[Inhoud]
DE BLOEDDORSTIGE.

DE BLOEDDORSTIGE.

EERSTE HOOFDSTUK

DE GEHEIMZINNIGE DOODE.

„Ik heb gisternacht een merkwaardige ontdekking gedaan”, sprak Raffles tot zijn vriend Charly Brand, met wien hij zich in zijn studeerkamer bevond.

„Om een uur na middernacht ging ik door Lincolnstreet en zag daar twee mannen, die uit een huurrijtuig stapten en een schijnbaar in onmacht gevallen dame met zich meesleepten. Aangezien de heeren in avondtoilet waren en in uiterst vroolijke stemming, vermoedde ik, dat de dame te veel champagne had gedronken. Voor het huis van den juwelier Morton bleven zij staan en een der heeren haalde een huissleutel uit zijn zak en opende de naast het magazijn gelegen huisdeur.

Ik ken dat huis, en weet, dat alleen de oude juwelier Morton met een huishoudster en knecht daar woont. Bij een bezoek aan den winkel heb ik vroeger den eigenaar eens gezien. Ik houd hem voor iemand van diep in de zestig.

De oude Morton heeft een aartsvaderlijk uiterlijk.

Dit alles viel mij in, toen ik van de overzijde der straat het huis bekeek.

Ik wilde reeds verder gaan, toen een schitterend licht, dat uit het magazijn naar buiten viel, mij deed stilstaan. Eerst dacht ik, dat het de nachtwaker was, die ik voor bewusteloos of beschonken had gehouden, later echter onderscheidde ik duidelijk, dat de dame, die ik voor bewusteloos of beschonken had gehouden, binnen stond en met een echte dievenlantaarn, zooals die in Whitechapel gebruikt worden wier systeem zeer verouderd is, bij de gesloten kasten bezig was.

Dit interesseerde mij.

Een vrouwelijke collega op het gebied van juweelendiefstal, dat was iets nieuws voor mij.

Ik stak voorzichtig de stille straat over, en terwijl ik door het getraliede etalageraam keek, zag ik, dat de dame juweelen in een leeren tasje pakte, maar plotseling haar werk staakte, omdat een onderdrukte kreet, zooals een mensch die slaakt, als hij in doodsangst verkeert, vanuit het inwendige van het huis weerklonk.

Een oogenblik later was die kreet verstomd. Maar reeds had mijn vrouwelijke collega haar lantaarn bedekt [2]en ik moest mij van het raam verwijderen, opdat zij mijn schaduw niet zou ontdekken.

Wat kon er in dat huis zijn voorgevallen? Een moord?

Hadden de makkers van de dame, terwijl zij in den winkel werkte, den ouden juwelier vermoord?

Mijn gedachtengang werd door een helder lichtschijnsel gestoord, dat weer door het winkelraam op straat viel.

„Onvoorzichtig!” dacht ik. „Dat moeten nieuwelingen zijn in het vak. Hoe durven zij in den nacht den winkel verlichten, waardoor de eerste de beste politieagent of nachtwaker, die voorbij komt, alles kan zien?”

Juist was ik van plan om als een gewoon voorbijganger voor het venster te gaan staan om naar binnen te kijken, toen met langzame, zware schreden een agent van politie naderde.

Dadelijk liep ik hem tegemoet, maar toen ik hem voorbij was, bleef ik staan om met grooten omhaal een cigarette aan te steken.

Ik deed dit, om, zonder zijn attentie te trekken, hem te kunnen nakijken. Ik verwachtte elk oogenblik, dat hij zijn fluitje te voorschijn zou halen en om hulp roepen.

Verder zag ik, dat de agent in den helderverlichten winkel naar binnen keek en tot mijn groote verbazing merkte ik daarna op, dat hij naar binnen groette en verder ging.

Nu ging ik zelf ook terug en wierp mijn cigarette weg, om voor het winkelraam een nieuwe aan te steken.

Op mijn gemak kon ik alles nu zien.

In den verlichten winkel zag ik de dame in een stoel zitten, terwijl zij nauwkeurig een sieraad bekeek. Voor haar stond een van haar gezellen in gekleede jas en naast dezen de oude juwelier.

De juwelier scheen de dame een beschrijving van het sieraad te geven en bekrachtigde zijn woorden met drukke handgebaren. Ik ging verder, en trachtte deze geheimzinnige zaak op te helderen.

De dame met de dievenlantaarn, die ik eerst had gezien en de kreet, dien ik had gehoord, deden mij aan de echtheid van het tooneeltje, dat ik zoo juist aanschouwde, twijfelen.”

Nadenkend keek John Raffles de rookwolkjes van zijn cigarette na, terwijl Charly Brand antwoordde:

„Je zult je vergist hebben, Edward, wie weet, wat jij voor een dievenlantaarn hebt aangezien”.

„Mijn beste Charly! Je weet, dat ik in mijn museum een verzameling van alle mogelijke instrumenten mijner collega’s heb. Ik heb daarbij precies zoo’n lantaarn als die, welke de dame gebruikte. En juist het feit, dat zij een dievenlantaarn gebruikte, zooals de moderne vaklui die niet meer ter hand nemen, bewijst mij, dat ik òf een beginnelinge, òf een schepsel uit Whitechapel of Eastend voor mij had.”

„Die dievenlantaarn zal het eigendom van Mr. Morton zijn”, antwoordde Charly Brand.

„Onzin!” lachte John Raffles, „met welk doel zou hij er zoo’n ding op nahouden, terwijl hij electrisch licht in zijn winkel heeft.”

„Dat is waar,” meende Charly nadenkend, „maar je hebt zelf gezegd, dat mr. Morton een huishoudster en een bediende heeft. Als er een misdaad is gepleegd op mr. Morton, dan zou dat toch vanmorgen ontdekt moeten zijn. Maar de couranten spreken er niet van”.

„Je hebt gelijk”, sprak Raffles, een nieuwe cigarette aanstekend, „maar ik ben ervan overtuigd, dat ik hier voor een geheim sta en nog heden zal ik er werk van maken, dit op het spoor te komen.

Bovendien heb ik ontdekt, dat mr. Morton—wat ik niet wist—in zijn winkel zeldzame paarlen had. En voor paarlen heb ik altijd een bijzonderen hartstocht gehad.

Ik durf gerust zeggen, reeds de mooiste exemplaren, die er in de wereld bestaan, in handen gehad te hebben. Ik zal dus waarschijnlijk vannacht de kleinodiën van mr. Morton eens gaan bekijken”.

Charly Brand lachte en Lord Lister keek hem verbaasd aan.

„Ik lach”, sprak Charly, „om je uitdrukking, om de paarlen van mr. Morton eens te willen „bekijken”. Ik wist niet, dat het je gewoonte was om kostbaarheden te bekijken, zonder ze je toe te eigenen.[3]

„Dat spreekt immers vanzelf”, sprak John Raffles, terwijl hij op zijn horloge keek, „dat is mijn sport!”

Hij scheen, terwijl hij naar de wijzerplaat keek, over een plan na te denken.

Na eenige oogenblikken stond hij op, stak zijn horloge bij zich en nam zijn pelsjas op.

„Ga je uit?” vroeg Charly Brand.

„Ja”, antwoordde zijn vriend, „ik ben van plan, een inkoop te gaan doen bij mr. Morton, en als je lust heb, mag je met me meegaan”.

Charly stond op en kleedde zich ook. Daarop verliet het tweetal het huis.

Een huurrijtuig bracht hem naar de zaak van mr. Morton in Lincolnstreet.

Zij lieten het rijtuig voor de deur wachten en gingen den winkel binnen.

Een jonge man, dien Raffles bij zijn vroeger bezoek in den winkel niet had gezien, stond achter de toonbank om hun te woord te staan.

John Raffles groette hem van uit de hoogte en vroeg:

„Is mr. Morton te spreken?”

„Het doet mij leed”, antwoordde de gevraagde, „mr. Morton is voor eenige dagen op reis en ik vertegenwoordig hem”.

„Dat verbaast mij”, antwoordde Raffles. „Ik heb met dien heer een gewichtige afspraak, want ik wilde een kostbaar paarlensieraad van hem koopen”.

De Groote Onbekende merkte op, dat op het gelaat van den jongen man een uitdrukking van verlegenheid zichtbaar werd. Na eenige aarzeling echter antwoordde hij:

„Zeker, mijnheer, dat komt uit. Ik herinner mij, dat mr. Morton mij van uw bezoek op de hoogte heeft gesteld en mij heeft bevolen, u verschillende paarlsnoeren te laten zien.”

De oogen van Raffles vonkelden bij het hooren van deze woorden en kregen een koude, scherpe uitdrukking.

Hij had zijn prooi in zijn macht.

Hij had noch een afspraak met den juwelier gemaakt, noch over den aankoop van paarlen gesproken.

„Maar kan ik de sieraden zien?” vroeg hij.

„Het doet mij leed”, antwoordde de jonge man, „ik zond ze hedenmorgen aan een dame, die ook voornemens is, ervan te koopen”.

„Uw manier van zaken doen verbaast mij zeer”, sprak Raffles op scherpen toon. „Ik betaalde reeds de helft van den prijs aan mr. Morton en ontving daarvoor een quitantie van hem, zoodat hij in geen geval het recht heeft, de stukken nog te verkoopen.”

„Neem het niet kwalijk”, verontschuldigde zich de jonge man, die, zooals Raffles zag, zijn verlegenheid trachtte te verbergen, „mr. Morton schijnt het vergeten te hebben. Hij moest inderhaast op reis”.

„Wanneer kan ik de paarlen krijgen?” vroeg Raffles.

„Ik zal ze binnen een paar uur terug hebben”, luidde het antwoord.

„Het is goed”, knikte de groote onbekende, „als ik tijd heb, zal ik vanavond nog eens terugkomen. Anders kom ik morgenochtend om negen uur, want ik wil de paarlen morgen cadeau doen”.

Met een korten groet verliet hij met Charly Brand den winkel.

Toen zij in het rijtuig zaten, sprak Raffles:

„De muizen zitten in de val. Ik vergiste mij dus niet. Daar is, ondanks onze wereldberoemde Londensche politie, een reusachtig misdrijf gepleegd. Ik wed een pond tegen een pruimepit!”

„Jij hadt detective moeten worden”, lachte zijn secretaris, „want je bezit de grootste bekwaamheden voor dat beroep”.

Raffles antwoordde glimlachend:

„Mijn beste Charly, om de inbrekerssport goed te kunnen beoefenen, moet men allereerst een geboren detective zijn.

Maar het beroep van detective is te nutteloos voor de menschheid, want heb je wel ooit gehoord, dat de heeren der Londensche politie de bestolen of bedrogen lieden ooit weer in het bezit van hun eigendom hebben gesteld? En ik beweer, dat een goed detective dit behoort te doen. Met de inhechtenisneming van een misdadiger bewijst men dien bestolene slechts een halven [4]dienst en een nadeel aan het overige deel der maatschappij”.

„Een nadeel?” vroeg Charly.

„Ja zeker”, luidde het antwoord, „want die man wordt in de gevangenis onderhouden, op kosten der anderen”.

Bij deze woorden bleef het rijtuig staan voor het huis van Lord Lister in Regent Park.

„Als je vanavond nog een bezoek in den winkel van den juwelier wilt brengen, moeten wij ons niet lang ophouden,” meende Charly.

„Vanavond ga ik er niet heen”, antwoordde Lord Lister, „maar ik zal, zooals dat mijn gewoonte is, mijn bezoek in het nachtelijk uur brengen. De paarlen zullen zeker aanwezig zijn en dat is het voornaamste doel van mijn bezoek. Ik ga niet graag tevergeefs”.

Hij verzonk na die woorden in een diep nadenken en Charly waagde het niet, hem te storen.

Hij wist, dat een dergelijk stilzwijgen bij Raffles steeds het begin van een groot plan was.

In de buurt van het Strand liet Raffles het rijtuig stilhouden en beiden stegen uit.

Raffles hield ervan, tegen den avond een wandeling te maken langs de wonderschoone kaden van de Theems.

Dikwijls nam hij van zijn diner stukjes brood en vleeschrestjes mee om daarmede de boven het water vliegende meeuwen te voederen.

Hij schepte behagen in deze elegante zeevogels.

Ook heden haalde hij uit zijn overjas een pakje met broodkorstjes te voorschijn en begon de dieren te voeren.

Als een witte, dwarrelende sneeuwwolk omringden de vogels hem en sommige waren zoo dapper, dat zij hem de stukjes brood uit zijn hand pikten.

Voorbijgangers bleven staan om naar het schilderachtige tooneeltje te kijken, zelfs een politie-agent ging naast Raffles staan en glimlachte.

Charly dacht met een spottenden trek op het gelaat:

„Als die man eens wist, wie deze dierenvriend is—het geluk is hem zoo dichtbij en toch zoo veraf!”

Plotseling klonken de schelle stemmen van courantenjongens.

Iedereen wendde zich tot hen.

Wat was er nu weer gebeurd?

Ook Raffles wierp haastig zijn laatste stukjes brood voor de vogels en luisterde naar het geschreeuw der jongens:

„Petrosino, de schrik van de Maffia, in Palermo vermoord!”

Dadelijk ging Raffles naar den dichtstbijzijnden jongen om een blad te koopen.

Met een somberen trek op het gelaat doorvloog hij bij het licht van een gaslantaarn het sensatie-artikel en gaf het daarna aan Charly Brand.

Vol belangstelling las deze het volgende:

Een Amerikaanse Detective vermoord.

De Wraak der Maffia.

(Eigen draadbericht.)

Petrosino, de beroemde New Yorksche detective, de schrik van het geheime verbond der Manovera, werd hedennacht te Palermo doodgeschoten.

Petrosino, Siciliaan van geboorte, was om tot nu toe onbekende redenen, in zijn geboorteland teruggekomen. De Zwarte Hand had hem sinds lang ten doode gedoemd.

De politie vond in de portefeuille van den vermoorde veel documenten, betrekking hebbende op het geheime genootschap en brieven van den Italiaanschen minister van justitie Leonardi.

Men kent de daders niet, het zijn waarschijnlijk leden van de Maffia, die de bevelen van hun Amerikaansche broeders stipt gehoorzaamden.— —

Charly Brand legde de courant neer en sprak:

„Een griezelige vereeniging.”

„De courant vergist zich”, antwoordde Raffles, „het hoofd-comité van de Zwarte Hand bevindt zich niet in New-York, maar in Londen.”

„Hoe weet je dat? Ben je al in aanraking geweest met die gevaarlijke bende?”

„Ik weet het van Petrosino zelf.” [5]

Charly Brand keek vol belangstelling zijn vriend aan.

„Ken je Petrosino?”

„Ja, mijn beste Charly! In New York noemde men hem den Italiaanschen Sherlock Holmes. Hij was de schrik van alle naar Amerika gevluchte Italiaansche misdadigers. Hij wist, dat zij hem duizenden keeren den dood hadden toegezworen, maar hij beweerde altijd: ik doe mijn plicht en als God het wenscht, dan zal ik sterven.”

„Dat is zeer interessant, wat je mij daar vertelt. Misschien wil je mij nog meer meedeelen omtrent je ontmoeting met dien Italiaanschen Sherlock Holmes- Petrosino.”

Het gebeurde uiterst zelden, dat Raffles van zijn verleden vertelde. Voor hem was alles wat gebeurd was, voorgoed afgedaan.

„De dooden en het doode moet men laten rusten,” was een zijner lijfspreuken. „het spreken hierover ontstemt iemand.”

Raffles stak een sigarette aan en vervolgde met Charly zijn wandeling.

Eenige oogenblikken liepen zij zwijgend voort, daarop sprak hij:

„Het is eigenaardig. Terwijl ik de meeuwen voederde, dacht ik aan Petrosino en alsof de doode mij nog een teeken wilde geven, las ik in hetzelfde oogenblik het courantenbericht.”

„Je was blijkbaar zeer bevriend met hem.”

Raffles’ gelaat had een uitdrukking van oprechte droefheid.

„Ik was een tijdlang zeer bevriend met hem en hij was een prachtmensch. Iemand, die ideaal dacht en handelde. Alleen uit idealisme aanvaardde hij het gevaarlijke beroep.

Geen enkele natie der wereld—zelfs China niet—bezit een zoo duivelsche misdadigersklasse als Italië.

Bij hen vergeleken zijn de Engelsche en Duitsche boeven goede, brave kerels. Die Italianen echter doen denken aan de tijden van Nero. Een duivel zou geen afschuwelijker misdaden kunnen bedenken, dan deze Italiaansche Maffiaten—de leden van de Zwarte Hand.”

„Hoe kwam het, dat je aan Petrosino dacht?”

„In verband met den ouden Morton, den juwelier.”

„Dat begrijp ik niet.”

„De kerel, die mij voorloog, dat hij den heer Morton gedurende diens afwezigheid vertegenwoordigde, was een Italiaan.”

„Een Italiaan? En moet hij daarom een misdadiger zijn?”

„Petrosino heeft mij ervan overtuigd, dat honderd uitgeweken Italianen gelijk staan aan driehonderd misdadigers.”

Charly Brand schudde het hoofd en Raffles vervolgde glimlachend:

„Zij zijn erger dan gevaarlijk, mijn jongen. Jouw hersens zouden niet in staat zijn, schanddaden uit te denken zooals deze schurken ze uitvoeren.”

„Hoe leerde je Petrosino kennen?”

„Vijf jaar geleden in New York, toen ik mij daar bevond op mijn wereldreis, juist terugkomend uit Japan en in gezelschap van een reismakker, een Oostenrijksch jong en levenslustig officier, zekeren baron von Rhoden. Ik was toen nog Lord Edward Lister en vermoedde niets van mijn tegenwoordig bestaan als John C. Raffles. In die dagen leerde ik Petrosino kennen.”

Hij zweeg en trok haastig aan zijn sigarette, als iemand, die onaangename herinneringen wil wegblazen.

En zonder dat Charly hem meer behoefde te vragen, ging Raffles voort:

„Wij waren beiden—de baron en ik—voor het eerst in New York. Zonder gids—alleen met een plattegrond van de stad—trokken wij de reuzenstad door en kwamen op een goeden dag in de Italiaansche wijk. Wij vermoedden niet, hoe gevaarlijk het daar was.

Het eigenaardige, bonte gewoel in die straten interesseerde ons.

Er werden processies gehouden ter eere van den een of anderen heilige.

De straten waren versierd met vlaggen en guirlandes, [6]altaren, heiligenbeelden en honderden brandende waskaarsen waren overal opgesteld.

Dit was niet het gewone New-York, maar Napels in New-York.

Het Amerikaansche volk is zeer geschikt tegenover zijn nieuwe medeburgers en zoodoende hebben de Italianen een groote wijk van New-York geheel ingericht als Italiaansche kolonie. Petrosino schatte het aantal bewoners dezer kolonie op driemaal honderdduizend zielen.”

„Dat is evenveel als de bevolking bedraagt van een der grootste Italiaansche steden.”

„Ja en je moogt gerust zeggen, de grootste Italiaansche misdadigerskolonie. Het is voor de Amerikaansche detectives en politieagenten een absolute onmogelijkheid, daar hun dienst uit te oefenen. Daarom stelde de Amerikaansche regeering Italiaansche bijzondere detectives aan, waarvan Petrosino de leiding op zich nam.”

„Wil je mij vertellen, hoe je hem hebt leeren kennen? Ik brand van nieuwsgierigheid!”

„Door een vreeselijke gebeurtenis leerde ik hem kennen. Ik noemde je reeds den naam van baron Von Rhoden.”

Charly knikte bevestigend.

„Hij beging de domheid op een onzer tochten door de Italiaansche wijk verliefd te worden op een zwartoogige Siciliaansche.

Zij was blijkbaar de dochter van een kastelein. Wij waren het wijnhuis binnengegaan om daar een echt Italiaansch diner te bestellen en het meisje bediende ons. Dadelijk bemerkte ik, dat zij sterk koketteerde met den baron en dat hij haar blikken beantwoordde.

De Italiaansche wijn deed zijn bloed sneller vloeien.

Zonder op mijn waarschuwing te letten, bemoeide hij zich met haar en gaf, toen wij heengingen, een biljet van een dollar als fooi, wat zij met een verleidelijk glimlachje aannam.

Sinds dat oogenblik begon de baron mijn gezelschap lastig te vinden.

Hij lachte om mijn waarschuwingen en daar ik noch zijn voogd, noch een familielid van hem was, bekommerde ik mij verder niet om hem.”

Raffles zweeg en stak een nieuwe sigarette aan. De lucifer, dien hij gebruikte, trilde in zijn hand.

Charly Brand merkte hieraan, dat zijn vriend aan iets verschrikkelijks dacht.

Reeds vreesde hij, dat Raffles niet verder zou vertellen, toen deze vervolgde:

„Ik had den baron in drie dagen niet gezien, toen de gerant van het hotel in mijn kamer kwam en mij zeer ontsteld vroeg, of ik niet wist waar de baron zich bevond.

Sinds twee dagen was hij niet in het hotel geweest, al zijn eigendommen lagen onaangeroerd, er waren gewichtige brieven voor hem gekomen, de consul had meerdere malen naar hem gevraagd, enzoovoorts.

Ik wist geen antwoord te geven, maar een zenuwachtige ongerustheid maakte zich van mij meester.

Wat was er met den baron gebeurd?

Dadelijk herinnerde ik mij de ontmoeting in de herberg tusschen den baron en de Siciliaansche.

Zou de baron daar misschien te vinden zijn?

Ik besloot, dadelijk nasporingen te gaan doen.

Binnen eenige uren bevond ik mij in de herberg, die aan de tweede Avenue in New-York ligt.

Toen ik het lokaal binnentrad, was het gevuld met een half dozijn Italianen, die luide door elkaar praatten.

Bij mijn binnenkomen zwegen zij en wierpen mij wantrouwende blikken toe.

Elk dezer kerels had een misdadigerstronie. Toonbeelden van schurkachtigheid.

Ik deed, alsof zij mij volmaakt onverschillig waren en bestelde bij den waard een flesch Chianti, een Italiaansche volkswijn.

„Breng ze ongeopend!” beval ik, daar een plotseling wantrouwen mij aan allerlei verdoovingsmiddelen deed denken.

Toen de herbergier de flesch op mijn tafeltje zette, vroeg ik naar zijn mooie dochter.

Marietta is naar buiten”, antwoordde hij met onverschillig [7]gelaat. „Mijnheer moet over een week terugkomen.”

Ik dronk eenige glazen wijn, betaalde en ging naar mijn hotel terug.

Ik was kalmer geworden.

Het plotselinge vertrek der Italiaansche en het verdwijnen van den baron moesten verband met elkaar hebben.

Maar den volgenden dag werd ik door de middagbladen uit mijn rust opgeschrikt.

Ik liep langs den Broadway en deed eenige inkoopen voor mijn aanstaand vertrek, toen de courantenjongens iets schreeuwden, dat iedereen deed stilstaan.

Afschuwelijk was de tijding:

„Het in stukken gehakte lijk in het vat op den Broadway.”

Ik kocht een courant en las:

„Hedenmorgen deden eenige straatreinigers tegen acht uur op den hoek van Broadway en de 22e straat een ontzettende ontdekking. Een wijnvat, dat vlak bij het trottoir stond en dat door duizenden achteloos werd voorbijgegaan, wekte de opmerkzaamheid der beide arbeiders en een van hen lichtte een zak op, die het vat bedekte.

In het volgende oogenblik week hij met een kreet van afschuw terug.

Een afgehakt hoofd staarde met glazen oogen uit het vat.

Spoedig hadden duizenden zich rondom de vreeselijke vondst verzameld.

De chef van politie Drummond snelde met zijn detectives naar de plaats van de misdaad en onderzocht den afschuwelijken inhoud van het vat.

Men vond het geheel in stukken gehakte lichaam van een ontkleeden man.

Geen enkele bijzonderheid verraad de geheimzinnige afkomst van den vermoorde.

Wie kan hij zijn?”

Ik stond secondenlang na te denken en staarde op het nummer der courant.

„Dat is baron Rhoden!” riep een inwendige stem.

Ik rilde en trachtte tevergeefs deze gedachte mij af te zetten.

Een uur later brachten de nieuwsbladen een ander bericht:

„Petrosino aan het werk!”

„De Zwarte Hand heeft den man in het vat vermoord!”

Het artikel luidde:

„Petrosino, de chef van onze Italiaansche geheime politie, onderzocht den moord en ontdekte, dat het vat een wijnvat is, zooals de Italianen uit Sicilië krijgen. Ook de manier, waarop de ongelukkige vermoord is, duidt met alle stelligheid op Italianen. Men heeft hem met een scheermes de keel afgesneden. Blijkbaar heeft men hier weer te doen met een slachtoffer van de Zwarte Hand. Petrosino roept ieder op, die iemand vermist, om den vermoorde in oogenschouw te nemen. De ongelukkige is ongeveer 30 jaar oud, heeft blond, op militaire wijze kortgeknipt haar, een kleine, blonde snor, grijsblauwe oogen; lengte 1.69 M., goedverzorgde handen, die erop wijzen, dat hij tot den beteren stand behoort. Aan den pink en wijsvinger der rechterhand moet de vermoorde ringen gedragen hebben.”

Mijn haren rezen ten berge, toen ik dit las.

Ik weet niet, hoe ik in een rijtuig ben gekomen en in de lijkenkamer van het hoofdbureau van politie.

Weinige minuten konden verloopen zijn sinds ik het courantenbericht had gelezen, toen ik door de ruit van de lijkenkamer de verglaasde oogen van baron Von Rhoden zag, die mij vol ontzetting schenen aan te staren.

Met een kreet wankelde ik terug.

Ik was zoo ontdaan, dat ik een steun zocht en die werd mij verstrekt door een ernstig persoon met een waardig uiterlijk: Petrosino!

Hij ondersteunde mij, leidde mij uit het vertrek in zijn bureau en sprak:

„Hebt gij den doode herkend?”

„Ja”, antwoordde ik, „het is mijn reismakker, een Oostenrijksch officier, baron Von Rhoden.”

„Vergist gij u niet?” [8]

„Neen. Hij is sinds vier dagen uit het hotel verdwenen.”

„Zijt gij in staat mij inlichtingen te geven of uw vriend onder de hier wonende Italianen kennissen of liever—vijanden had? Eigenlijk is elk Oostenrijker een vijand der Italianen. Het kan een politieke moord zijn.”

„Dat betwijfel ik, Mr. Petrosino.”

„Waarom?”

Ik vertelde nu van onzen zwerftocht door de Italiaansche wijk. Met gespannen aandacht luisterde Petrosino. Hij kon nauwelijks het slot van mijn beknopt verhaal afwachten. Hij trilde van ongeduld, om het spoor te volgen.

„Zoudt gij mij dadelijk kunnen vergezellen?”

Ik knikte bevestigend.

Petrosino wendde zich tot een zijner beambten:

„Laat dadelijk een rijtuig voorkomen!”

Binnen eenige seconden bevonden wij ons in het rijtuig en snelden langs de tweede Avenue naar de door mij aangeduide herberg.

Op eenigen afstand liet Petrosino het rijtuig stilhouden.

„Hebt gij wapens bij u?” vroeg hij, voordat wij de herberg binnentraden.

Ik toonde hem mijn revolver.

„In orde!”

Daarop gingen wij samen naar binnen.

Duidelijk bemerkten wij, dat de waard ontsteld opkeek, toen wij tegenover hem stonden.

Er waren slechts twee gasten.

Ik herkende in hen twee der kerels van den vorigen dag.

De een was blijkbaar van reusachtige lichaamskracht.

„Hallo, Signore Toni Oliva!” riep Petrosino tot den waard, terwijl hij hem de hand reikte.

„Veel eer, Signore Petrosino!” antwoordde de herbergier, zijn gerimpeld gelaat tot een vriendelijken grijnslach vertrekkend, „wat verschaft mij het genoegen, U bij mij te zien?”

Petrosino had de eigenaardige gewoonte, nooit gebruik te maken van een masker of vermomming. Hij hield ervan, regelrecht op zijn doel af te gaan. Hij bediende zich nimmer van list, maar hield ervan, brutaal aan te vallen.

„Kom eens hier, Signore Oliva, ik moet u spreken, zonder dat het buffet ons van elkaar scheidt.”

Een boosaardige uitdrukking verscheen in de oogen van den waard.

Aarzelend kwam hij achter de toonbank vandaan.

„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.

„Een kleinigheid. Kijk dezen heer eens goed aan. Kent gij hem?”

De herbergier haalde de schouders op.

„Neen, Signore!”

„Neen?”

„Neen!”

Op het volgende oogenblik weerklonk een woeste kreet, daarna het rinkelen van ijzer.

Petrosino had met groote handigheid den waard de handboeien omgedaan.

Miserabile!” vloekte de geboeide en wendde zich tot de twee aanwezige Italianen, die aanstalten maakten om den waard ter hulp te komen.

Petrosino had een revolver te voorschijn gehaald. Hij kende de knapen.

„Blijft zitten!” beval hij, „geen stap voorwaarts! Ik hoop, dat gij Petrosino kent!”

„Hondenvanger!” mompelde de Hercules met een blik vol haat.

Petrosino lette niet op dien uitroep en wendde zich opnieuw tot den geboeide:

„Waar is het meisje, dat hier tot voor korten tijd bediende?”

„Naar buiten.”

„Waar?”

„Vervloekt! vraag een ander uit! Wat gaat het u aan, waar Marietta is!”

„Mooi!” Petrosino opende de straatdeur en floot.

Als paddestoelen uit den grond verschenen van alle kanten een dozijn der meest gevreesde lieden van Petrosino.

Zij waren hem ongemerkt gevolgd. [9]

„Wil je nu vertellen, waar Marietta is?” riep Petrosino den waard toe.

Een half gesmoord „Neen!” was het antwoord.

In het volgende oogenblik paste Petrosino den beruchten, door alle misdadigers gevreesden, „derde graad” toe.

Een vuistslag, waarop bliksemsnel een half dozijn andere volgden, trof het gelaat van den herbergier en deed hem luid schreeuwen van woede en pijn.

Een pauze volgde.

Petrosino wachtte op antwoord.

Opnieuw hief hij zijn hand op, maar nu kromp de waard ineen en riep uit:

„Sla niet! Erbarming! Zij is hier in huis. Maar bij alle heiligen, Signore, ik zweer het u, wij hebben niets te maken met den verdwenen Duitscher!”

Koud en scherp keek Petrosino hem aan.

„Wie beschuldigt u ervan iets te maken te hebben met den verdwenen Duitscher?”

Sidderend stond de waard tegenover hem, zijn knieën schenen hem niet meer te kunnen dragen.

Hij zag in, dat hij een domheid had begaan.

„Geef antwoord, Oliva!”

„Het stond in de couranten. Ik heb eerst nu dien heer die bij u is, herkend. De Duitscher was met hem in de herberg.”

„Hoe weet je, dat hij de verdwenene is? Kende je zijn naam?”

Weer sidderde de waard.

Hij was niet tegen Petrosino opgewassen. Plotseling viel hij op zijn knieën en smeekte om genade.

Petrosino mat hem met een minachtenden blik.

„Je kunt ongestraft heengaan, als je vertelt, wie de misdaad heeft gepleegd.”

De waard noemde een massa namen.

Plotseling weerklonk een afschuwelijk gehuil.

De Hercules was naar den knielenden waard gesprongen, had hem van achteren in de haren gegrepen, zijn hoofd achterover gebogen en met reuzenkracht hem met een scheermes den hals afgesneden.

Dit alles was sneller gegaan dan de tijd, dien men noodig heeft om adem te halen.

Daarop knalde een schot.

De Hercules hief de armen in de hoogte, stiet een halfverstikten kreet uit en viel, met het gezicht naar beneden, over het lijk van zijn slachtoffer heen.

Onverschillig stak Petrosino zijn revolver weer bij zich.

Hij was het, die geschoten had.

Daarop boog hij zich neer en sloeg de hemdsmouwen van den rechterarm van de beide dooden op.

Alle detectives keken vol belangstelling toe. Op de armen was een kleine tatoueering zichtbaar.

Een zwarte hand.

„De Maffia”, sprak Petrosino, „ik heb het dadelijk gedacht. Nu zullen wij het zwarte lokvogeltje vangen en daarna hen, wier namen ik van Oliva heb vernomen.”

Met eenige detectives doorzocht hij het huis.

Niets werd echter gevonden.

Marietta, die ongetwijfeld den ongelukkigen baron in de handen van de Maffia had gespeeld, was gevlucht.

Maar in den kelder van de herberg werden gewichtige bewijzen gevonden omtrent de medeplichtigheid van den waard.

Een vertrek in de kelderafdeeling was, als een slagerswerkplaats, geheel met bloed bevlekt.

Hier moest de ongelukkige uit den weg zijn geruimd.

Ook de kleeren van den vermoorde werden in een kist gevonden, en zoo bevonden zich in den kelder een aantal ledige wijnvaten, die er precies zoo uitzagen als de ton, waarin het verminkte lijk gevonden was.

Nu begon Petrosino een ware jacht te houden op de medeplichtigen van den waard.

Achttien Maffiaten bracht hij achter slot en grendel, maar Marietta bleef onvindbaar.

Ook de beweegreden tot den moord op den baron werd vastgesteld.

Hij had op den dag van zijn dood vijfduizend dollar, bij zich.”— — — — —

Raffles, die dit alles op langzamen toon had verteld, [10]wreef met de hand over zijn voorhoofd en nam zijn hoed af, om zijn verhit hoofd af te koelen.

Het was het langste verhaal, dat Raffles ooit had gedaan.

Hij keek op zijn horloge.

Het was zeven uur.

„Wij gaan soupeeren, mijn jongen, en dan aan het werk.”

Plotseling bleef hij midden op straat staan en floot zachtjes.

Verbaasd keek Charly Brand hem aan.

„Wat is er?”

Een diepe zucht ontwrong zich aan de borst van Raffles.

„Nu weet ik, waarom ik aan Petrosino moest denken en aan het verminkte lijk in het vat en aan het zwarte lokvogeltje—aan Marietta.

Verduiveld, Charly—het noodlot kan grillig zijn—ik heb eindelijk de zwarte Marietta ontdekt—zij is de dame met de dievenlantaarn!”

„Werkelijk?”

„Ik verwed er een kapitaal om!”

„Dus hebben wij hier met Maffiaten te doen?”

„Zeer zeker, mijn jongen. Dat wordt een interessant stukje werk. Misschien kan ik den ongelukkigen Petrosino nog in zijn graf een genoegen doen en de Maffiaten, de zwarte Marietta, eindelijk aan den rechter overleveren.”