En nu deelde Raffles Charly in korte woorden mede, wat hem zooeven wedervaren was.
Charly hoorde hem vol verwondering aan en riep nu uit:
„Dat was het dus, je had het dus wel goed gezien!”
„Ik moet erkennen, Charly, dat ik niet aanstonds aan een verdrag met de Oekraïne gedacht had, maar in ieder geval ben ik blij, dat ik zoo wantrouwend ben geweest—wij zijn nu tenminste in staat ons land voor een ernstig nadeel te bewaren.”
„Wat wil je doen?”
„Wat een vraag! Natuurlijk wil ik den gezant waarschuwen!”
„Maar dat kun je toch niet doen in je hoedanigheid als Lord William Aberdeen?”
„Natuurlijk niet. Het zou wel wat vreemd zijn als Zijne Lordschap boven op een in volle vaart zijnde auto klauterde en bovendien zou het ons naderhand misschien in moeilijkheden kunnen brengen. Ik zal hem eenvoudig zeggen dat ik een particulier detective ben, in geheimen dienst en hij zal me wel moeten gelooven, want ik zal wel de eenige zijn, die iets van het bestaan van dat geheim verdrag afweet, behalve hij zelf—en dan natuurlijk de Oostenrijkers, ofschoon ik moet verklaren niet te begrijpen, hoe zijzelven er achter zijn gekomen. De spionagedienst schijnt dus nog altijd voortreffelijk te zijn georganiseerd.”
„Dus dan is de gouvernante een Oostenrijksche?”
„Neen, dat is zij zeker niet. Zij is een Poolsche of een Russin, misschien een Oekraïnische, want zij spreekt het Duitsch met een sterk accent. Maar daar in de gegeven omstandigheden de belangen van Polen en Oostenrijk samengaan, is het niet zoo verwonderlijk, dat men zich te Weenen ditmaal van Poolsche spionnen bedient.”
„Het is mij een raadsel, hoe dergelijke menschen ons land binnenkomen,” riep Charly uit.
Maar Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
„Het zou je volstrekt niet raadselachtig voorkomen als je goed op de hoogte was van de methodes van onze vroegere vijanden. Ik zal het hun steeds ter eere nageven dat zij het bijzonder ver [15]gebracht hadden op dit gebied en ons daarin een lesje konden geven. Waarschijnlijk zijn zij met nagemaakte passen aan land gegaan, of anders zijn zij des nachts met een visscherspink op een vrijwel onbewoond gedeelte van de kust aan land gestapt. Maar dit zijn zaken van minder belang—de hoofdzaak is, dat zij het bestaan van het verdrag kennen en dat het in ieder geval belet moet worden, dat zij van den inhoud kennis nemen.”
Hij nam Charly den kijker uit de handen, richtte hem op den gevel van het groote huis aan den overkant en bromde voor zich heen:
„Zij laat er geen gras over groeien, daar zie ik haar waarachtig geloof ik al in de kamer van den secretaris.”
„En denk je, dat het haar zal gelukken hem over te halen?”
„Geen denken aan,” antwoordde Raffles. „Daartoe ken ik dien man te goed. Hij is gelukkig getrouwd—wat intusschen nog geen beletsel zou zijn—en zijn plichtsgevoel is boven iedere verdenking verheven. Je kunt er gerust onder verwedden, wat je wilt, dat zij vanavond het sein zal moeten geven, dat alles mislukte. En nu wil ik je groeten, Charly—blijf hier rustig op je post, let goed op de vensters en kijk ook uit naar stilstaande auto’s. Je weet, dat het sein in gewone Morse-teekens zal worden gegeven—ik denk door tikken op de ruit of iets dergelijks.”
De twee vrienden drukten elkander weder de hand en Raffles verwijderde zich terwijl Charly plaats nam op een bank en het huis van den gezant opnieuw begon gade te slaan.
Hij had ongeveer een half uur zoo gezeten, toen er een kleine auto kwam voorrijden, achter welks stuurwiel een jonge man was gezeten, dien hij door den kijker aanstonds herkende.
Het was Cedric Lonsdale, de jonge legatie-attaché.
Hij had zeker geen dienst, want hij droeg een lichtgrijs zomercostuum.
Hij had daar nauwelijks een paar minuten gestaan en eenige malen den hoorn laten weerklinken, of de deur ging open en Sonja verscheen in een allerliefst blauw toiletje.
Zij kwam haastig de stoep af, stak Lonsdale de kleine hand toe en nam naast hem plaats.
En op hetzelfde oogenblik, dat de kleine sportwagen zich in beweging zette, kwam Edgar Macpherson toeloopen, die blijkbaar op weg was naar het huis van den gezant, maar nu stokstijf bleef staan en de auto nastaarde.
Wel vijf minuten bleef hij als uit marmer gehouwen op dezelfde plek staan en daarop maakte hij rechtsomkeer en verdween, zooals hij gekomen was, groote stappen nemend en het hoofd naar den grond gebogen.
„Een ongelukkige liefde is toch steeds een onaangename zaak,” merkte Charly op wijsgeerigen toon op. „Het humeur van het jonge mensch dat daar met zulke groote stappen den terugtocht aanvaardt, lijkt mij op dit oogenblik zeer weinig benijdenswaardig. Het is ook een ellendige gewaarwording, met een ruiker in de hand je opwachting te willen maken bij het meisje, dat je lief hebt en haar dan met een ander een rijtoertje te zien maken. Kijk daar werpt hij het nu nuttelooze voorwerp al woedend tegen den grond.”
Inderdaad scheen Macpherson nu pas te beseffen, dat hij nog altijd met een prachtigen bouquet in de handen liep en hij had zooeven den ruiker met een toornig gebaar neergekwakt, zonder acht te slaan op de spottende blikken en gelach van eenige voorbijgangers, voor wie dit driftige manuaal maar al te duidelijk moest zijn.
De uren verliepen traag en Charly begon zich tamelijk wel te vervelen.
Hij mocht zich echter niet laten afleiden door het gesnater en het geschreeuw van de kinderen om hem heen en hij bleef onafgewend het oog gevestigd houden op den voorgevel van het huis van den gezant, waarbij hij nu en dan den kijker gebruikte.
Er deed zich echter niets bijzonders voor.
Wladimir Letchitsky was zooeven thuisgekomen, waarschijnlijk van een officieel bezoek, want een jongmensch, dat achter hem aanliep, droeg een groote en zware portefeuille.
En hij kon nauwelijks goed en wel binnen zijn, of daar kwam het kleine sportwagentje weder aanrijden en nu stapten de beide jongelieden uit en gingen haastig naar binnen.
Charly had zijn kijker aan het oog gebracht en hij kon nu tamelijk goed zien, hoe in het groote werkvertrek van Letchitsky, eerst de gezant [16]binnentrad, die nu zelf de groote portefeuille droeg, en daarop Sonja en Cedric Lonsdale.
„Wat drommel, vergis ik mij of niet, de jongelui houden elkaar bij de hand vast. Is het al zoo ver? Zou hij al om haar hand komen vragen? Maar mijn hemel—heeft hij dan heelemaal geen eerbied voor onze eerwaardige gebruiken? Het meisje mag er heelemaal niet bij zijn. Nu, misschien is dat Oekraïnisch. In ieder geval schijnen zij Papa Letchitsky dringend iets te vragen. Stil—daar opent hij zijn brandkast—en nu legt hij er de groote portefeuille er in. Hij sluit de deur en schijnt een ernstig vertoog tot de beide jongelieden te houden, die met gebogen hoofd voor hem staan.”
Deze toespraak duurde een minuut of vijf en daarop maakte Cedric een korte buiging voor den gezant, kuste Sonja de hand en verliet haastig het vertrek.
En een oogenblik later zag Charly hem de deur uitkomen en vlug op zijn sportauto toeloopen.
Zijn jong gelaat had een ernstige uitdrukking, maar zijn oogen glansden.
„Niet bepaald afgewezen—maar ook niet bepaald aangenomen,” zeide Charly tot zich zelf. „Ik kan mij zoo begrijpen, wat Papa Letchitsky zooeven gezegd heeft: „Jongeman, ik heb goede informaties over je ingewonnen. De kleermaker weet je goed te kleeden, je bent recht van lijf en leden, je hebt een goede positie voor je—maar je bent nog te jong, en dat is mijn dochter ook. Wacht nog een jaartje en als jelui elkaar dan nog liefhebt, dan krijg jullie mekaar mijnentwege!””
De kleine sportauto was weder weggereden en Charly kon nu zijn aandacht weder bij het huis bepalen.
Er verliep nog een uur en de jonge man moest zich zelf erkennen, dat hij zich niet alleen tamelijk erg verveelde, maar dat ook de honger hem begon te plagen.
Het was bijna zeven uur, toen er eensklaps een huurauto kwam aanrijden, die voor het hek van het plantsoen, recht tegenover het huis stilhield.
En op hetzelfde oogenblik verscheen Irma achter het venster op haar kamer op de derde verdieping, waar Raffles en Charly een paar dagen tevoren het lichtschijnsel hadden gezien.
Snel bracht Charly den kijker weder aan de oogen, juist op tijd om te zien, hoe zij met den vinger over de ruit streek, of er korte tikken op gaf—juist zooals de bedieners van het Morse-toestel, wanneer zij een telegram verzenden.
Voor Charly had het telegramschrift geen geheimen en hij kon even duidelijk alsof hij een krant las de boodschap spellen:
„Alle pogingen vruchteloos. Een stokvisch heeft meer gevoel. Kon even goed tegen de tafel gepraat hebben. Heb van alles tevergeefsch geprobeerd. Hij heeft mij tenslotte grof bejegend. Ik geef het op. Van avond om elf uur op de gewone plek!”
en daarop trad zij snel weder achteruit in de kamer.
Charly had de boodschap snel op een stukje papier geschreven en toen hij daarmede gereed was, was ook de huurauto weder weggereden.
Daar hij wel begreep dat het volstrekt geen nut zou hebben, hier nu nog langer te blijven, verliet hij zijn observatiepost en begaf zich haastig naar het dichtstbijzijnde telegraafkantoor, om daar Raffles te waarschuwen, dat hij op weg was naar de Regent Street, waar het fraaie heerenhuis van Lord Aberdeen gelegen was.
Vervolgens riep hij een huurauto aan, welke hem een uur later naar het huis van John Raffles bracht.
Hij vond deze in de biljartkamer, waar hij doende was, zich een weinig te oefenen, maar dadelijk, nadat Charly was binnengetreden, zette Raffles zijn queue weg en vroeg:
„Er is zeker niets? Een uur geleden, juist toen ik wilde uitgaan, kreeg ik je telegrafische boodschap. Het is dus mislukt en als zij nu hun woord houden, dan grijpen zij naar het paardenmiddel—de gefingeerde inbraak!”
„Om elf uur zouden zij een bijeenkomst hebben op de „bekende plaats”. Waar zou dat kunnen zijn?”
„Vermoedelijk dicht bij het huis of bij den tuinmuur—want het is duidelijk dat een gouvernante des avonds om dien tijd niet het huis kan verlaten.”
„Wat zullen wij doen?”
„Dat is een weinig moeilijk te zeggen—natuurlijk zouden wij ons in hinderlaag leggen, maar daarvoor zou het noodig zijn, dat wij de plek van samenkomst nauwkeurig wisten. Nu dat niet het geval is moeten wij het aan het toeval overlaten, en het is natuurlijk niet onmogelijk, dat zij ons zouden zien en dan was alles verloren!” [17]
„Als wij eens trachtten ons te verspreiden? Een onzer zou in den tuin kunnen postvatten, een tweede aan de buitenzijde van den tuinmuur en een derde bij den achtermuur.”
„Dat is een goed plan, Charly—en ik geloof, dat wij ons daaraan zullen houden,” riep Raffles uit. „En nu hebben wij eenige uurtjes vrij, welke wij zullen besteden aan het nuttigen van een goed diner, gevolgd door een paar bedrijven van „De koopman van Venetië”. Er vertoeft hier op dit oogenblik een Nederlandsche acteur van naam in onze hoofdstad, van wien ik zeer veel goeds heb hooren zeggen en ik zou het mij zelf nooit vergeven, als ik de gelegenheid had laten voorbijgaan, dien bewonderenswaardigen kunstenaar in zijn moedertaal een van de schoonste werken van ons nationaal tooneel te hooren vertolken. Trouwens, voor mij heeft de taal van Vondel niet veel geheimen, je weet misschien, dat ik eenige jaren in het land van Rembrandt gewoond heb en ik heb mij dien tijd ten nutte gemaakt, om zooveel mogelijk van de taal te leeren.”
Spoedig kleedden zich de beide mannen en een uur later zaten zij in hun eigen loge in den schouwburg en waren daar getuige van den triomf van den grootmeester der Nederlandsche tooneel-speelkunst, van Louis Bouwmeester!
Geheel onder den indruk van wat zij gezien hadden, verlieten de beide vrienden om half elf den schouwburg.
Twintig minuten rijdens en zij zouden het huis van den gezant bereikt kunnen hebben!
„Een van God begenadigd kunstenaar!” zeide Raffles op ernstigen toon, toen de auto zich in beweging had gesteld.
„Ja, dat is hij!” riep Charly vol geestdrift uit. „Ik versta maar heel weinig Hollandsch, maar dat is ook volstrekt niet noodig, als men hem ziet acteeren!”
Nog eenigen tijd bleven de beide vrienden doorspreken, en daarop vervielen zij in een stilzwijgen hetwelk zij niet verbraken, voordat de auto stilhield.
Henderson had achter het stuurwiel gezeten van de auto, die er naar het uiterlijk uitzag als een gewoone taxameter, maar die een buitengewoon krachtigen motor verborg, waardoor het mogelijk was, met zeer groote snelheid te rijden.
Snel hadden de drie mannen hun post ingenomen.
Charly was over den tuinmuur gewipt, na er van den kap van de auto als een kat te zijn opgesprongen, Henderson had zich, na het voertuig op veiligen afstand te hebben gestationneerd, verdekt opgesteld bij de kleine tuinpoort, en Raffles was om den muur heengeloopen en stond aan den anderen kant van den tuin op de loer.
En aan Charly zou het gegeven zijn, het gesprek af te luisteren, hetwelk tusschen de zoogenaamde gouvernante en een man buiten den muur van den tuin gevoerd werd.
Want juist om elf uur kwam de jonge vrouw haastig den tuin in, met een donkeren omslagdoek over hoofd en schouders en liep snel over den grasrand naar den achterkant van den zijmuur, waar zij voorzichtig een steen lostrok, op eigenaardige wijze kuchte, van buiten antwoord ontving en toen begon:
„Ik heb al geseind, dat alles mislukt is. Wat moet er nu gebeuren?”
„Dan moet het stuk met geweld worden weggenomen,” klonk de zachte stem aan den anderen kant van den tuinmuur.
„Hoe zal het gaan?”
„Zorg, dat je de tuindeur voor ons opent—dat is alles. Wij zullen met ons drieën komen en natuurlijk als gewone inbrekers, want het moet den schijn hebben, alsof het hier een gewone inbraak geldt. Wij moeten, als wij er den tijd voor hebben, snel het stuk overschrijven en anders moet het maar worden meegenomen!”
„Hoe laat komt gij?”
„Wanneer is hier alles ter ruste?”
„Om twaalf uur uiterlijk.”
„Dan komen wij om half twee, dan is het verkeer hier in deze deftige buurt ook geheel opgehouden.”
„Gij zult toch in geen geval geweld gebruiken?”
„Natuurlijk niet, als het vermeden kan worden tenminste. Maar—als dat niet kan, je weet onze leuze: Het vaderland boven alles.”
„Wat moet ik verder doen?”
„Ons den weg wijzen naar de werkkamer van den gezant. Daar staat natuurlijk een brandkast en het is even natuurlijk, dat hij daar het document bewaart!” [18]
„Maar hoe zul je dat meubel openen?”
„Je moet in de eerste plaats trachten de sleutels in handen te krijgen. Is dat volstrekt onmogelijk, dan zullen wij de kast moeten openbreken. Ik zal wel zorgen, dat ik een deskundige bij mij heb.”
„Heb je nog iets te zeggen?”
„Neen, als alles is afgeloopen, vertrekken wij natuurlijk dadelijk. Er is reeds gezorgd voor valsche passen. Maar dat is van later zorg—daar naderen menschen. Tot morgen en denk om de leuze!”
Irma schoof den steen weder op zijn plaats en sloop haastig weder door den donkeren tuin naar het huis terug.
Wat Charly betreft, hij wachtte tot hij het geluid van de dichtgaande deur hoorde en was toen in een wip weder over den muur.
Een oogenblik later waren de drie mannen weder vereenigd en Charly deelde mede, wat hij zooeven vernomen had.
Raffles luisterde ernstig toe en zeide toen:
„Morgen moet Wladimir Letchitsky gewaarschuwd worden!”