Niemand zou in de twee als arbeiders verkleede mannen, die tegen twee uur in den nacht met de handen in hun broekzakken, verkleumd langs de huizenrijen slenterden, den gevreesden gentleman-inbreker John C. Raffles en diens vriend Charly Brand herkend hebben.
Zij slopen langs den winkel van juwelier Morton, welke hel verlicht was ter bescherming tegen dieven.
De groote onbekende bleef eenige seconden staan om het korte tabakspijpje, dat hij in den mond had, aan te steken. Toen een politieagent op dit oogenblik voorbijkwam, mompelde John Raffles een Ierschen vloek, spuwde meerdere malen voor zich uit en ging daarna verder.
Tien huizen voorbij de zaak van Morton bleef hij opnieuw staan. Het was voor een oud gebouw in oud-Engelschen stijl. Het was slechts drie ramen breed en in de kelderruimte bevond zich een papierhandel.
Nadat Raffles eenige malen naar rechts en links had gekeken, haalde hij een looper te voorschijn waarmee hij de huisdeur opende.
Haastig duwde hij Charly Brand in de donkere ruimte, trad toen zelf binnen en sloot de deur weer dicht.
Een oogenblik bleef hij luisterend staan, toen de schreden van een voorbijganger hoorbaar werden. Eerst toen deze niet meer vernomen werden, keerde hij zich om en haalde uit zijn zak een voortreffelijk bewerkte electrische lantaarn te voorschijn, bij wier wit licht de muren van de smalle gang zichtbaar werden, waarin balen papier en kisten tot aan de zoldering waren opgestapeld.
Charly Brand keek angstig om zich heen, maar de groote onbekende, die dit opmerkte, sprak:
„Wees onbezorgd, zaken van deze soort houden er geen nachtwakers op na. Hier bevindt zich zelden iets, [11]wat de moeite waard zou zijn om meegenomen te worden. Volg mij nu naar de hoogere verdiepingen.
Zij klommen nu naar boven tot op zolder. Hier opende de groote onbekende met een looper een houten deur en dadelijk daarna bevonden zij zich onder het schuine, spitse dak van het huis.
Je zult een beetje moeten klimmen ouwe jongen,” fluisterde Raffles, terwijl hij een dakvenster opende, „trek je schoenen uit opdat je niet uitglijdt. Het zijn hier in de straat allemaal oude huizen met spitse gevels en men kan daar niet zoo gemakkelijk overheen wandelen als over platte daken. Wees voorzichtig!”
Hijzelf trok eveneens zijn schoenen uit en klauterde toen door het venster op het dak.
Een oogenblik later kropen zij op handen en voeten voort. De huizen waren bijna allen van dezelfde hoogte. Toen zij ongeveer den halven weg hadden afgelegd, ging Raffles schrijlings zitten om een oogenblikje uit te rusten en noodigde zijn vriend uit, hetzelfde te doen.
„Deze dakenwandeling doet mij denken aan een bestijging van den Mont Blanc”, fluisterde de groote onbekende. „Ik moest met mijn gids twee uur achtereen langs een bevroren weg kruipen. Aan weerskanten van het spitse dak, dat sneeuw en ijs over een kloof hadden gevormd, was een afgrond van 1000 meter diepte. Het was een uitstekende oefening en ik denk nog dikwijls met groot genoegen aan die klimpartij terug.”
„Ik ben niets gesteld op dergelijke waaghalzerijen,” mompelde Charly Brand. „Ik kan niet beweren, dat het zitje op dit dak mij zoo bijzonder aangenaam is en ik geloof, dat wij als wij hier van vier verdiepingen naar beneden vallen, hetzelfde resultaat zullen bereiken alsof wij een paar duizend meter van den Mont Blanc neer zouden storten. Ik zal blij zijn, als ik weer vasten grond onder mijn voeten heb.”
„Wij zijn er gauw,” troostte zijn vriend hem en zwijgend vervolgden zij hun weg.
Toen zij het tiende dak bereikt hadden, lichtte John Raffles een klein dakvenstertje op en klom naar binnen, terwijl hij zich aan Charly Brand vasthield.
Toen hij half in het venster zat, riep hij zijn vriend toe, de spits van het dak los te laten en zijn hand vast te houden.
Men moest eenige meters langs het steile dak naar beneden glijden om het raam te bereiken.
Door een onvoorzichtige beweging liet Charly bij het naar beneden glijden de hand van zijn vriend los en, voordat deze hem weer had kunnen grijpen, gleed Charly Brand langs het glibberige dak voorbij het raam.
Een oogenblik stokte Raffles’ adem, hij verwachtte elke seconde het doffe vallen van een lichaam op de steenen te zullen hooren.
De seconden leken hem uren.
Zijn gedachten werkten koortsachtig; hoe zou hij zijn vriend kunnen helpen!
Daar hoorde hij in het donker zacht zijn naam roepen. Een schok van vreugde doortrilde hem; Charly moest dus een steunpunt gevonden hebben.
„Waar ben je?” vroeg Raffles zacht.
„Ik hang aan een schoorsteen,” klonk het terug, „kom me alsjeblieft helpen.”
„Dadelijk,” antwoordde Raffles en liet, onverschillig of hij gezien werd, het licht van zijn electrische zaklantaarn over het dak schijnen.
Charly Brand was ongeveer twaalf meter, tot aan de dakgoot, naar beneden gegleden en had daar een steunpunt gevonden aan een der ijzeren staven, die tot ondersteuning van een schoorsteen dienst deden. Hieraan hing hij. Slechts de helft van zijn lichaam was te zien, de andere helft hing over de smalle goot naar beneden.
„Ik kom al! Houd je vast,” riep Raffles.
De groote onbekende knoopte zijn blouse los en wond een leeren riem van zijn lichaam af, die daar eenige malen omheen was gedraaid, een riem, zooals de Amerikaansche cowboys ze gebruiken.
Het eene uiteinde knoopte hij vast aan een ijzeren haak van het raampje, het andere eind bond hij om zijn middel.
Daarop gleed hij naar beneden.
Met groote krachtsinspanning boog hij zich over naar Charly Brand en trok hem op het dak terug. [12]Daarop maakte hij den riem los en bond hem om Charly heen.
„Je knieën zullen wel trillen, arme kerel,” sprak hij, „ik zal daarom alleen het raampje binnenklimmen en jou met den riem naar mij toe hijschen. Ik had je al dadelijk moeten vastjorren.”
„Het zou beter zijn geweest,” antwoordde Charly Brand, „want ik heb mijn knieën en handen bij die glijpartij bezeerd.”
„Beter dan dat je je nek hadt gebroken.”
Na deze woorden klom de groote onbekende als een kat langs het dak naar boven en door het geopende raam.
Nu viel het hem gemakkelijk, zijn vriend op te hijschen en binnen een paar minuten stond deze naast hem op den zolder van het huis, waarin de winkel van juwelier Morton zich bevond.
John Raffles, die zich op zijn nachtelijke tochten steeds van al het noodige voorzag, haalde een fleschje cognac te voorschijn en liet Charly daaruit drinken.
Voldoende verkwikt volgde Charly Brand nu zijn vriend. Door allerlei rommel liepen zij over den zolder en bereikten door een niet afgesloten deur de trap van het huis. Het was hier volslagen donker en geen geluid werd vernomen.
Zacht gleden zij langs de leuning naar beneden. Toen zij in de gang waren gekomen, begaf John Raffles zich naar de kamer achter den winkel, waarin naar hij begreep, de juwelier gewoonlijk sliep.
Daar deze op reis was, moest dus òf de kamer leeg zijn, òf de jonge man, die zich als vertegenwoordiger van Morton uitgaf, moest zich daar bevinden.
John Raffles luisterde secondenlang aan de deur en toen hij geen enkel geluid vernam, drukte hij voorzichtig de klink neer. Tot zijn groote verbazing opende de deur zich vanzelf met een zacht, piepend geluid.
De groote onbekende hield de deur onmiddellijk vast en, om alle verdere geluid te vermijden, haalde hij een oliekannetje te voorschijn uit zijn gereedschapstasch en smeerde de hengsels. Daarop trad hij de kamer binnen.
Een ondeelbaar oogenblik liet hij het licht van zijn zaklantaarn door de kamer schijnen. Hij zag, dat het vertrek antiek gemeubeld was en dat aan de rechterzijde, dichtbij een kachel, het bed stond.
Hierin lag mr. Morton te slapen.
Eerst meende Raffles niet goed te zien, want de juwelier was immers op reis?
Onhoorbaar sloop hij naar de legerstede, boog zich er over heen en luisterde. Na eenige minuten hoorde Charly Brand, die op eenigen afstand was blijven staan, hoe Raffles uitriep:
„Duivelsch! De man is dood! Kom hier, Charly!”
Charly sloop naar binnen en zag, hoe de groote onbekende het licht zijner zaklantaarn op het gelaat van mr. Morton liet vallen.
Lord Lister legde zijn hand op het voorhoofd van den juwelier en voelde, dat dit ijskoud was. Hij schudde het lichaam heen en weer en onderzocht den hartslag.
Tevergeefs!
Mr. Morton bewoog zich niet meer en beide vrienden begrepen, dat zij een lijk voor zich hadden.
Nu begonnen de vrienden het lijk te onderzoeken, om te zien of het lichaam teekenen van geweld vertoonde. Maar zij ontdekten niets.
„De man is vermoord”, sprak Raffles tot Charly Brand, „maar het is vreemdste manier om iemand te vermoorden, die ik ooit heb ontdekt. Hij heeft geen enkele wond, zijn dood is mij een raadsel. Maar je ziet Charly, dat ik gelijk had.
Gisternacht zagen wij dezen man in zijn winkel staan en hedenmorgen vertelde een jongeman mij, dat mr. Morton op reis was. Ik ben nu nieuwsgierig om te vernemen, hoe dit alles in elkaar zit en voor alles wil ik onderzoeken of de paarlen in de brandkast van den overledene liggen.”
Op dit oogenblik werden op de eerste etage schreden vernomen. Dadelijk doofde Raffles het licht uit en luisterde.
Hij vernam het onduidelijk gemompel van twee stemmen. Boven werd een deur geopend en duidelijk hoorden zij een mannenstem, die in gebroken Engelsch met Italiaanschen tongval sprak: [13]
„Je zult je vergissen, mio amigo. Maar neem je revolver in elk geval mee, wij zullen gaan kijken.”
„Zij komen”, fluisterde Charly Brand. „Wat moeten wij doen?”
John Raffles dacht eenige seconden na.
De kamer bood geen gunstige plaats voor een schuilhoek—en de beide Italianen zouden zeker alles doorzoeken.
„Ga naast den doode liggen”, beval Raffles, terwijl hij opnieuw zijn lantaarn liet branden.
Met een rilling van afschuw strekte Charly Brand zich in het bed uit en Raffles legde het dekbed zoo netjes over zijn vriend, dat er niets meer van hem te zien was. Daarop ging hijzelf aan de andere zijde van den gestorvene liggen, doofde het licht uit en trok het dekbed nu ook over zichzelf heen, zoodat niets zijn aanwezigheid verried.
Door een kleine opening was Lord Lister in staat, de kamer te overzien. Hij herkende duidelijk den jongen man, die hem des middags had bediend, vergezeld door een ouderen. Deze laatste droeg een petroleumlamp en verlichtte daarmede het vertrek.
Zooals Raffles wel had vermoed, keken de mannen onder het bed, openden de kast en gingen daarna in den winkel. Na eenige minuten kwamen zij terug en de oudste sprak:
„Je ziet, dat je je vergist hebt, of denk je misschien dat de doode weer levend is geworden en in zijn huis rondkijkt, of alles in orde is? Stel je gerust, die wordt niet meer levend.”
Met een kreet van ontzetting omknelde de jonge man den arm van zijn makker en riep:
„Alle heiligen! Pietro, de doode beweegt zich!”
„Je bent een lafaard!” sprak de persoon, die Pietro werd genoemd, „een groote lafaard. Het flikkerende licht bedriegt je!”
Maar op dit oogenblik werd ook hij door een panischen schrik bevangen.
Met oogen vol ontzetting staarden beiden naar den doode en zagen, dat diens rechterarm zich langzaam ophief en een dreigende beweging tegen hen maakte.
Met een woesten gil namen zij de vlucht en snelden naar de trap. De beide indringers hoorden, dat zij de deur van hun kamer op de eerste etage zorgvuldig afsloten.
Dadelijk sprongen Raffles en Charly Brand uit het bed.
„Nu zijn wij ongestoord”, lachte Raffles, „den geheelen nacht. De bandieten komen niet terug. Ik heb hun een grooten schrik bezorgd door den arm van het lijk te bewegen. Nu kunnen wij op ons doode gemak de brandkast van mr. Morton onderzoeken. Ga nu mee in den winkel, ga daar achter de deur liggen en zoodra je de schreden van iemand in de straat verneemt, geef je mij een teeken, opdat ik mij in den helderverlichten winkel achter de toonbank kan verbergen.”
Charly Brand deed wat hem bevolen werd, terwijl zijn vriend zich met zijn werktuigen naar de brandkast begaf. Herhaaldelijk gaf Charly het afgesproken teeken en telkenmale verborg Raffles zich achter de toonbank, totdat de voorbijganger het huis was voorbij gegaan.
Na een half uur werkens had hij de brandkast geopend en nam hij er een kistje uit met losse, geslepen diamanten en uit een etui een collier paarlen. Het waren tachtig buitengewoon mooie, matrose Indische paarlen.
Andere voorwerpen van waarde vond hij niet in de brandkast en nadat hij deze had gesloten, verliet hij den winkel.
In de kamer van den doode vond hij quitanties en eenige stempels van Morton.
Met deze stempels onderteekende hij de quitantie, daarop nam hij van de schrijftafel een brief met de handteekening van Morton en stak dezen met de quitanties in zijn borstzak. Hierna sloop hij met Charly Brand lang de trap terug en samen verlieten zij het huis langs denzelfden weg, dien zij gekomen waren.
Een half uur later liepen zij weer met de handen in de broekzakken, de Lincolnstreet door.
Tegen vier uur in den morgen bereikten zij hun huis. [14]