[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Wie is de dader?

Raffles slaakte een kreet van verbazing en woede.

Een oogenblik vergat hij de tegenwoordigheid van de spionne en Irma wilde dadelijk van de gelegenheid gebruik maken om te vluchten.

Zij stond op en vloog naar de deur.

Maar Raffles had spoedig zijn tegenwoordigheid van geest terug gekregen.

Met een paar sprongen was hij bij de deur, en juist toen de spionne haar openrukte, greep hij haar tamelijk onzacht bij den arm en trok haar terug.

„Blijf daar zitten en beweeg u niet, anders zou het uw berouwen,” zeide hij op bevelenden toon.

Hij sloot de deur met den sleutel en liet dien in zijn zak glijden.

Daarop snelde hij naar den gezant, die geheel verpletterd scheen te zijn door deze vreeselijke ontdekking, en zeide op dringenden toon:

„Ik smeek uwe Excellentie, kalm te blijven, en rustig alle mogelijkheden te overdenken. Misschien kunnen wij de daders nog wel ontdekken, voor het te laat is!”

„Zij, zij en niemand anders kan het gedaan hebben,” riep de gezant op wanhopigen toon, terwijl hij opsprong en met bevende hand op de vrouw wees, die met bleek gelaat en samengetrokken wenkbrauwen in een hoek zat.

„Neen, Excellentie—dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles. „Ik ben te zeker van mijn zaak. Laat mij het briefje eens lezen.”

Hij nam het papiertje van het tafelblad, en las de weinig regels vlug door.

„Gij ziet het!” riep hij uit. „Zij waarschuwt haar medeplichtigen, de onderneming nog wat uit te stellen, tot de lucht weder zuiver is. Dat zou geen zin hebben gehad, indien zij het document had gestolen. Maar om u dienaangaande zekerheid te verschaffen, kunnen [22]wij dadelijk haar kamer laten onderzoeken. Zij heeft immers het huis sedert vanmorgen niet verlaten?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde de gezant hijgend. „Dat zoudt gij den butler moeten vragen of mijn vrouw.”

„Later, Uwe Excellentie. Als het stuk werkelijk in haar koffer zou zitten, dan zullen wij het daar wel vinden—maar ik voor mij geloof dit geen oogenblik. Neen, het stuk moet door iemand anders zijn gestolen—maar door wien?”

Hij trad opnieuw op Letchitsky toe en vroeg:

„Weet gij hoe laat het precies was, toen gij het stuk voor het laatst in de portefeuille hebt gezien?”

„Het kan niet later dan negen uur geweest zijn.”

„Waart gij alleen, toen gij u overtuigdet, of het stuk er nog was?”

„Ja.”

„Waar was uw secretaris dan?”

„Die komt gewoonlijk pas om half tien—zoo ook vanmorgen.”

„Zijt gij voortdurend hier in het vertrek gebleven sedert dien?”

„Neen. Ik ben een paar maal in de kamer van mijn secretaris geweest, die hiernaast zit, en omstreeks kwart over negenen ben ik aan de telefoon geroepen.”

„Waarvoor?”

„O, het had niets te beteekenen—een afspraak met een vriend.”

„Hoe heet die vriend?”

„Stephen Mellow, een der beambte van het Ministerie van Schoone Kunsten. Maar acht gij het noodig, mijnheer, mij dit alles te vragen?”

„Indien ik dit niet deed, zou ik u die vragen niet stellen, Excellentie,” antwoordde de Raffles kortaf.

Met een paar stappen was hij bij de telefoon en had zich in verbinding gesteld met het genoemde Ministerie.

Hij sprak eenige oogenblikken, legde toen het toestel weder weg en zeide op ernstigen toon:

„Gij zijt in het geheel niet opgebeld door uw vriend Mellow, Excellentie! Hij kon dat niet doen, want hij is ongesteld, en op raad van zijn dokter gisteren naar een badplaats vertrokken .….”

„Dus .…. dan .…. dan ben ik bedrogen,” stiet de gezant op heeschen toon uit. „Wie heeft mij dan gesproken?”

„Dat is natuurlijk zeer moeilijk uit te maken, Excellentie. Hebt gij die stem misschien herkend?”

„Het leek mij de stem van Mellow, alleen en weinig omfloerst, als van iemand die verkouden is.”

„Hebt gij hedenmorgen bezoek gehad?”

„Alleen van Cedric Lonsdale.”

„Waar heb gij hem ontvangen?”

„Hier in dit vertrek.”

„Zijt gij steeds in elkanders gezelschap gebleven?”

„Op enkele oogenblikken na—dat was, toen ik mijn secretaris iets moest vragen.”

„In verband zeker met de komst van Lonsdale?”

„Ja, het betrof een dienstzaak, Lonsdale is gezantschapsattaché.”

„Dat weet ik, had zijn komst een gewichtige reden?”

„In het geheel niet. Wat hij wilde weten, had hij evengoed schriftelijk kunnen vragen.”

„Hoe lang duurde uw gesprek met den secretaris?”

„Hoogstens vijftien seconden. Misschien een halve minuut, maar zeker niet langer.”

„Was de deur van uw brandkast gesloten, toen gij het bezoek van Lonsdale ontvingt?”

De gezant greep zich naar het hoofd en stamelde:

„Ik .…. ik weet het niet zeker. Het is wel mogelijk, dat de sleutels er op staken. Ik heb mij overwerkt in den laatsten tijd en ben een weinig vergeetachtig geworden.”

„Gij zijt dus bij uw secretaris geweest, en keerdet toen terug in het vertrek waar Lonsdale u wachtte. Hebt gij toen volstrekt niets bijzonders aan hem opgemerkt?”

In plaats van te antwoorden, liet de gezant zich met het hoofd voorover op de tafel vallen, als overweldigd door wanhoop.

„Welnu, Excellentie?” drong Raffles aan.

„Ik kan u op die vraag geen antwoord geven, mijnheer!” riep Letchitsky uit. „Toen ik weder binnentrad—was Lonsdale er niet meer”

„Wat?” riep Raffles in de hoogste verbazing. „Hij had dus niet eens afgewacht, wat gij hem zoudt antwoorden op zijn vraag?”

„Neen, ik zeg u, dat hij was heengegaan. O, het is vreeselijk. En ik had zoo vurig gehoopt, dat mijn dochter .…. maar dat zijn dingen, welke met de zaak zelve niets te maken hebben,” voegde hij er haastig aan toe.

„Ik denk er ook niet aan in uw familieomstandigheden door te dringen, Excellentie,” hernam Raffles. „Maar ik zou u nog gaarne enkele vragen willen stellen, welker beantwoording van groot gewicht kunnen zijn.” [23]

„Ga uw gang, mijnheer.”

„Hebt gij u in het geheel niet verwonderd, dat Lonsdale zoo eensklaps verdwenen was?”

„Natuurlijk wel, maar ik had zeer veel te doen en daarom ging het mij al spoedig door het hoofd.”

„Kunt gij u herinneren, of gij de sleutels op de kast vondt, toen hij reeds vertrokken was?”

„Ik weet alleen zeker dat ik ze om tien uur uit mijn zak moest halen, toen ik iets in de kast te zoeken had. De portefeuille lag toen juist op de plek, waar ik haar den dag tevoren had neergelegd.”

„Weet uw secretaris iets van den inhoud van het Verdrag?”

„Neen, hij weet alleen, dat het bestaat.”

„Zou ik hem even een paar vragen mogen stellen?”

„Zeker! Doe alles wat ge denkt, dat geschieden moet. Dat stuk moet tot iederen prijs aan de handen van de spionnen worden ontrukt.”

Raffles was reeds op de tusschendeur toegetreden, die met groen laken was bekleed, en opende ze.

„Mijnheer Limanof!” zeide hij. „Zoudt ge zoo goed willen zijn een oogenblik hier te komen?”

Een paar tellen later trad de secretaris binnen, een breed gebouwd, krachtig gespierd man met een intelligent gelaat, dat duidelijk zijn Zuid-Russische afkomst verried.

Hij bleef stilstaan en keek verbaasd in het rond, tot zijn blikken gevestigd bleven op de vrouw in den hoek.

„Mijnheer Limanof,” begon Raffles. „Zijne Excellentie heeft mij verlof gegeven, u een paar vragen te stellen. Ik ben particulier detective. Er heeft hier een zeer ernstig misdrijf plaats gegrepen—het Verdrag tusschen Engeland en de Oekraïne is hedenmorgen uit deze brandkast gestolen!”

De secretaris verschrok hevig en riep uit:

„Mijn God—hoe is dat mogelijk?”

„Dat willen wij juist trachten te onderzoeken,” antwoordde Raffles kalm. „Zeg mij eens—hoe laat zijt gij hedenochtend gekomen?”

„Omstreeks kwart over negenen. Ik was vroeg, want wij hadden het bijzonder druk.”

„Zijne Excellentie is een paar malen bij u geweest om u iets te vragen, nietwaar?”

„Ja, twee keeren.”

„Hebt gij uw vertrek soms verlaten, sedert gij gekomen zijt?”

„Geen enkele maal!”

„Gij waart het zeker, die de telefonische boodschap voor Zijne Excellentie hebt opgenomen?”

„Welke bedoelt gij, mijnheer? Ik heb vanmorgen minstens tien telefoongesprekken moeten voeren uit naam van Zijne Excellentie.”

„Ik bedoel de boodschap van mijnheer Mellow.”

„Daar weet ik niets van,” antwoordde de secretaris verwonderd.

Raffles wierp den gezant een veelzeggenden blik toe, en hernam:

„Dan hebt gij dus het vertrek moeten verlaten, om door de telefoon met den persoon te spreken, die u had opgebeld!”

„Dat is ook zoo, mijnheer!” zeide Letchitsky. „Wij hebben natuurlijk een afzonderlijke telefoon voor onze particuliere gesprekken.”

„Wie kwam u zeggen, dat er iemand voor u aan het toestel was?”

„Roadman.”

„Waar hangt het toestel ergens?”

„Het toestel bevindt zich in de vestibule. Daar is natuurlijk altijd wel een van de bedienden, die dan even luistert en ons komt waarschuwen. Het gebeurt echter zelden, dat men mij op die wijze opbelt.”

„Hoe lang denkt gij dat gij zijt weggeweest.”

„Een minuut of vijf.”

„En gij zegt, dat het omstreeks kwart over negenen gebeurde?”

„Ja, het kan onmogelijk veel later zijn geweest.”

„Ik zou nu gaarne den butler eenige vragen willen stellen, Excellentie.”

Zonder iets te zeggen, ging de gezant naar zijn schrijftafel en drukte tweemaal op de schel.

Een oogenblik later trad Roadman binnen, die verbaasd en verlegen bleef staan toen hij de zwijgende groep ontwaarde, de gouvernante met bleek gelaat in een hoek.

„Roadman,” begon de gezant, „antwoordt dezen heer naar waarheid en duidelijk op alle vragen, die hij je zal stellen.”

„Om u te dienen, Excellentie,” zeide de butler.

„Hoe laat was het ongeveer,” begon Raffles, zich tot den butler wendend, „toen gij hedenmorgen de telefoon in de vestibule hoordet overgaan, en de boodschap voor zijn Excellentie aannaamt?”

„Het zal een uur of negen geweest zijn.”

„Wie was er aan het toestel?”

„Mijnheer Mellow.” [24]

„Hebt gij zijn stem herkend?”

„Hij sprak zacht en een weinig schor, ik meende dat hij heesch was.”

„Gij zijt toen dadelijk Zijne Excellentie gaan halen?”

„Ja. Ik wist, dat mijn meester het zeer druk had, en daarom vroeg ik, of ik de boodschap niet kon aannemen, maar mijnheer Mellow zeide dat het een zaak van groot gewicht betrof.”

„Kan men met die telefoon ook hier in huis spreken?

„Zeker! Dan heeft men niets anders te doen, dan even om te schakelen. Er zijn in bijna alle groote vertrekken telefoontoestellen, in het boudoir van Miss Sonja, in de kamer van mevrouw, in de biljartzaal, en in nog andere kamers. Zij dienen om mij overal in het huis dadelijk te kunnen bereiken, zonder mij eerst binnen te roepen.”

„Dus—men heeft bijvoorbeeld die boodschap voor Zijne Excellentie hier in huis kunnen geven?”

„Zeker— —maar— — —”

„Geef alleen maar antwoord op mijn vragen, goede vriend,” hernam Raffles. „Hoe lang denkt gij dat Zijne Excellentie aan het toestel is geweest?”

„Ik vermoed een minuut of vijf.”

„Ik dank u. Ga nog niet heen—misschien heb ik nog wat te vragen.”

Raffles wendde zich nu opnieuw tot Limanof en vroeg:

„Kunt gij u wellicht herinneren, of gij omstreeks kwart over negenen, dus op het tijdstip, waarop Zijne Excellentie zijn eigen vertrek had verlaten, hier eenig gerucht hebt gehoord?”

De secretaris dacht even na, en antwoordde toen haastig en opgewonden:

„Ik meen zeker te weten, dat ik, even nadat ik was gekomen, met sleutels heb hooren rammelen. Het was heel zacht, en ik dacht natuurlijk niet anders of Zijne Excellentie opende zijn brandkast of zijn schrijfbureau.”

„En ik weet nu heel zeker, dat ik de kast heb geopend, voor ik u hoorde binnen komen, en dat ik mijn sleutels niet meer heb aangeraakt, voor ik ze omstreeks kwart voor tienen van mijn bureau nam, om ze in mijn zak te steken,” riep de gezant uit, terwijl hij zich met zijn zakdoek over het voorhoofd wischte.

„Dus dan hadt gij de sleutels niet bij u, toen gij naar beneden gingt, om met Mellow te spreken?” vroeg Raffles levendig.

„Neen. Ik weet het nu zeker. Ik had ze uit de kast genomen, en ze op het blad van mijn schrijfbureau gelegd,” antwoordde de gezant.

„Nu, dan lijkt me de zaak tamelijk eenvoudig,” hernam Raffles op ernstigen toon.

„Zeer eenvoudig,” hernam de gezant op bitteren toon. „Lonsdale is de schuldige. Met hulp van een medeplichtige heeft hij mij uit mijn kamer gelokt, en toen het Verdrag gestolen!” [25]