Het was tegen negen uur in den morgen, toen John Raffles reeds weer met Charly Brand den winkel van den juwelier Morton binnenging. De winkel was leeg en zij moesten een poosje wachten voordat de jonge man verscheen, die hen den vorigen dag had bediend.
Voordat John Raffles iets kon zeggen, sprak de jonge man op zenuwachtigen toon:
„Het spijt mij, u te moeten zeggen, dat ik nog niet in staat ben om u het paarlencollier te verkoopen, omdat de dame het mij nog niet terugzond. Ik ben bang, dat de ketting, dien ik op onvoorzichtige wijze naar een hotel zond, mij afhandig is gemaakt.”
„Zoo,” antwoordde lord Lister, terwijl hij zijn portefeuille te voorschijn haalde, waaruit hij een quitantie van mr. Morton nam. Dit quitantie-formulier, dat hij des nachts had medegenomen, had hij thuis ingevuld tot een bedrag van 2000 pond sterling, met de opmerking, dat dit geld terugbetaald zou worden, ingeval Morton het paarlencollier, dat 5000 pond sterling moest kosten, niet meer in zijn bezit had.
„Wees zoo vriendelijk, mij dan het bedrag van 2000 pond sterling terug te betalen. Ik wensch de paarlen nu niet meer te koopen.”
De jonge man trommelde zenuwachtig met de vingers op de toonbank en wist niet, wat hij moest antwoorden.
„Ik heb niet veel tijd,” sprak de klant, „geef mij mijn geld terug.”
„Het spijt mij,” antwoordde de verkooper. „Mr. Morton liet dat bedrag niet hier, gij moet geduld hebben tot mijnheer terugkeert.”
John Raffles amuseerde zich in stilte over den in het nauw gedreven misdadiger. Hij hield hem als een snoek aan den hengel.
„Het is jammer,” sprak hij, „maar ik heb mijn geld noodig om elders een paarlencollier te koopen. Ik geef u een uur den tijd. Gij kunt intusschen Mr. Morton telegrafeeren of op de een of andere manier het geld trachten ter leen te krijgen. Als ik het bedrag over een uur niet krijg, dan zie ik mij genoodzaakt, naar de politie te gaan en Mr. Morton wegens verduistering aan te klagen.”
Zonder te groeten verliet hij met Charly Brand den winkel en begaf zich naar een restaurant aan de overzijde der straat.
Terwijl zij daar ontbeten, sprak hij tot Charly:
„Een prachtige zaak. Die geschiedenis amuseert mij meer dan het beste blijspel. Deze misdadigers hebben geen moeite en tijd gespaard en bovendien een zware misdaad begaan om in het bezit van de zaak van den juwelier te komen en nu moeten zij, zonder dat zij er iets aan kunnen doen, hun geheelen buit aan mij overleveren. Meer dan 2000 pond sterling is het zilver- en goudwerk in den winkel niet waard.”—
Na een uur stond hij op en ging hij den winkel binnen. Hier stond behalve de jonge man ook diens oudere vriend.
De groote onbekende zag, dat deze hem met wantrouwende blikken aanzag.
„Hebt gij het geld?” vroeg Raffles.
„Ja”, antwoordde de jonge man, „ik heb mij het geld verschaft, want ik kon mr. Morton niet bereiken.”
Hij opende de kas en nam daaruit verschillende pakjes Engelsch bankpapier, die hij Lord Lister overreikte.
Langzaam telde Raffles het papiergeld na en nadat hij de quitantie op de toonbank had gelegd, stak hij het geld in zijn borstzak met de woorden:
„Het is vreemd, dat mr. Morton, met wien ik reeds jarenlang zaken doe en dien ik als een zeer stipt, ervaren [15]koopman ken, zich dezen grooten verkoop aan mij laat ontglippen. Wilt u mijnheer voor mij groeten?”
Met een ironischen glimlach verliet hij weer het huis.
Toen hij de deur achter zich wilde dicht doen, hoorde hij, hoe een der twee heeren op zachten toon: „Vervloekte kerel!” mompelde.
John Raffles sloot de deur, stak een sigarette aan en ging vergenoegd rookend heen.
„Nu zal ik de schurken aan Scotland Yard overleveren”, sprak hij tot Charly Brand, „opdat mijn vriend Baxter weer wat te doen krijgt. Die kerel schijnt weer te slapen.”
In een huurrijtuig reed hij naar huis.
Na een half uurtje reeds verliet hij het huis weer, in de vermomming van een ouden, grijzen Engelschen marinekapitein, Charly Brand verkleed als roodharig Iersch bediende en per rijtuig begaven zij zich opnieuw naar de zaak van juwelier Morton.
Bij zijn binnentreden vond hij den jongen man bezig, verschillende kisten, die goud- en zilverwerken bevatten, uit te pakken.
„Ik kom hier”, sprak John Raffles, terwijl hij een brief te voorschijn haalde, die voorzien was van Morton’s stempel, „naar aanleiding van een schrijven van Mr. Morton, dat deze mij een week geleden zond en waarin hij mij aanbood, zijn huis te koopen. Is die heer Morton aanwezig?”
„Het doet mij leed, maar Mr. Morton is tijdelijk op reis”, klonk het antwoord.
„Op reis?” herhaalde Raffles op den toon der grootste verbazing.
„Op reis? Maar Mr. Morton schreef mij toch, dat hij mij heden verwachtte.”
„Het spijt mij”, antwoordde de jonge man, „Mr. Morton moest voor dringende zaken op reis”.
„Dat is erg jammer”, sprak de nieuwe bezoeker, „omdat ik slechts eenige uren verlof kon krijgen en reeds hedenavond naar mijn schip moet terugkeeren. Dan wilt gij zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij toch even het huis te laten zien?”
De jonge man wist niet, wat hij zou antwoorden; radeloos staarde hij John Raffles en Charly Brand aan.
„Ik ken het huis van vroeger”, begon de vermeende kooper weer, „als ik mij goed herinner, grenst aan dezen winkel een groote kamer met een uitgang naar de binnenplaats. Gij staat mij zeker wel toe, even te kijken?”
Zonder een antwoord af te wachten, liep Raffles achter de toonbank langs en reeds wilde hij de deur naar de kamer openen, toen plotseling de jonge man als een kat naar den indringer sprong, hem van de deur wegstiet en uitriep:
„Halt, mijnheer! Mr. Morton heeft mij uitdrukkelijk verboden, iemand gedurende zijn afwezigheid in de kamers toe te laten”.
„Maak u toch niet belachelijk”, antwoordde de kapitein, terwijl hij, quasi goedig, zijn rechterhand op den schouder van den jongen man legde, tevergeefs trachtte deze zich hieraan te onttrekken.
Nog voordat hij iets had kunnen zeggen, had Raffles de deur naar de kamer geopend en een luide uitroep van goed voorgewende verbazing ontsnapte hem.
Hij staarde naar den in het bed liggenden juwelier, wiens doodengelaat als uit was gekneed op het kussen lag.
Op dit oogenblik traditie de jonge man, die nog steeds door Raffles werd vastgehouden, zich los te rukken en te vluchten. Maar de vermeende kooper hield hem vast en, nadat hij hem een slag tegen het voorhoofd had gegeven, legde hij den bewusteloozen jongen man op den grond neer.
Daarop begaf hij zich naar het in het vertrek aanwezige telefoontoestel, en liet zich verbinden met het hoofdbureau van politie, Scotland Yard.
„Zend dadelijk verscheiden bekwame mannen naar Lincolnstreet 16, huis van juwelier Morton”, verzocht Raffles den bedienenden beambte van Scotland Yard. „Er is daar een groote misdaad gepleegd.”
In minder dan tien minuten arriveerde een politie-auto voor den winkel en de groote onbekende, die door de etalage-vensters naar de personen keek, die er uitstapten, sprak tot Charly Brand: [16]
„Natuurlijk! Onze oude vriend, inspecteur Baxter, geeft zich persoonlijk de groote eer, een misdaad te ontdekken”.
Zoo was het. De inspecteur van politie betrad het eerst den winkel en John Raffles stelde zich aan hem voor als de kapitein der Engelsche marine, sir Charles Lobster. Met korte woorden vertelde hij, terwijl hij hem den brief van Morton toonde, waarvan de beambte niet kon vermoeden, dat lord Lister hem zelf had geschreven, dat de jonge man hem had belogen en hem had verteld, dat de juwelier Morton op reis was, terwijl de man in de kamer achter den winkel dood in zijn bed lag. Deze leugen had hem aanleiding gegeven om de hulp der politie in te roepen.
„Ik dank u”, sprak Baxter, op militaire wijze groetend, „wij zullen voorzichtigheidshalve den knaap dadelijk de handboeien aandoen”.
De beambten boeiden den jongen man en terwijl zij hem de stalen banden om de polsen legden, verschoof de mouw van den onderarm en detective Marholm deinsde plotseling terug, alsof hij een heet ijzer had beetgepakt. Hij sprak tot Baxter, naar den ontblooten onderarm van den geboeide wijzende:
„Kijk eens naar die tatoeëring, inspecteur Baxter!”
Baxter, de beambten, John Raffles en Charly Brand keken allen op en zagen op den linkerarm een zwart gebrande rechterhand met uitgestrekte vingers.
„Het teeken van de „Zwarte Hand”, sprak Baxter.—„Vervloekt! Wij hebben hier te doen met de zwaarste misdadigers. Die man daar is een lid van de geheime vereeniging der Italiaansche Camorra”.
Op dit oogenblik werd de deur der kamer opengeworpen, en de oudere makker van den geboeiden Italiaan snelde binnen, in de rechterhand een revolver, in de linker een dolk houdend.
„Maledetto!” brulde hij, „wat wilt gij hier?”
„Jou gevangen nemen!” riep Baxter uit.
„De duivel hale u allen te zamen!” antwoordde de Italiaan, terwijl hij zijn revolver op Baxter richtte.
Maar op hetzelfde oogenblik knalde achter Baxter een schot. Met een vloek liet de Italiaan de opgeheven revolver vallen en een bloedstroom vloeide uit zijn rechterhand. De detectives grepen hem, ontnamen hem den dolk, en boeiden hem ondanks alle tegenstand.
„Wie heeft op den kerel geschoten?” vroeg Baxter.
„Dat deed ik”, antwoordde John Raffles doodbedaard, terwijl hij een cigarette aanstak.
De inspecteur van politie boog, en sprak:
„Dan hebt gij mij naar alle waarschijnlijkheid het leven gered, mijnheer!”
De zeeofficier glimlachte:
„Het is mij een groot genoegen, u in het leven te kunnen behouden, heer inspecteur! Ik zou u zeer missen!”
Nu klonk de stem van detective Marholm, die zijn chef toeriep:
„Kijk eens, inspecteur! Ook deze man heeft op zijn linkerarm het geheime teeken der Camorra!”
Baxter wierp hierop een korten blik, daarna ging hij met den politiearts, die hem vergezeld had, naar den doode, om dezen te onderzoeken.
„De dokter verklaarde echter, dat het onmogelijk was, voorloopig vast te stellen, of de juwelier eene natuurlijken of een gewelddadigen dood gestorven was.
„Dan zullen wij het huis doorzoeken”, beval Baxter, en allen begaven zich naar de hooger gelegen vertrekken.
Hier vonden zij echter niets verdachts. Slechts een grenzenlooze verwarring toonde aan, dat de kamers dagenlang niet gereinigd waren.
In een der vertrekken verrieden de rondliggende kleedingstukken, dat het door een vrouwspersoon werd bewoond.
Maar tevergeefs doorsnuffelden de detectives het huis, de dame was niet te vinden. En toch hoopten Baxter en Raffles beiden, van haar meer omtrent den dood van Morton te vernemen.
Waar was zij gebleven en wie was zij?
In deze kamer vond Raffles in een tafella een witten baard.
Vol belangstelling keken de detectives hem en braken zich tevergeefs het hoofd, tot welk doel hij gebruikt was.
Maar Raffles begreep het gebruik. [17]
Hij hield den baard den oudsten Italiaan voor het gelaat en sprak lachend:
„Hier is Mr. Morton, heeren, al lijkt hij ook niet sprekend!”
Een woedenden blik werd hem door den geboeide toegeworpen.
Raffles had diens geheim ontdekt.
Deze Italiaan was in den afgeloopen nacht de valsche Mr. Morton geweest, die, inplaats van den doode, de juweelen aan de dame in den winkel toonde.
Baxter had uit de aangrenzende huizen eenige bewoners laten halen om van hen te vernemen, wie de bedienden van den heer Morton waren geweest en of men misschien wist, waar zij gebleven waren.
Tot groote verbazing van den inspecteur Baxter en ook van John Raffles, wezen de buren van Morton den oudsten Italiaan aan als bediende van den overledene.
Daarentegen konden zij geen inlichtingen geven betreffende het uiterlijk van de huishoudster en de beide geboeide Camorristen zwegen.
Alleen Raffles wist, hoe de huishoudster er uitzag. Het moest de dame zijn, die hij in den nacht met de dievenlantaarn in den winkel had gezien, een mooie, blonde vrouw. Een niet alledaagsch gezicht en Lord Lister sprak tot zichzelf, dat hij deze dame onder de demi-mondaines in het Piccadilly-Circus of na theatertijd in de Strand-restaurants wel zou vinden.
Hij nam afscheid van Baxter en beloofde hem den volgenden dag in Scotland Yard te zullen opzoeken.
Toen Lord Lister den winkel reeds verlaten had, riep Baxter tot detective Marholm:
„Loop den kapitein na, ik vergat, hem naar zijn adres te vragen!”
En Marholm holde, zoo snel zijn korte beentjes hem konden dragen, Raffles na, en ontdekte hem, toen hij juist op het punt was, in een auto weg te rijden.
„Wacht als het u belieft, een oogenblikje!” riep hij bijna ademloos.
De Groote Onbekende liet den chauffeur nog even halt houden en vroeg den naderenden Marholm, wat hij wenschte.
„Mijnheer de inspecteur wenscht uw adres”, riep de detective uit, „hij heeft het noodig voor zijn acten!”
„Best”, antwoordde Raffles, „hier hebt gij mijn kaartje.”
Hij haalde een kaartje uit zijn visiteboekje te voorschijn, vouwde het dubbel en gaf het aan Marholm.
„Groet den inspecteur van politie Baxter voor mij en herhaal hem nog eens, dat het mij veel genoegen doet, hem het leven te hebben gered!” riep hij Marholm toe en in hetzelfde oogenblik gaf hij den chauffeur het bevel weg te rijden.
„Ik zal de boodschap overbrengen!” kon Marholm nog roepen, daarop tufte de auto heen en was na een minuut in het gewoel der menschen en voertuigen verdwenen.
Langzaam liep Marholm naar de juwelierszaak terug om Baxter het visitekaartje van den kapitein te brengen. Onder het loopen ontvouwde hij het kaartje, om het adres te lezen.
Hij moest plotseling blijven staan, en een luide kreet maakte de voorbijgangers opmerkzaam op hem.
Daarop barstte hij uit in een luid lachen en de omstanders dachten, dat hij dronken of krankzinnig was, toen hij proestend en schaterend doorliep. En hij lachte nog, toen hij zijn chef Baxter het kaartje gaf en deze, zoodra hij den naam las, als door een wesp gestoken, opsprong en uitriep:
„Raffles!”
„Jawel!” hijgde Marholm, bijna stikkend—„John C. Raffles zendt ons zijn visitekaartje. Jongens! De Groote Onbekende verdient het om inspecteur van politie van Londen te worden!”
De detectives lachten.
Maar de geboeide Camorristen wierpen elkaar een blik van verstandhouding toe. Zij wisten nu, wie hun in de val had gelokt, en zij zwoeren Raffles bloedige wraak. [18]