[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

Een onverwachte oplossing.

Dat was zeker een noodlottige omstandigheid, die niet in het voordeel sprak van Lonsdale.

Ook Raffles moest dit toegeven.

Waarom had de jonge man niet aan zijn afspraak gevolg gegeven?

Op zichzelf beschouwd, was dit misschien van weinig beteekenis, maar als men het in verband bracht met zijn plotselinge verdwijning uit het vertrek van den gezant, dan had het wel degelijk iets te beteekenen.

Raffles dacht ingespannen na en riep plotseling uit:

„Zoudt gij mij willen toestaan, Excellentie, mejuffrouw uw dochter eenige vragen te stellen, desnoods alleen in uw tegenwoordigheid?”

„Wanneer gij dat volstrekt noodzakelijk acht,” antwoordde de gezant, „dan zal ik haar laten roepen. Maar ik kan mij niet goed voorstellen, wat zij met deze zaak uitstaande kan hebben”

„Met de zaak zelve niets, Excellentie, maar zij heeft Lonsdale lief,” liet hij er op zachten toon op volgen, „zij weet misschien meer van hem, dan wij op dit oogenblik, misschien voldoende, om hem te kunnen redden.”

„Wees dan zoo goed, mij even te volgen, mijnheer.”

De gezant en Raffles verlieten het vertrek en begaven zich haastig door een aantal gangen naar een fraai boudoir, waar Sonja juist gereed stond uit te gaan, want zij was voor den spiegel bezig haar hoed op te zetten.

Zij wendde eenigzins verbaasd het hoofd om, toen de twee mannen binnentraden, maar Raffles begon aanstonds:

„Ik vraag u duizendmaal verschooning, Miss, dat ik u even kom lastig vallen. Ik ben particulier detective. Er is iets zeer ernstigs geschied met een document, dat zich in de brandkast van uw vader bevond en ik hecht zeer veel aan uw antwoord op een paar [29]vragen, welke ik met toestemming van mijnheer uw vader zou willen stellen.”

Het meisje had verschrikt haar handen gevouwen en keek haar vader vragend aan.

„Antwoord dezen heer, kind,” zeide Letchitsky. „Ik geloof, dat hij een schrander man is—hij heeft reeds veel ontdekt.”

„Vraag dan, mijnheer,” zeide het meisje.

Raffles keek haar onderzoekend aan en stelde toen, als het ware à bout portant de vraag:

„Hebt gij mijnheer Cedric Lonsdale vanmorgen gesproken, Miss?”

Het meisje kleurde hevig, wierp toen een schuwen blik op haar vader en scheen te aarzelen.

„Antwoord mijnheer naar waarheid, Sonja,” zeide haar vader op vasten toon. „Ik had je weliswaar verboden den jongen Lonsdale nogmaals te ontmoeten, voor ik daartoe mijn toestemming had gegeven, maar—de zaak is van te groot gewicht en als je ongehoorzaam bent geweest, dan zal ik je dat vergeven.”

„Ik heb Cedric vanmorgen gesproken vader—maar werkelijk het was louter toeval en het heeft zeker niet langer dan een paar minuten geduurd.”

„Deel het mij mede Miss, wat ik u verzoeken mag,” drong Raffles aan.

„Ik ging vanmorgen naar het vertrek van Papa om hem iets te vragen en toen ik de deur opende zag ik alleen Cedric .…. mijnheer Lonsdale zitten. Toen viel mij in, wat Papa gezegd had en ik deed haastig de deur weer dicht, ofschoon het mij moeite genoeg kostte, dat moogt gij gerust gelooven,” voegde zij er met een droevig glimlachje aan toe, „maar hij had mij al gezien, sprong op, rukte de deur open en haalde mij op de gang in, toen ik vluchtte.”

„Bijzonderheden verlang ik niet te weten Miss,” zeide Raffles glimlachend, want het meisje bloosde opnieuw en scheen zeer verlegen te zijn. „Gij moet mij alleen maar zeggen, hoe lang dit voor u zoo belangwekkende gesprek heeft geduurd.”

„Ik zeide het u al, niet langer dan hoogstens een paar minuten, mijnheer. Toen meende ik voetstappen te hooren, ik rukte mij los en snelde weg.”

„En Lonsdale, wat deed mijnheer Lonsdale?”

„Dien zag ik het vertrek van Papa weder binnengaan.”

„Gij weet niet, van wien die voetstappen afkomstig waren, die zoo ontijdig een einde maakten aan uw onderhoud?” vroeg Raffles verder.

„Ik durf het niet zeker te zeggen—maar ik geloof dat het de voetstappen van Papa waren.”

„Ik behoef niets verder te doen Miss, dan u dank te zeggen voor uw bereidwilligheid en de duidelijkheid, waarmede gij op mijn onbescheiden vragen hebt geantwoord,” zeide Raffles met een buiging.

„Maar wilt gij mij niet zeggen, wat er met Cedric is Papa?” vroeg het meisje op vleienden toon, terwijl zij zich tot den gezant wendde.

Deze keek Raffles met een vragenden blik aan, maar toen de gewaande detective krachtig ontkennend het hoofd schudde, antwoordde hij:

„Het heeft niets te beteekenen, meisje, wij meenden dat Cedric Lonsdale ons misschien van nut zou kunnen zijn bij het opsporen van .….. den dader van het misdrijf, dat hier in huis gepleegd is. En vraag nu niet verder, later zul je alles wel te hooren krijgen.”

En voor het jonge meisje nog iets had kunnen vragen, hadden de beide mannen het vertrek reeds verlaten.

En terwijl zij zich weder naar het werkvertrek van den gezant begaven, begon Letchitsky:

„De zaak wordt er voor mij niet duidelijker op. Het verdwijnen van Lonsdale zou verklaard zijn als hij mijn dochter gesproken had, maar zij heeft zelf gezegd, dat hij daarna mijn vertrek weder is binnengetreden. Hoe komt het dan, dat ik hem daar niet meer heb aangetroffen?”

„Gij raakt daar het kardinale punt aan,” gaf Raffles ten antwoord. „Daarin schuilt het geheele geheim. Ik voor mij ben zeker, dat het natuurlijk niet uw voetstappen zijn geweest, die uw dochter gehoord heeft, want gij waart, toen Lonsdale alleen zat, bij uw secretaris. Toen Lonsdale weder binnentrad, moet hij iets gezien hebben in uw werkvertrek, dat hem dwong dit onmiddellijk weder te verlaten.”

„Maar wat kan dat dan wel geweest zijn?”

„Wat kan het anders geweest zijn, Excellentie, dan dat hij den dief op heeterdaad betrapte?”

De gezant stond midden op de trap stil en keek Raffles met groote oogen aan.

„Maar als dat zoo is, waarom heeft hij dan niet dadelijk alarm gemaakt?” barstte hij uit.

„Een jonge krachtige man begint niet om hulp te schreeuwen, Excellentie, maar hij doet heel wat beters, hij vliegt op den dader aan en tracht hem het [30]gestolen stuk weder afhandig te maken. Ik denk echter, dat Lonsdale juist den dief met het stuk onder den arm door de zijdeur zag vluchten en hem toen dadelijk is achterna gerend.”

„Maar dat alles zijn veronderstellingen, mijnheer,” riep de gezant uit. „En bovendien, dit alles klopt toch volstrekt niet met de theorie, dat de dief mij door middel van de telefoon uit mijn vertrek heeft gelokt?”

„Op het eerste gezicht niet, Excellentie, maar wie kan zeggen, waardoor de dief in zijn opzet gestoord werd? Hij kon misschien niet aanstonds de sleutels vinden, hij kon misschien de kast niet spoedig genoeg openen, hij hoorde misschien gerucht in de kamer van den secretaris—wellicht zijt gij te spoedig terug gekomen, kortom, er kan wel iets gebeurd zijn, dat hem dwong weder naar de archiefkamer te vluchten en daar een betere kans af te wachten. Maar nu hebben wij genoeg over de zaak getheoretiseerd, Excellentie, het woord moet nu aan de praktijk zijn.”

Raffles zeide dit laatste, toen de twee mannen reeds weder in het werkvertrek van den gezant stonden.

Plotseling scheen hem iets in te vallen.

Hij nam zijn hoed en snelde het vertrek uit, voor iemand hem iets kon vragen.

Hij ging weder de diensttrap af, ijlde door den tuin, snelde naar de tuindeur en opende haar.

Hij bevond zich in een tamelijk stille zijstraat en aan den overkant waren eenige winkels, waar niet veel om scheen te gaan en een paar deftige woonhuizen.

Met onuitputtelijk geduld begon Raffles een voor een de huizen tegenover de tuinpoort te bezoeken en het dienstpersoneel te ondervragen en na een half uur wist hij wat hij wilde weten: twee winkelbedienden konden hem een duidelijke beschrijving geven van den persoon, die dien morgen om negen uur met een huurauto was komen aanrijden en de tuinpoort met een sleutel had geopend, zoodat zij niet anders dachten of hij had het volste recht om daar binnen te gaan.

En toen Raffles deze beschrijving had gehoord, slaakte hij een kreet van zegepraal en vreugde: De beide winkelbedienden hadden daar trek voor trek Edgar Macpherson beschreven.

Zijn grootte, zijn gelaatskleur, zijn oogen, zijn kleederen, de sigaret in zijn mond—alles klopte.

Raffles drukte den beiden jongelieden ieder een goudstuk in de hand, wat hun wel een weinig verraste en ijlde weder de trap op en naar het vertrek van den gezant.

Hij nam hem terzijde en fluisterde:

„Ik weet wie de dader is, Excellentie. Het is uw neef Edgar Macpherson. Hij heeft gehandeld uit wraak over de afwijzing van Miss Sonja en ook misschien wel, omdat het met zijn geldelijke omstandigheden zeer treurig gesteld is. Neen, vraag mij nu niet verder niets, ik heb nu geen oogenblik meer te verliezen. Houd deze vrouw hier nog eenige uren vast, totdat ik u bericht zal hebben gezonden.”

En na een diepe buiging te hebben gemaakt, was Raffles het vertrek uitgesneld.

Het eerste wat hij deed, was zich van de hulp van Henderson en Charly Brand te verzekeren.

Zijn beide trouwe metgezellen werden met eenige woorden op de hoogte gesteld en in de snelste auto, die ter beschikking was, reden de drie mannen, nu allen goed vermomd, naar het huis van Macpherson, waar zij een half uur later aankwamen.

Terwijl Henderson achter het stuurwiel bleef zitten, stapten Raffles en Charly uit en gingen het huis binnen.

De portier trad hen tegemoet en vroeg, wat zij wenschten.

„Is mijnheer Macpherson thuis?” vroeg Raffles.

„Mijnheer is vanmorgen vroeg de deur uitgegaan en hij is nog niet teruggekeerd,” antwoordde de man.

„Wijs ons zijn kamer, wij zijn detectives.”

De verschrikte man ging hun voor naar een paar weelderig gemeubelde vertrekken, die beide gesloten waren, maar waarvan Raffles de deuren in een oogwenk met zijn looper had geopend.

Raffles nam het eene vertrek voor zijn rekening en Charly het andere, en reeds na eenige minuten hoorde de Groote Onbekende een luiden kreet slaken.

Even later trad de jongeman binnen met een portret in zijn handen, hetwelk hij Raffles ter hand stelde.

„Irma Stanilof,” riep Raffles in de grootste verbazing uit.

Hij draaide het portret om en vervolgde:

„En wat er achterop geschreven staat, laat aan duidelijkheid niets te wenschen over. Wel, wel, dat is een onverwachte vondst. Dat lieve kind was dus de minnares van onzen vriend Macpherson. Op die [31]wijze zou het ook verklaard worden, hoe hij wist, dat zich het geheime Verdrag met de Oekraïne in de brandkast van zijn oom bevond. Zijn minnares heeft hem dit waarschijnlijk medegedeeld, in de vaste overtuiging, dat het geheim bij hem veilig zou zijn.”

„Maar kan zij dan niet in het complot zijn geweest?”

„Neen, daarvan ben ik overtuigd. Hij heeft dit geheel alleen gedaan—hij is haar en haar kornuiten eenvoudig voor geweest en ik denk ook wel, dat hij volstrekt niets afwist van haar voornemen, om zich van het document meester te maken. Laten wij eens verder zoeken—misschien ontdekken wij wel de plek, waar hij het document kan hebben heengebracht.”

De beide mannen hervatten hun onderzoek, snuffelden in het groote schrijfbureau, maar zij konden volstrekt niets ontdekken.

„Maar voor den drommel, waar heeft hij het gestolen stuk dan toch heengebracht?” riep Charly woedend uit.

„Misschien is hij er dadelijk mee haar het buitenland vertrokken,” meende Raffles. „Hij heeft natuurlijk wel geen pas en dat zou groote moeilijkheden kunnen opleveren, maar misschien ziet hij kans het land tersluiks te verlaten.”

„Maar dan kunnen wij onze nasporingen evengoed opgeven, Edward, dan tasten wij volkomen in het duister.”

Raffles balde de vuisten, hij moest de juistheid van deze opmerking wel erkennen, hoezeer ook tegen zijn zin.

Tenslotte gaven de beide mannen hun pogingen op om hier iets te ontdekken en verlieten het huis weder.

„Wij zullen nog eens naar het huis van den Oekraïnischen gezant gaan,” zeide Raffles. „Misschien laat die mooie feeks wel iets los. Ik kan het echter alleen wel af—wacht mij maar in het wijnhuis aan den overkant.”

En zoo stond Raffles een half uur later weder tegenover den gezant en deelde hem het resultaat, of liever het gemis daarvan van zijn onderzoekingen mede.

„Maar er moet iets gedaan worden,” riep Letchitsky uit. „Die man moet achterhaald worden. Al was hij mijn broeder—ja mijn zoon—het document gaat voor alles.”

Op dit oogenblik werd de deur opengeworpen en er trad een man binnen, die niet dadelijk te herkennen was, want zijn gelaat was bebloed, zijn kleederen waren gescheurd en over zijn eene wang liep een felle roode schram.

Deze man wierp een groote enveloppe voor den gezant op tafel en zeide eenvoudig, maar met een stem, die van vermoeidheid trilde:

„Zie hier het Verdrag, Excellentie—zooals gij ziet, is de enveloppe nog ongeschonden.”

Het was Cedric Lonsdale, die deze woorden gesproken had.

De gezant gaf een luiden schreeuw van verbazing en vreugde en hij sloot den jongen man in de armen en klopte hem op den schouder, tot Lonsdale zich met een pijnlijk gezicht bevrijdde en zeide:

„Ik ben u zeer erkentelijk voor dit bewijs van genegenheid, Excellentie, maar om u de waarheid te zeggen, gevoel ik mij een weinig geradbraakt. Ik heb het met drie kerels aan den stok gehad, alvorens ik deze enveloppe weer in handen kreeg.”

De gezant bracht den jongen man zelf naar een stoel, schelde om een glas port en zeide toen op levendigen toon:

„Vertel nu Lonsdale—vertel, spoedig!”

„Het is heel eenvoudig, Excellentie—toen gij even het vertrek verlaten had, trad Sonja binnen, ik vergat het consigne, ik greep haar in de vlucht op de gang en wij spraken eenige minuten. En toen ik weder binnentrad, zag ik een man bij de brandkast staan met een enveloppe in de handen, die met een groot rood lak was voorzien. Zoodra hij mij hoorde, vloog hij weg—en ik vloog hem achterna. Hij stormde door het archiefvertrek naar de zijgang, ijlde de diensttrap af en snelde door den tuin naar de kleine tuindeur. Daar buiten stond een huurauto. Hij stapte er in en ik had juist den tijd op de achterveeren plaats te nemen. Maar de schurk moet mij hebben gezien, want hij beraamde een listig plan. Hij liet de auto naar een der havenbuurten rijden en voor ik er op verdacht was, was hij een wijnhuis binnengetreden. Hij scheen daar bekend te zijn en had in een oogenblik een paar ruwe kerels op mij afgezonden. Er ontstond een gevecht en ik verzeker u, dat ik mij goed heb moeten weren. Hij mengde er zich tenslotte zelf in, maar dat is hem duur te staan gekomen, want [32]ik heb hem den neus platgeslagen. Ik kon mij van het document meester maken, omdat er gelukkig een paar agenten bijkwamen, en dat is alles!”

Toen de jonge man met zijn verhaal gereed was, sloot de gezant hem nogmaals in de armen en scheen hem iets in te fluisteren, wat den jongen man groot genoegen scheen te doen, want hij kreeg een kleur van vreugde.

Raffles zeide echter glimlachend:

„Het verhaal doet mij in zooverre pleizier, mijnheer Lonsdale, dat het van begin tot einde mijn theorie bevestigde. Gij echter hebt getoond, dat de praktijk ten alle tijde den voorrang heeft. Ik wil de heeren thans niet langer ophouden—bij gelegenheid ontvangt gij wel eens mijn rekening. Gij hebt nu niet anders te doen, dan de politie te waarschuwen, opdat deze zich hedennacht kan meester maken van de spionnen!”

En met deze woorden verliet Raffles het vertrek, een belangwekkende ervaring rijker.