Den volgenden dag omstreeks twaalf uur in den morgen hield er een huurauto stil voor het prachtige huis aan de Berkeley Square.
Raffles stapte er uit, maar hij was onherkenbaar—niemand zou in hem den deftigen Lord Aberdeen herkend hebben.
Hij was eenvoudig gekleed en droeg een gummi regenjas.
De bediende, die hem de deur opende, keek hem dan ook tamelijk argwanend aan, terwijl hij naar het doel van zijn bezoek vroeg.
„Geef dit kaartje aan mijnheer Letchitsky, en zeg hem, dat ik hem dadelijk moet spreken omtrent een hoogst gewichtige aangelegenheid, die geen uitstel kan dulden.”
De bediende wierp een snellen blik op het kaartje en las:
„Guy Mayland, detective in particulieren dienst.”
De man trok zijn wenkbrauwen even verbaasd op, maar hij ging toch met het kaartje heen, na de deur voor den bezoeker te hebben dicht gedaan.
„Ik weet niet, of dit eigenlijk de ware manier is, om iemand te ontvangen, die ons komt waarschuwen tegen een groot gevaar,” mompelde Raffles.—„Maar ik zal in aanmerking nemen, dat de gezant nog in het geheel niet weet wat er aan de band is, en zijn bediende nog veel minder.”
Hij behoefde niet lang te wachten, want de bediende keerde na enkele minuten terug en zeide:
„Mijnheer heeft tien minuten voor u, niet langer, want hij wordt bij Zijne Excellentie den Minister van Buitenlandsche Zaken verwacht.”
„Aan tien minuten heb ik ruimschoot voldoende, goede vriend,” zeide Raffles glimlachend.
„Wees dan zoo goed, mij te volgen.”
De bediende ging Raffles voor, en deze was wel gedwongen, zich te houden, alsof hij nog nimmer een voet in dit huis had gezet, ofschoon hij er den weg even goed kende als in zijn eigen huis.
Even later stond hij tegenover den gezant, die hem een weinig verwonderd opnam, en toen een zwijgend gebaar maakte naar een stoel. [19]
„Ik denk u niet lang te zullen ophouden, Sir!” begon Raffles op ernstigen toon. „En daarom zal ik maar met de deur in huis vallen—ik kom hier naar aanleiding van het geheim verdrag tusschen mijn land en het uwe .….”
Letchitsky verschrikte hevig bij het hooren van deze woorden, en met een paar vlugge stappen was hij vlak voor Raffles.
„Hoe, wat wilt gij zeggen?” stamelde hij. „Wat praat gij van een geheim verdrag?”
„Excellentie, laten wij geen tijd verliezen—gij behoeft van de zaak voor mij geen geheim te maken, want ik ben op de hoogte .….”
De gezant liet zich in een stoel neervallen en bedekte het gelaat even met de handen.
Toen sprong hij weder op, en vroeg op heeschen toon:
„Zeg me wat ge weet en waarom ge hier komt!”
„Ook bij de beantwoording van die vraag zal ik zoo kort mogelijk zijn, Excellentie—het is mij ter oore gekomen, dat men het verdrag hedennacht hier uit uw huis wil komen stelen!”
„Groote God!” schreeuwde de gezant, die zich zelf niet langer meester was. „Waarom denkt ge dat? Hoe weet ge het?”
„Als gij kalm kunt blijven, Excellentie, dan zal ik het u mededeelen!”
„Ik zal trachten kalm te blijven, mijnheer—maar om godswil, zeg mij spoedig alles wat gij weet!”
En nu deelde Raffles hem mede, wat hij vernomen had, zonder evenwel iets te verraden van zijn identiteit.
Letchitsky had zwijgend, met gebalde vuisten, het hoofd op de borst gebogen, toegeluisterd, en toen Raffles gereed was, sprong hij op, en greep zijn beide handen.
„Ik dank u, dat gij mij zijt komen waarschuwen, mijnheer,” zeide hij op ernstigen toon: „De gevolgen van een voorbarige publicatie van dit verdrag, of van de kennisneming er van door de Oostenrijkers of de Polen zouden onberekenbaar zijn—misschien zou er aanstonds een nieuwe oorlog uit kunnen ontstaan!”
„Ik deed slechts mijn plicht, Excellentie!” antwoordde Raffles eenvoudig. „Mag ik uwe Excellentie vragen wat zij nu denkt te doen?”
„Natuurlijk het stuk dadelijk op een veilige plaats brengen!” riep de gezant uit. „En nu dadelijk om de politie zenden, opdat zij die vrouw dadelijk kunnen arresteeren!”
„Vreest gij dan niet dat er zoodoende meer ruchtbaarheid aan de zaak zal worden gegeven, dan wenschelijk is?” ging Raffles voort.
De gezant dacht even na en zeide toen:
„Ik zal aan den Minister van Justitie mededeelen, wat gij mij zooeven hebt gezegd. Hij kan dan last tot arrestatie geven, zonder dat de politiebeambten weten, waarom het gaat.”
„Maar kan men die vrouw in dit huis arresteeren?”
„Ja! Dit is niet de ambassade, die onschendbaar is, maar mijn particuliere woning.”
„Stelt gij er geen prijs op, dat ook de andere spionnen worden gevangen genomen?” ging Raffles voort.
„Zonder eenigen twijfel!” riep de gezant uit
„Dan zult gij hen niet in handen krijgen, wanneer de zoogenaamde gouvernante aanstonds wordt gearresteerd, tenzij er maatregelen worden genomen, om de anderen op een dwaalspoor te brengen. Natuurlijk zullen zij aanstonds wanneer hedennacht de deur niet voor hen geopend wordt, argwaan krijgen en begrijpen dat er iets verkeerd moet zijn gegaan.”
„Dat is zoo,” hernam de gezant op peinzenden toon. „Weet gij dan soms een middel?”
„Ja, Excellentie! De vrouw zal desnoods dadelijk in verzekerde bewaring worden gesteld, maar liefst moeten wij daar nog mede wachten, tot de avond gevallen is. Wie weet had zij heden nog een afspraak met de anderen. Ik zeide u reeds dat zij hen vanuit haar kamer seinen geeft. Blijven die uit dan konden de spionnen eveneens wel achterdochtig worden. Zij moeten echter hier komen hedennacht en dan zal ik zorgen dat er politie is, om hun een hartige ontvangst te bereiden!”
„Dat is een goed plan, mijnheer!” kwam Letchitsky. „Op die wijze zullen zij zeker in den val loopen”
„A-propos—is de bediende, die mij zooeven de deur opende, een babbelaar?”
„Als zoodanig heb ik hem niet leeren kennen, mijnheer. Waarom vraagt gij mij dat?”
„Omdat ik zoo onvoorzichtig ben geweest hem niet dadelijk te zeggen, dat hij in het bediendenvertrek volstrekt niet mocht reppen over mijn komst hier. Als dit aan Irma Stanilof ter oore komt, zou zij dadelijk haar gevolgtrekkingen maken en de vlucht nemen.”
Zonder iets te zeggen, trad de gezant op zijn bureau [20]toe, drukte op den schelknop, die aan de bovenzijde van het blad was bevestigd.
Even later trad een huisknecht het vertrek binnen.
„Laat Roadman dadelijk hier komen!” beval de gezant.
De knecht boog en ging heen.
Weer verliepen er eenige minuten en toen trad de bediende het vertrek binnen, die Raffles had ontvangen.
„Roadman,” begon zijn meester dadelijk, „heb je in het bediendenvertrek soms gezegd, dat er bezoek voor mij was? Antwoordt openhartig want het geldt een zaak van het grootste gewicht.”
„Ja, Excellentie,” antwoordde de man bedremmeld. „Dat deed ik, ik wist niet dat ik er kwaad mede deed.”
De gezant wilde driftig uitvaren maar Raffles trad met een kalmeerend gebaar tusschen beide en zeide:
„De man kon niet weten, om welke belangen het gaat, Excellentie. Er is waarschijnlijk nog niets verloren—al ben ik zelf dan ook zeer onhandig geweest.”
Hij wendde zich tot den bediende en vroeg:
„Waar is Miss Stanilof op dit oogenblik.”
„In haar kamer, mijnheer,” antwoordde de bediende, die volstrekt niet begreep, wat hij kon hebben misdaan.
„Breng mij er dadelijk heen—maar niet tot aan de deur—en loop vooral zacht,” hernam Raffles.
„Wat wilt gij doen?” vroeg de gezant op gedempten toon.
„Haar bespieden en onderzoeken of zij soms iets heeft opgevangen van mijn bezoek. Zoo ja, dan moeten wij natuurlijk aanstonds handelen, voor zij gelegenheid heeft gehad, haar medeplichtigen in te lichten. Het is mogelijk, dat zij van oordeel is, dat mijn bezoek een geheel andere reden heeft—dan het u bekende. Daarop mogen wij echter niet vertrouwen. Vooruit Roadman.”
De bediende keek zijn meester vragend aan, maar toen deze haastig knikte, opende hij de deur, en ging den bezoeker voor.
Zij bestegen drie trappen en op het portaal gekomen zeide de bediende zacht:
„Die derde deur aan uw linkerhand.”
Raffles wenkte hem, dat hij kon heengaan en sloop op zijn teenen over den looper, die de gang bedekte.
Hij bracht zijn oor voor het sleutelgat aan de derde deur en mompelde voor zich heen:
„Ik was er al bang voor, de jonge dame zit al met haar hoed op, en schrijft of haar leven er van af hangt. Een telegram waarschijnlijk of een kort briefje, dat de heeren Oostenrijkers moet waarschuwen, dat er een vuiltje aan de lucht is gekomen. Nu, wij zullen haar kalm laten doorschrijven—misschien heeft zij de knippen wel op de deur gedaan en dan krijgen wij een heele scène!”
Raffles bleek goed te hebben geraden, want een paar minuten later hoorde zijn scherp oor het terugschuiven van grendels, en daarop werd de deur op een kier geopend.
Een kleine hand lag op den deurknop en nu werd die hand gevangen in een veel grootere hand—en die niet meer los liet.
Irma slaakte een gedempten kreet en wilde de deur weder sluiten.
Maar het was te laat .…. Raffles had de deur met den voet verder opengedaan, en trok nu de spionne naar buiten, op de gang.
Zij hield de vrije hand op den rug en keek Raffles met van haat en woede fonkelende oogen aan.
„Wat moet dat beteekenen, mijnheer?” vroeg zij op sissenden toon. „Wij zijt gij, en wat wilt gij van mij?”
„Dat zult gij spoedig genoeg vernemen, schoone jonge dame,” antwoordde Raffles spottend. „Begin bijvoorbeeld maar eens, met mij het briefje te geven, dat gij daar achter uw rug verborgen houdt.”
Met een bliksemsnelle beweging had Irma het stukje papier naar den mond gebracht, maar Raffles was toch nog een klein weinigje vlugger en had haar het papier ontrukt voor zij het kon opkauwen.
„Een oude truc—die wel eens slaagt, als men haar tenminste met de noodige snelheid meent ten uitvoer te brengen,” zeide Raffles glimlachend, terwijl hij het briefje in den zak liet glijden. „En wees nu zoo goed, mede te gaan, want wij zullen wel het een of ander te bespreken hebben!”
En met zijn hand stevig om den pols van de gewaande gouvernante geklemd, daalde Raffles snel de trappen weder af, en trad het vertrek binnen, waar de gezant hem in spanning wachtte.
Zwijgend wees hij Irma een stoel en zwijgend gaf hij het papiertje aan den gezant, die het vlug doorlas en toen uitriep:
„Gij hadt wel gelijk, mijnheer. Die mooie feeks had haar medeplichtigen willen waarschuwen, dat er [21]misschien onweer aan de lucht was. Nu, wij zullen haar spoedig bewijzen, dat zij goed gezien heeft. Wij zullen haar nu toch dadelijk in arrest laten nemen mijnheer?”
„Zonder twijfel. Dan zullen we hedennacht de anderen zelf wel binnen laten.”
„Maar in ieder geval wil ik het document aanstond naar een veiliger plaats laten overbrengen,” riep de gezant uit. „Ik ben niet gerust, voor het mijn huis uit is.”
„Gij zijt natuurlijk wel overtuigd, dat het stuk nog altijd op dezelfde plaats is?” vroeg Raffles op zijn gewonen rustigen toon.
„Twee uur geleden heb ik mij daarvan nog overtuigd, mijnheer!” antwoordde de gezant. „Maar uw vraag heeft mij verontrust .….”
Hij trad haastig op de brandkast toe, haalde een bos sleutels uit zijn zak, opende de deur .….
Hij nam er de groote portefeuille uit, welke Raffles al eens meer had gezien, en opende ze.
En bijna op hetzelfde oogenblik gaf hij een luiden kreet, en bleef met een waanzinnige uitdrukking stokstijf naar de portefeuille zien.
„Wat is er, Excellentie?” vroeg Raffles verschrikt, terwijl hij op den gezant toetrad.
Letchitsky liet een dof gekreun hooren en viel op een stoel neer.
„Het verdrag is verdwenen!” klonk het steunend van zijn bevende lippen.