Raffles was er de man niet naar, om een eenmaal opgevat plan niet aanstonds ten uitvoer te brengen.
En zoo begon hij van dat oogenblik at meer aandacht te besteden aan het huis van den Oekraïnischen Gezant, dan hij tot dusverre gedaan had.
Maar vooral concentreerde hij de aandacht op de persoon van de jeugdige gouvernante, aan wie de beide kinderen van den Gezant, die nog op school gingen, waren toevertrouwd.
Hij had haar een paar maal gezien en was telkens getroffen door hare exotische schoonheid, het gelaat met zijn zuiver ovalen vorm, de schitterende zwarte oogen, het fijne neusje en het weelderige zwarte haar.
Hij bracht den tweeden dag na de partij een beleefdheidsvisite in het huis van den gezant en door een paar handige vragen ontdekte hij, wanneer de gouvernante haar vrijen middag had.
Dat zou over een paar dagen zijn en Raffles nam het besluit, de jonge vrouw bij die gelegenheid te volgen.
Hij had ook Henderson en Charly onder een goede vermomming het huis laten bespieden, maar geen van beiden had den bediende teruggezien. [10]
Wel wisten zij reeds iets meer van zijn omstandigheden.
Hij heette: Paul Lubowsky, hij vertoefde reeds bijna een jaar in Londen en sedert vijf maanden was bij bij een groot verhuurkantoor bekend als losse bediende, die zich ter beschikking stelde voor groote partijen, maar alleen in de deftigste kringen.
Hij was een zwijgzaam, eenigzins norsch man, maar als bediende was hij voortreffelijk.
Dat was ongeveer alles wat zij van hem te weten konden komen.
Bij een onderzoek naar zijn woning, bleek hij wel degelijk te wonen aan het adres, hetwelk hij aan het verhuurkantoor had opgegeven—de Green Street, een smalle straat in de buurt van de St. Paul, waar hij op kamers woonde.
Zijn hospita werd zeer voorzichtig uitgehoord door Charly Brand, die zich uitgaf voor belastingbeambte, maar de vrouw wist niets dan goeds van haar huurder te zeggen—een rustig, stil man, met zeer geregelde gewoonten, maar die soms een week achter elkaar uitbleef, bijvoorbeeld wanneer zijn verhuurkantoor hem had meegezonden met een pleizierjacht, dat een toer langs de kust ging doen.
Hij ontving weinig bezoek, maar dan ook altijd van landgenooten, met wie hij sprak in een taal, door de hospita als „koeterwaalsch” bestempeld en dat hoogstwaarschijnlijk Russisch of Poolsch was geweest.
Die bezoekers kwamen meestal ten getale twee of drie en bleven altijd langen tijd.
De hospita moest bier binnen brengen, als zij er waren en naar hun uiterlijk te oordeelen, waren zij goed betaalde arbeiders, maar het kwam ook wel voor, dat zij er uitzagen als „specifieke heeren”, welke uitdrukking alweder afkomstig was van de oude kamerverhuurster.
Dat alles hielp Raffles weinig verder, want alles welbeschouwd, was er niets tegen te zeggen dat een Pool of een Rus in een vreemde stad het liefst omgang zocht met zijn landgenooten.
Er was echter nog geen gelegenheid voor geweest Lubowsky na te gaan en men kon dus nog niet zeggen, of hij wellicht nog andere dingen deed, dan alleen tafeldienen.
De dag, waarop Irma Stanilof des middags vrij had, brak aan en Raffles zorgde, dat hij reeds vroeg in de nabijheid van het prachtige heerenhuis van Berkeley Square was.
Hij had zich voorzien van een zeer snel motorrijwiel en zich gestoken in de livrei van een besteller van een groot magazijn, teneinde zoo weinig mogelijk in het oog te vallen en argwaan op te wekken.
Het was half twee toen de deur van het groote huis openging en van zijn schuilplaats,—een breede portiek—zag Raffles de jonge gouvernante naar buiten treden, terwijl zij hare handschoenen dichtknoopte.
Zij bleef eenigen tijd op de stoep staan keek aandachtig om zich heen, daalde toen langzaam de paar treden af en liep langs het smalle pad van den kleinen voortuin naar het openstaande gouden hek.
Toen zij de straat bereikt had, bleef zij opnieuw staan en wenkte toen een huurauto, die juist voorbij reed.
In een oogwenk had Raffles zijn motorfiets bestegen en de achtervolging had een aanvang genomen.
Raffles zorgde, dat hij zoo dicht mogelijk achter de huurauto reed, teneinde te voorkomen, dat het voertuig hem zou ontsnappen.
Hij begreep, dat hij voorzichtig zou moeten zijn, want als de gouvernante inderdaad zaken zou verrichten, die het daglicht niet mochten zien, dan zou zij haar voorzorgsmaatregelen wel nemen en voorzichtig zijn.
De huurauto zette snel haar weg voort door een groot aantal straten en onverdroten volgde Raffles haar met zijn motorrijwiel.
De huurauto had aan de achterzijde, zooals de meeste van deze voertuigen, een klein rond venstertje en dat was een onaangename omstandigheid, want als de jonge vrouw daarbinnen een paar maal naar buiten zou kijken, dan zou het haar ten slotte moeten bevreemden, als zij steeds denzelfden besteller achter zich zag en op zijn best zou zij de onderneming tot een betere gelegenheid uitstellen.
Maar gelukkig scheen Irma Stanilof in gedachten verzonken te zijn, of zij dacht in het geheel niet aan het venstertje, noch aan de mogelijkheid, dat zij zou worden achtervolgd, tenminste er verliep ruim een uur, zonder dat zij er aan dacht, den blik naar buiten te werpen.
De auto had Piccadilly gevolgd, was Grosvernor [11]Place ingeslagen en had tenslotte Buckingham Palace Road gevolgd, in de richting van de Chelseabridge.
Zij ging echter de rivier niet over, maar scheen bij het Pompstation te willen stilhouden.
Raffles had nog maar juist den tijd zich haastig in een zijstraat te verschuilen, want het portier werd geopend, de jonge gouvernante stak het hoofd naar buiten en sprak eenige woorden met den chauffeur.
Daarop zette de auto haar weg weder voort en dadelijk toen Raffles het getoeter van de auto hoorde, bracht hij opnieuw het rijwiel in gang en de achtervolging begon weder.
De huurauto reed op dit oogenblik langs de uitgestrekte tuinen van het Chelsea Hospitaal en volgde den Grosvernor Road.
Raffles begreep wel, dat het hem zeer moeilijk zou vallen, zich hier te verschuilen, want aan den eenen kant van den weg strekte zich de Theems uit en aan den anderen kant bevond zich het schier eindelooze hek van het hospitaal zelf.
Maar tot zijn geluk bleef de auto in zeer snelle vaart doorrijden, tot zij opnieuw stilstond bij het begin van Royal Hospital Road.
Het was een zeer breede straat in een deftige buurt, die regelrecht uitloopt op de Theems.
Maar nu reed Raffles snel de auto voorbij, want als hij was blijven stilstaan, zou hij toch dadelijk gezien zijn geweest.
Tot zijn geluk bevond zich op den hoek van de Flood Street en den zooeven genomen weg een groot café met een groot zonnescherm en hij haastte zich daar af te stappen en zijn motorfiets daar te laten staan.
Want het was nu wel zeker, dat de jonge vrouw het einddoel van haar langen tocht bereikt had.
Zij was uitgestapt en had den chauffeur betaald, waarop de man aanstonds weder wegreed.
Raffles had snel een kellner ter zijde genomen en zeide tot hem, zonder de gouvernante uit het oog te verliezen:
„Luister eens vriend—hier is een halve guinje, pas op mijn rijwiel want ik zal het aanstonds wel weer noodig hebben. Is er hier in de buurt soms een garage?”
„Geen honderd stappen hier vandaan in de Flood Street!”
„Uitmuntend, daar verhuurt men zeker wel auto’s?”
„En heel mooie wagens, mijnheer! Kijk daar komt er juist een aan, die ik herken—die groote roode wagen.”
Raffles wendde zijn blik naar het hem aangewezen voertuig, een zeer groote wijnrood gelakte limousine, die juist de straat kwam uitrijden en langzaam naar den kant van de Theems zijn weg vervolgde.
Maar nauwelijks had de gouvernante de auto gezien, of zij wuifde even met de hand, de chauffeur bracht het voertuig tot staan en zij opende het portier.
Zelfs op dezen afstand kon Raffles duidelijk zien, dat er daar binnen twee mannen zaten, waarvan een haar de hand toestak, om haar bij het instappen behulpzaam te zijn.
En tot groote verwondering van den kellner, zette zijn gast het eensklaps als een haas op een loopen en vloog op de auto af, die zich langzaam weder in beweging stelde.
En de verwondering van den man nam niet weinig toe, toen hij bemerkte, dat de gewaande besteller met de vlugheid van een acrobaat achter op de veeren van de auto ging zitten—en met de auto verdween.
„Van tweeën een—of zij spelen voor een film, of die man is een particuliere detective,” was de conclusie van den kellner, terwijl hij weder aan zijn werk ging, na te hebben zorg gedragen, dat de motorfiets in de breede gang van het café was neergezet.
Raffles had het zich intusschen op de veeren zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt en hij trachtte nu te hooren, wat er daar binnen gesproken werd.
Maar ofschoon de beide portierraampjes openstonden, vernam hij slechts een vaag gerucht.
Hij nam een kort besluit en werkte zich boven op de auto, hetgeen niet zoo gemakkelijk ging, want de bovenkant was eenigszins bol en tamelijk glad, maar hij kon zich vasthouden aan een uitstekenden rand boven den zetel van den chauffeur.
Natuurlijk wist hij, dat de voorbijgangers hem in die positie moesten zien, maar dat liet hem volkomen onverschillig.
Ten eerste was hier weinig verkeer, ten tweede reed de auto zeer snel en ten derde zou hij geen [12]oogenblik aarzelen de politie te waarschuwen, als men hem soms mocht opmerken en aanhouden.
Dan bestond er zeker kans, dat hij zich toch nog zou blijken te hebben vergist en dat het geheimzinnige briefje, hetwelk Irma Stanilof dien avond den bedienden in de handen stopte, inderdaad een zeer onschuldige beteekenis had, maar dan zou het nog niets te beteekenen hebben en hij zou er van af zijn, met zich een weinig bespottelijk te hebben gemaakt.
In ieder geval had hij nu gewonnen, dat hij duidelijk kon hooren, wat er in de auto gesproken werd, want de personen moesten luid spreken, om zich boven het geraas van den motor verstaanbaar te maken.
En het eerste wat Raffles opmerkte was, dat er daar binnen Duitsch werd gesproken.
En niet het Duitsch van Berlijn, Leipzig of van Frankfort, maar het zangerige Duitsch van Weenen.
„Oostenrijkers dus,” mompelde Raffles voor zich heen. „Nu als daar geen luchtje aan is, dan wil ik gekielhaald worden. En laat ons nu eens hooren wat zij elkaar te vertellen hebben.”
Hij bukte zijn hoofd zoover mogelijk voorover, teneinde zoo dicht mogelijk bij het openstaande portier te zijn.
Een der beide mannen, die in de auto zaten, voerde bijna voortdurend alleen het woord.
Hij had een diepe, zware stem en de ander, die er slechts enkele malen een opmerking tusschendoor wierp, sprak daarentegen met een hooge falsetstem, schel en doordringend.
„Je hebt dus de boodschap aan Basserman gegeven?” klonk de stem van een der twee mannen.
„Ja, gisteravond had ik er gelegenheid voor,” antwoordde Irma. „Hij was als hulpbediende aangenomen.”
„Ik wil je wel zeggen, Irma,” hernam de man met de zware stem, „dat wij niet bijzonder tevreden zijn. Je bent nu al veertien dagen in dienst van den Gezant, Basserman gaat door voor een der bekwaamste spionnen en toch zijn jullie er altijd nog niet in geslaagd, je van het verdrag meester te maken en wij moeten het tot iederen prijs hebben. Het is voor ons van het grootste belang te weten, welke geheime afspraak Engeland met de Oekraïne heeft gemaakt of wil maken. Het is ons bekend, dat de gezant een afschrift van het verdrag onder zijn berusting heeft in zijn particuliere woning—en wij moeten kennis nemen van den inhoud, hoe dan ook!”
„Ik heb gedaan wat ik kon, Graaf, dat verzeker ik u!” zeide Irma. „Ik heb overal gesnuffeld, in de verwachting, dat hij het ergens verborgen had buiten zijn werkkamer, maar een paar dagen geleden heb ik Basserman moeten mededeelen, door het gewone sein, dat er nog niets ontdekt was.”
„Dan zullen er eenvoudig andere maatregelen genomen moeten worden,” hernam de man, die met den titel van Graaf aangesproken werd, op koelen toon. „We kunnen hier niet al te lang meer blijven, want, wanneer wij ontdekt worden, zou ons lot waarschijnlijk dadelijk beslist zijn—men zou ons onmiddellijk arresteeren en op zijn best naar ons land terugzenden. Wij zouden ons doel niet bereikt hebben, en ik zou mij niet meer te Weenen durven vertoonen.”
„Merkwaardig,” bromde Raffles boven op de auto. „Ik heb mij wel eens laten wijsmaken, dat er door den oorlog onder meer een einde was gemaakt aan het bestaan van de geheime diplomatie, maar naar het schijnt, is zij meer dan ooit in leven—met alle uitwassen daarvan: geheime verdragen, spionage, nagemaakte gouvernantes en soortgelijke romantische zaken.”
Hij luisterde opnieuw aandachtig toe en het gesprek daar in de auto werd voortgezet.
„Is er niemand daar in huis, behalve de gezant, van wien gij kunt vermoeden, dat hij op de hoogte is van het bestaan van het verdrag?” begon de Graaf weder.
„Misschien zijn secretaris—maar die woont niet in zijn huis. Hij komt ’s morgens en gaat voor het diner weder weg,” antwoordde Irma.
„Is die man jong of oud?”
„Niet zeer jong meer, een jaar of vijftig!”
„Gehuwd?”
„Ja.”
„Dan is hij als het ware aangewezen, om op hem je verleidingskunsten eens te probeeren!” riep de Graaf uit. „Ik heb al eens opgemerkt, dat het veel gemakkelijker is een man op zekeren leeftijd te vangen dan een piepjong broekje. En ik geloof, dat de verklaring voor de hand ligt … de jongeling heeft nog de geheele wereld voor zich met alle vrouwen, welke zij bevat, maar de oude man is [13]maar al te verheugd, wanneer hem ter elfder ure nog eens een buitenkansje te beurt valt en daarom bijt hij des te vlugger toe.”
„Ik zal het probeeren,” zeide Irma zuchtend, „maar ik ben zeer bevreesd, dat ik niet veel succes zal hebben, Graaf. De secretaris Limanof is een stug, stilzwijgend man, die maar voortdurend zit te werken—en het zou mij dus moeilijk genoeg vallen hem in mijn positie als gouvernante te naderen. Ik wil u trouwens wel zeggen, dat ik zelf reeds op een dergelijk plan ben gekomen en ook al getracht heb het ten uitvoer te brengen, maar ik had evengoed verliefd naar een straatsteen kunnen kijken, hij nam volstrekt geen notitie van mij, niet meer, dan wanneer ik lucht geweest ware.”
„Probeer het dan nog eens,” riep de Graaf ongeduldig uit. „Misschien is het de eenige weg. Van andere zijde heeft men mij medegedeeld, dat het verdrag binnen enkele dagen onderteekend zal worden en als het eenmaal weder naar het Ministerie van Buitenlandsche Zaken is overgebracht dan zal het mij wel buitengewoon moeilijk vallen, er ons een afschrift van te verschaffen. Wij hebben nu niet langer tijd om met u te praten, stap hier uit. Gij kunt hier auto’s in overvloed krijgen en men moet ons liefst niet samenzien. Doe vandaag nog eens goed uw best en lukt het in het geheel niet, dan zullen wij morgen tot krassere maatregelen onze toevlucht moeten nemen. Geef ons nog in den loop van den dag het afgesproken sein, gewone Morseteekens. Is het u niet gelukt, dan zullen wij voor morgennacht tot het laatste middel moeten overgaan—een inbraak!”
„Maar dan wordt immers alles bekend!” riep nu de andere man in de auto uit.
„In ’s hemelsnaam. Dat moeten wij er voor over hebben. Wij weten dan tenminste wat er met de Oekraïne zal gebeuren en dat is voor ons land van het allergrootste gewicht. Als het kan, dan moeten wij tot iederen prijs trachten Engeland voor te zijn en zijn politiek daarginds te dwarsboomen.”
Raffles had tot het laatste oogenblik gewacht, maar nu hij tegen de voorruit hoorde tikken, klom hij ijlings van de auto af en zag, hoe de auto nauwelijks tien meter verder stilstond.
Hij had juist den tijd gehad zich verdekt op te stellen achter een zwaren verhuiswagen, die daar ter plaatse stilstond.
Maar in de spiegelende ruit van een grooten winkel zag hij, hoe de gewaande gouvernante uitstapte, nog eenige woorden wisselende met de mannen daarbinnen, waarop de auto vlug weder wegreed.
Raffles wierp een blik om zich heen.
Het gesprek had slechts kort geduurd en de auto had de Battersea Bridge nog niet bereikt en bevond zich thans aan het einde van de Cheyne Walk.
De jonge vrouw stond even rond te kijken en wenkte toen een huurauto.
Zij stapte erin en het voertuig reed weg.
Wat Raffles betreft, hij overhaastte zich volstrekt niet, want hij begreep wel, dat de jonge vrouw onder een of ander voorwendsel weder naar het huis zou terugkeeren, waar zij onder een valsch voorgeven in dienst was gekomen, teneinde een laatsten stormloop te wagen op den secretaris van den gezant.
En hij wist zeer goed, dat deze poging volkomen nutteloos zou zijn, want hij kende Limanof zeer goed en hij wist wel, dat hij er zeker niet de man naar was om zijn plicht te verzaken terwille van een paar schoone oogen.
Trouwens, Irma zelf moet beseffen, dat de tijd veel te kort was, om nu nog met succes het plan ten uitvoer te brengen, hetwelk haar beide lastgevers haar hadden voorgesteld.
Het zou dus zaak zijn, zich dicht bij het huis in Berkeley Square op te stellen teneinde het sein op te vangen, hetwelk de jonge vrouw nog in den loop van den dag zou geven.
Hij wachtte dus rustig, tot er een onbezette huurauto voorbij reed, gaf den chauffeur het adres op en reed op zijn beurt naar Berkeley Square terug.
Het was omstreeks half vier toen hij daar weder aankwam.
En hij trof er Charly Brand, die daar juist zijn post had betrokken, en niet weinig verrast was, toen hij Raffles niet op de afgesproken plaats aantrof.
Hij had echter aanstonds begrepen, dat de Groote Onbekende iets ontdekt moest hebben en dat hij iemand was nagegaan.
De ontmoeting had plaats in het fraaie plantsoen, vanwaar men, met een kijker gewapend, het fraaie huis van den gezant voortreffelijk kon bespioneeren, zonder zelf gevaar te loopen op dien vrij grooten [14]afstand te worden gezien, laat staan te worden herkend.
Er bevond zich daar ter plaatse een melkhuis, dat omgeven was door prachtig geboomte, en aan het einde van een laantje kon men, verborgen opgesteld achter een boschje, voortreffelijk nagaan, wie het huis van den gezant in of uitging.
„Ik ben blij, dat je er reeds bent, Charly,” zeide Raffles op zachten toon, terwijl hij den jongen man de hand drukte.
„En ik was een weinig verwonderd, je hier niet aan te treffen, toen ik je om drie uur kwam aflossen. Je bent zeker iemand nagegaan? De gouvernante misschien? Zij is hoogstens een paar minuten geleden teruggekomen met een huurauto.”
„Dat wist ik Charly—ik ben haar nagegaan.”