hij heeft bepaald een Slavisch type, met zijn donkere, eenigzins scheef geplaatste oogen, zijn breeden neus en zijn een weinig vooruitspringende jukbeenen. Kom eens mede—ik zal hem eens wat vragen, misschien hooren wij wel aan de uitspraak, of hij een vreemdeling is.”

De twee vrienden slenterden weer naar de tafel toe, zetten hun geledigd glas neer en nu vroeg Raffles, terwijl hij zich tot den bediende met het bleeke gelaat wendde:

„Ik zou gaarne een sandwiches met kaviaar hebben—hebt gij er nog van, vriend?”

„Hier is het verlangde, Sir!” antwoordde de man, terwijl hij Raffles een broodje toereikte.

Het waren slechts weinige woorden, maar zij waren voor Raffles voldoende, om te kunnen constateeren, dat de man zeer goed Engelsch sprak, maar niettemin met een tamelijk goed verneembaar buitenlandsch accent.

Raffles at de helft van zijn sneedje brood op en wierp daarbij telkens een onderzoekenden blik naar den bediende. Hij zou er nu zeker van zijn, dat gezicht nooit meer te vergeten, waar hij het ook zou zien.

De twee vrienden begaven zich weder naar de danszaal, waarbij zij opnieuw door de zijzaal gingen.

Raffles scheen in gedachten verdiept te zijn.

„Het is natuurlijk zeer wel mogelijk, dat die geheele episode van dat briefje niets te beteekenen heeft,” zeide hij op zachten toon. „Maar ik ben toch wel nieuwsgierig te weten, wat het beduidde. Het is toch niet gewoon, dat een jonge en mooie gouvernante op zulk een geheimzinnige wijze een briefje in handen speelt van een bediende, om dan dadelijk weer te verdwijnen.”

„Misschien gaf zij den man een briefje dat bestemd was voor iemand buitenshuis.”

„Dat is heel wel mogelijk!” kwam Raffles.

„Een minnaar misschien!”

„Ik zou het niet graag ontkennen, maar ik moet er dadelijk aan toe voegen, dat ook dit niet gebruikelijk [8]is. Nu, misschien zullen wij binnenkort wel de oplossing van het raadsel vernemen. In ieder geval zullen wij die gouvernante en dien bediende eens nagaan. Voor zoover ik weet, hoort de man hier niet thuis en is hij slechts aangenomen voor dit feest, zooals het tegenwoordig menigmaal geschiedt. De Oekraïnische gezant heeft hoogstens drie bedienden en die zouden natuurlijk lang niet toereikend zijn om zulk een menschenmenigte te bedienen.”

Het was tamelijk laat in den avond en langzamerhand begonnen de gasten afscheid te nemen.

Om een uur waren er nog slechts weinige intimi en daaronder scheen ook de jonge man te worden gerangschikt in den luitenantsuniform, met wien Raffles Sonja Letchitsky zooeven had zien praten.

Raffles was vroeger wel eens aan hem voorgesteld en hij herinnerde zich ook zijn naam—Cedric Lonsdale.

De jongeman had de diplomatieke loopbaan gekozen en laatstelijk was hij attaché geweest aan het Russische hof, voor de omwenteling een einde maakte aan het monarchistische regime—en aan het leven van alle Romanofs.

Hij had zelfs met levensgevaar de grens moeten bereiken, want de woede van het Russische gepeupel ontzag in die tijden niets, zelfs geen vreemdelingen.

Hij vervulde hier thans zijn dienstplicht maar daarna zou hij weder naar Parijs of New-York vertrekken als secretaris bij een van de Britsche legaties.

Maar ook deze intieme vrienden namen afscheid en om half twee was het groote huis in diepe rust verzonken.

De hulpbedienden waren vertrokken en iedereen had zich naar bed begeven.

Het huis lag in duisternis gehuld.

Maar, aan den kant van het groote plantsoen in het midden van het prachtige plein, stonden de twee mannen in de schaduw van een dikken boom, die daar geduldig schenen te wachten.

Het waren John Raffles en Charly Brand.

Een heel eind verder stond een prachtige blauw gelakte limousine, achter welks stuurwiel een chauffeur van reusachtigen lichaamsbouw was gezeten.

Die man was James Henderson, de derde man bij tal van avonturen van den Grooten Onbekende.

„Luister eens, Edward,” begon Charly nadat de twee vrienden hier ongeveer een half uur hadden gestaan. „Hoe zou je er over denken als wij nu maar eens naar huis gingen? Ik erken, dat het weder zeer fraai is, dat het hier een der mooiste plekjes van Londen is, maar ik moet mij tevens zelf wel bekennen, dat al die dansen mij wel een weinig in de beenen zijn geschoten.”

„Ja, dat kan ik mij voorstellen, je hebt een achturigen arbeidsavond achter den rug—het scheelt tenminste niet veel. Maar laat ons nog even wachten. Geef mij nog een kwartier, dan vertrekken wij.”

„Maar wat verwacht je dan toch eigenlijk wel?” ging Charly eenigszins ongeduldig voort.

„Dat kan ik je volstrekt niet zeggen—eigenlijk verwacht ik niets. Maar je weet, hoezeer ik altijd word aangetrokken door alles wat geheimzinnig en romantisch is—en dat briefje wil mij maar niet uit den geest.”

Raffles had nauwelijks deze woorden gezegd, of hij trok Charly snel met zich mede, nog verder achterwaarts, totdat zij volkomen tegen het hek van het plantsoen gedrukt stonden.

„Zet den kraag van je regenjas op en doe hem over je overhemd dicht, zoodat die witte plek niet te zien is!”

Charly gehoorzaamde verwonderd.

„Wat is er eigenlijk?”

„Kijk eens naar dat venster op de derde verdieping—het vierde van den hoek af”

Charly richtte zijn blik naar het aangewezen venster en zeide verrast:

„Daar brandt licht achter het rolgordijn.”

„Juist—en ik zou wel eens willen weten, door wie dat vertrek bewoond wordt.”

„Misschien een van de bedienden, die nog niet naar bed is.”

„Het kan een van de bedienden zijn, maar dan is hij weer uit zijn bed gekomen, want zooeven was alles donker. Maar stil eens—daar gebeurt alweer wat anders. Hoe laat is het op dit oogenblik?”

„Precies halfdrie,” antwoordde Charly, die op zijn horloge had gekeken.

Juist op dat oogenblik hield er voor het huis een kleine open auto stil, blijkbaar een zeer snelle wagen.

Er zat slechts een enkel persoon in, maar van zijn gelaat viel op dezen afstand niets te bespeuren, want [9]hij had den breeden rand van zijn pet diep in de oogen getrokken.

Wel echter konden de twee mannen zien, dat hij het gezicht had opgeheven naar het raam op de derde verdieping.

Plotseling werd het lichtschijnsel daarachter verduisterd, om een oogenblik later opnieuw zichtbaar te worden—en zoo eenige malen achter elkaar, met ongeregelde tusschenpoozen.

„Zij geven elkaar seinen,” fluisterde Charly.

„Daar valt niet aan te twijfelen”

„Maar wie zouden het toch zijn voor den drommel?”

„Zeer waarschijnlijk de gouvernante en de bediende met het bleeke gezicht. Laten wij snel en ongemerkt naar onze auto zien te komen—ik wil zien, waar die man blijft.”

Maar Raffles nam dit besluit een paar seconden te laat, want juist op dit oogenblik hielden de seinen op, de automobilist liet een paar malen zijn hoorn weerklinken, deed zijn wagen een boog beschrijven en was het volgende oogenblik op de hoogste versnelling weggereden.

Een paar seconden later was er van den wagen niets meer te zien of te hooren.

„Dat is jammer,” bromde Raffles voor zich heen, „maar al is de bediende ons ontsnapt—de gouvernante hebben wij in ieder geval nog bij de hand.”

Maar terwijl zij op de prachtige auto toeliepen, zeide Raffles hoofdschuddend:

„Ik vrees zeer, Edward, dat wij ons al deze moeite gerust hadden kunnen besparen. Het zal zeer waarschijnlijk niets anders zijn dan een kleine amourette, daar komen altijd briefjes bij te pas en nachtelijke rendezvous.”

„Waarlijk? Het is mogelijk dat ik mij vergis, maar ik heb mij een rendezvous altijd een weinig anders voorgesteld. Ik wist niet dat de gewoonte was van een minnaar om vliegensvlug met een auto te komen aanrijden, te kijken naar een verlicht venster, om tien seconden later weder rechtsomkeer te maken, alsof de duivel hem op de hielen zat. Neen, Charly, hier zit iets anders achter. En ik heb mij voorgenomen om eens te onderzoeken, wat dat wel kan zijn!”