[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Op onderzoek uit.

Een oogenblik heerschte er een drukkend stilzwijgen in het vertrek.

Raffles was de eerste, die het weder verbrak.

„Ik moet erkennen, dat er een zware verdenking op hem moet rusten, Excellentie,” zeide hij. „Maar, als hij het werkelijk gedaan heeft, en wel met de hulp van iemand anders, dan moet hij ook hier in dit vertrek zijn geweest op het oogenblik dat gij aan de telefoon werd geroepen. Is dat zoo?”

„Neen, hij kwam later. Maar dat beteekent niets. De man die mij aan de telefoon riep, kan wel een weinig te vroeg zijn geweest, en Lonsdale heeft toen zijn kans waargenomen, toen ik mij naar het vertrek van mijn secretaris begaf.”

„Dat is natuurlijk niet uitgesloten, maar wie was dan zijn medeplichtige hier in huis?”

„Wie kan dat zeggen?” riep de gezant uit. „Misschien wel een van de bedienden.”

„Kunt gij een reden bedenken waarom Lonsdale het Verdrag zou hebben gestolen?”

„Een reden? Waarom steelt men dergelijke stukken? Om er een paar millioen voor te vragen aan den staat, die er het meeste belang bij heeft, kennis te nemen van den inhoud. En bovendien deed hij het misschien om zich te wreken, omdat ik hem niet dadelijk de hand mijner dochter schonk!”

„Nu, dat laatste lijkt mij niet erg waarschijnlijk” hernam Raffles. „Maar zeg mij eens—hoe kon Lonsdale weten, dat het Verdrag bestond?

„Dat is meer dan ik u zeggen kan,” antwoordde de gezant. „Maar dat zullen wij uit zijn eigen mond wel hooren, als hij eenmaal gearresteerd is. Tenminste als het daartoe al niet te laat is. Laten wij geen tijd verliezen mijnheer, maar dadelijk alles in het werk stellen wat er noodig is, om hem te achterhalen—hem en vooral het document.”

„Natuurlijk, Excellentie—ik moet bekennen, al is het tegen mijn zin, dat alle aanwijzingen tegen den jongen man zijn—de onbetekenende reden van zijn bezoek, het vroegere uur daarvan, zijn plotselinge verdwijning, het gerammel van uw sleutel. En ik moet u zeggen—ik ken den jongen Lonsdale een weinig en nooit zou ik hem tot zoo iets dergelijks in staat hebben geacht. Hij heeft in de laatste jaren van den oorlog dapper meegestreden, hij is niet onbemiddeld, hij had een prachtige toekomst voor zich en tenslotte had hij uw dochter lief. Het wil er nog niet goed bij mij in, dat de jonge man aan dat alles met een enkelen slag een einde zou hebben gemaakt.”

„Het komt mij zelf raadselachtig voor, mijnheer,” mompelde Letchitsky, „en toch is het de eenige oplossing. Er is niemand anders geweest—hij moet het dus wel gedaan hebben!”

„Is er inderdaad niemand anders geweest?” vroeg Raffles, terwijl hij zich opnieuw tot den butler wendde.

„Voor zoover ik weet, alleen mijnheer Lonsdale,” antwoordde Roadman.

„Doet gij steeds de deur open?”

„Neen, dat is het werk van den huisknecht.”

„Wees zoo goed, dien man aanstonds eens hier te roepen!”

„Maar als Dickson nu zelf in het complot is geweest?” riep de gezant met gesmoorde stem.

„Als dat het geval is, dan zullen wij hem wel niet meer in huis aantreffen,” zeide Raffles schouderophalend. „Hij zou zich dan wel gehaast hebben, eveneens de vlucht te nemen.”

Hij liet zijn blikken weder door het venster dwalen en vroeg op een tweede deur wijzend: [26]

„Waar voert die deur heen?”

„Naar de Archiefkamer, mijnheer.”

„Ik zou die gaarne willen bezichtigen,” hernam Raffles. „Maar eerst zullen wij die vrouw daarginds even onschadelijk maken!”

Raffles stak de hand in den zak, trad snel op haar toe—er klonk een geluid van rammelend metaal en het volgend oogenblik waren de polsen van de spionne in de stalen boeien gevat.

„Let goed op haar,” zoo wendde hij zich tot den secretaris, die nog altijd niet bekomen was van den schrik.

„O, gij kunt u op mij verlaten!” bromde Limanof tusschen de tanden.

Raffles wendde zich nu naar de deur van het zijvertrek en trad er binnen.

Langs de vier wanden stonden loketkasten en in het midden van het vertrek bevond zich een groote tafel, bedekt met portefeuilles en verzamelmappen.

Aan den wand hing een telefoontoestel.

Raffles trad er op toe en zag dat het eenige stopcontacten had, waardoor men aansluiting bij de huistelefoon kon verkrijgen.

Een nummerbord duidde de verschillende vertrekken aan.

„Die deur leidt zeker naar de gang?” zoo wendde hij zich tot Roadman, die hem was gevolgd.

„Ja mijnheer, naar een zijgang tenminste,” antwoordde de butler.

„Is die deur gesloten?”

„Zelden, alleen maar als hier iets belangrijks moet geschieden. Dan heeft Zijne Excellentie natuurlijk liever niet, dat hij en zijn secretaris worden lastig gevallen.”

Raffles was reeds op de deur toegetreden en had haar geopend.

„Vandaag was de deur dan in ieder geval niet gesloten?” vroeg hij den gezant, die nu ook was binnengetreden.

„Neen, mijnheer, ik heb haar zelf geopend, dadelijk, nadat ik mijn werkvertrek was binnengegaan.”

Raffles wierp een blik in de gang, die een eind verder een rechten hoek maakte, waar zij uitkwam op de hoofdgang en wendde toen het hoofd naar de andere zijde.

„Ik zie daar het begin van een smalle trap,” zeide hij. „Waar leidt die heen?”

„Naar de achterzijde van het huis, mijnheer, het is een diensttrap, en zij wordt alleen door het personeel gebruikt.”

„Wij zullen het eens onderzoeken,” zeide Raffles.

Hij liep haastig op de trap toe, daalde haar af en bereikte gelijkvloersch een kleine, met stoepsteenen bevloerde vestibule, die met een glazen deur op den tuin uitkwam.

Raffles draaide aan den knop van de deur—zij ging aanstonds open.

Hij stond in gedachten even stil en zeide toen:

„Des nachts is deze deur natuurlijk gesloten?”

„Ja, en dan komt er het stevige luik voor, dat gij daar in den hoek ziet staan,” antwoordde Roadman op een luik van plaatijzer wijzend, dat aan sterke haken aan de deur kon worden gehangen.

„Wie opent die deur ’s morgens?”

„Dat doe ik altijd mijnheer.”

„Gij hebt er dus een sleutel van?”

„Ik heb er een en natuurlijk Mevrouw Letchitsky.”

„Hoe laat gebeurt dat meestal?”

„Nooit later dan acht uur.”

Raffles was naar buiten getreden en keek aandachtig om zich heen, terwijl de gezant vol spanning was blijven staan.

Maar eensklaps bukte zich Raffles, na een paar stappen terzijde te hebben gedaan en raapte iets op, hetwelk hij nauwkeurig bekeek.

„Rookt mijnheer Lonsdale sigaretten?” vroeg hij toen.

„Ja,” antwoordde de gezant.

„Kunt gij mij ook zeggen welk merk?”

„Dat heeft Sonja mij wel eens verteld, hij rookt nimmer anders dan Egyptische sigaretten. Maar waarom vraagt gij mij dat?”

„Omdat ik hier een eindje sigaret vind, een paar centimeter lang, dat in het gras is geworpen, en zeker slechts weinige uren geleden, want het is volkomen droog en het heeft gisteravond tot bijna twee uur in den nacht hard geregend. De zon heeft echter tijd gehad om het gras te doen drogen, en daarom kan dat eindje sigaret hier niet langer dan eenige uren liggen.”

„Die redeneering is volkomen juist, mijnheer!” riep de gezant opgewonden uit. [27]

„Dit is echter geen Egyptische sigaret, Excellentie. Er zijn nog een paar gouden lettertjes op zichtbaar, namelijk … sma. Ik vermoed dus, dat deze sigaret een „Clysma” is geweest, dat wil zeggen, een sigaret van Inlandsch maaksel”

„Die zou mijnheer Lonsdale zeker nooit gerookt hebben!” riep Roadman uit. „Dat weet ik het beste, als ik op partijen sigaretten aan de heeren moest presenteeren!”

Raffles had intusschen het stukje sigaret zorgvuldig in een blaadje papier gewikkeld en het vervolgens in zijn portefeuille geborgen.

Hij liep nu langzaam het grintpad langs, dat van deze tuindeur af zich door den grooten tuin kronkelde en ook langs de kleine tuindeur liep, waar Charly een paar dagen tevoren wacht had gehouden.

Roadman en de gezant waren hem op de hielen gevolgd, zonder een woord te spreken.

„Deze deur is natuurlijk steeds gesloten?” vroeg Raffles op gedempten toon, terwijl hij bij den muur stil stond en op de kleine, stevige deur wees.

„Ik kan mij niet herinneren, mijnheer, dat die deur ooit is open geweest,” antwoordde Roadman, „en ik ben toch geruimen tijd in dienst van Zijne Excellentie.”

„Waar komen dan de bedienden van de winkeliers hun bestellingen afgeven?”

„Aan den anderen kant van den tuin, aan het groote hek.”

„Zou daar iemand kunnen passeeren en zich naar de kleine deur aan den achterkant van het huis begeven, zonder dat het werd opgemerkt?”

„Dat is geheel onmogelijk mijnheer, want daarvoor zou hij het hek moeten passeeren en vervolgens langs den geheelen achtergevel van het huis loopen, langs het bediendenvertrek met zijn drie vensters, de keuken, die er evenveel heeft en de bijkeuken. En daar is natuurlijk altijd wel iemand aanwezig in een van die drie vertrekken.”

Raffles greep de kruk van de deur—en hij kon haar met het grootste gemak openen.

De gezant slaakte een kreet van verwondering en schrik en Roadman stond met open mond toe te kijken, maar Raffles zeide glimlachend:

„Zooals gij ziet is deze deur van haar gewoonte afgeweken, zij is open!”

„Maar hoe komt dat?” riep Roadman verbaasd uit.

„De oorzaak ligt niet diep, goede vriend, iemand heeft den sleutel in het slot omgedraaid,” antwoordde Raffles. „Zie maar, daar zijn nog sporen van olie te zien aan het roestige slot. Het is nu zoo klaar als de dag. De man, die hier vanmorgen kwam, met zijn Clysma in den mond, opende de deur met een valschen sleutel, liep snel langs het tuinpad, dat wij zooeven zijn afgekomen en dat door struikgewas is omgeven, bereikte ongezien de achterdeur, wierp daar zijn half opgerookte sigaret in het gras, trad binnen, ging vlug de diensttrap op, schreed door de zijgang en ging de archiefkamer binnen.”

„Maar dan moet het iemand geweest zijn, die zeer goed op de hoogte was van de inrichting van mijn huis!” riep Letchitsky uit.

„Niemand belet ons, om dat aan te nemen, Excellentie,” zeide Raffles bedaard. „In de archiefkamer schakelde hij het telefoontoestel om en liet u met veranderde stem aan het toestel komen. Zoodra hij u had hooren vertrekken om naar de vestibule te gaan, trad hij binnen en maakte zich van het document meester. Het spreekt dus vanzelf, dat hij het bestaan er van moet hebben gekend. Zoodra hij het in zijn bezit had, ging hij langs denzelfden weg weder terug.”

„Ja, zoo moet het gegaan zijn,” riep de gezant opgewonden uit. „Maar wie was die man?”

„Dat is het eenige wat er valt op te lossen, Excellentie—ik erken, dat het tevens het moeilijkste is,” zeide Raffles glimlachend. „Wij hebben echter eenige punten van aanknooping—onze man rookt Clysma sigaretten, hij is een goede bekende hier in huis, hij moet relaties hebben in de diplomatieke wereld—en in ieder geval moet hij een man zijn, die voor geen gevaren terugdeinst.”

„Maar als Lonsdale het niet deed, waarom vertrok hij dan toch zoo plotseling!” riep de gezant uit.

„Dat weet ik niet Excellentie—maar wij doen het best, als wij het hem zelf vragen. Laat ons maar weder het huis binnengaan, dan kunnen wij hem opbellen, want het zou mij niets verwonderen als hij thuis was.”

De drie mannen aanvaardden den terugweg weder en in het werkvertrek van den gezant, waar Irma [28]nog altijd bleek en zwijgend in haar hoek zat, door den secretaris bewaakt, nam Letchitsky het telefoontoestel ter hand en liet zich in verbinding brengen met Cedric Lonsdale.

Maar niet de jonge man zelf antwoordde hem, het was zijn huisknecht, die aan toestel was en die een mededeeling deed, niet geschikt om de onschuld van den jongen man te helpen bevestigen.

Cedric Lonsdale was dien morgen omstreeks half negen het huis uitgegaan, en hij was nog niet teruggekeerd, ofschoon hij gezegd had, dat hij bepaald thuis zou komen lunchen. Hij had zelfs een afspraak gehad met een vriend, dien hij had uitgenoodigd, maar deze was onverrichterzake weder vertrokken, na bijna een half uur te hebben gewacht.