[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

IN HET HUIS VAN DEN BLOEDDORSTIGE.

Reeds dienzelfden avond hadden de Londensche bladen lange artikelen over de gevangenneming van twee leden der gevreesde Zwarte Hand en de vreemde omstandigheden, waaronder deze had plaats gehad.

„John Raffles, de misdadiger-detective!” schreeuwden de courantenjongens, en gaven hiermede den Grooten Onbekende een nieuwen eeretitel.

Een diep gesluierde dame kocht aan het Strand een avondblad van een der jongens. Zij scheen zeer gehaast te zijn, want zij wachtte niet op het kleingeld, dat de jongen haar wilde teruggeven. Verbaasd keek de boy haar na; hij dacht, dat zij zich vergist had en daar hij een eerlijk kereltje was, liep hij haar na en haalde haar in juist toen zij in een auto steeg.

„Houdt het geld maar!” riep de dame hem toe en de auto verdween.

In de gesloten auto sloeg zij den sluier, die haar gelaat bedekte, terug en met bevende handen opende zij het avondblad.

„Raffles slimmer dan de Zwarte Hand” luidde het hoofd van het sensatieartikel op de eerste pagina en daarop volgde de beschrijving van de gebeurtenissen in den winkel van Morton.

Onder het lezen verscheen een uitdrukking van woede op het gelaat der dame, waardoor haar madonna-achtig, schoon gelaat een duivelschen trek kreeg. Haar volle lippen werden stijf opeen gedrukt en toen zij het artikel had uitgelezen, kneep zij de courant samen en fluisterde:

„Wij zijn ontmaskerd—vervloekt!”

Woedend stampte zij met haar klein, elegant geschoeid voetje, op den vloer van het rijtuig.

Om zichzelf te kalmeeren, nam zij uit haar handtaschje een cigarette, die zij aanstak.

Nadenkend keek zij naar het drukke straatgewoel, Haar gelaat had een harde, vastberaden uitdrukking en een gevaarlijk licht schoot uit haar mooie oogen, als de loerende blikken van een kat, die zijn prooi zoekt in het donker.

Het was een groote tocht dien zij maakte. De auto reed van het Strand over de Theems naar de Tower. Vlak bij de Towerbrug gaf de dame den chauffeur een teeken om halt te houden en riep zij een daar passeerenden man met zwarten baard.

Deze schrok, toen hij zijn naam hoorde, liep naar de auto, en de chauffeur hoorde, dat de vreemdeling haastig eenige woorden in het Italiaansch wisselde.

Daarop riep hij tot den chauffeur: „Verder rijden”, en nam bij de dame plaats.

„Wat zeg je van de gevangenneming van onze kameraden, Charlotte?” vroeg de dame.

„Een vervloekte geschiedenis, Miss Toni”, antwoordde de zwarte man, „ik vernam het daar juist uit de couranten en dacht er over na, om onmiddellijk naar, het clublokaal te gaan”.

„Wij moeten een middel vinden om de gevangenen te bevrijden en, wat nog gewichtiger is, dien Raffles. onschadelijk te maken. Als wij hem te pakken krijgen, moet hij op ongekende wijze gemarteld worden”.

De man met den zwarten baard antwoordde schouderophalend:

„Ik geloof, dat de bevrijding van onze makkers ons zal gelukken, maar ik betwijfel of wij in staat zullen zijn, Raffles in onze macht te krijgen”.

Weer stampte de dame woedend met haar voet, en riep uit:

„Het moet! Hij had het voldoende moeten achten, Pietro en Jimmi het gestolene af te nemen.

Mij kwam de geheele zaak met den kooper van het paarlencollier al dadelijk verdacht voor. Ik vermoedde [19]een detective. Niemand kon vermoeden, dat wij met den Grooten Onbekende te doen hadden. Het was dom van mij, ik had gisteren het paarlencollier niet aan Jimmi en Pietro terug moeten geven.

Maar zij waren bang voor een ontdekking en wilden bovendien het sieraad voordeelig verkoopen.

Dit was nu een goede gelegenheid voor hen en wij zouden nu in het bezit zijn van meerdere duizenden ponden sterling, als niet”—zij zweeg en beet toornig in haar onderlip.

De zwarte sprak lachend:

„Als Raffles niet was gekomen en jullie het paarlencollier had afgenomen, benevens nog tweeduizend pond sterling en de beide domkoppen naar Scotland Yard had afgeleverd. Het is eigenlijk belachelijk, hoewel het mijn makkers zijn.

Jammer! Deze Raffles moest voorzitter van de Zwarte Hand zijn! Ik geloof, dat wij dan in staat waren om geheel Londen in het Kanaal onder te dompelen en alleen het geld over te houden.”

„Uw oordeel is zeer eigenaardig”, antwoordde Miss Toni. „Ons ongeluk schijnt u te amuseeren.”

„Neen, maar wel het meesterstuk van Raffles”, sprak de ander, „voor het overige plaats ik mij op uw standpunt, Miss Toni, dat het onze plicht is om iedereen, die onze makkers schade berokkent, het scheermes door de keel te jagen.”

De auto hield stil bij den hoek eener donkere straat en Miss Toni verliet met den donkerharigen man het voertuig.

Nadat zij den chauffeur hadden betaald, liepen zij de donkere straat in en bleven staan, voor een bescheiden huis van twee verdiepingen. Een hooge stoep leidde naar de huisdeur en onder de bel stond op een porceleinen bord te lezen:

Dr. Sabatini,
Arts en Verloskundige.

Een oude vrouw opende de deur en liet hen binnen, een Italiaanschen groet mompelend.

Miss Toni scheen het huis te kennen, want zonder vragen ging zij langs de trap naar boven en zonder kloppen trad zij een kamer binnen, waar verschillende mannen bijeen zaten.

Hun gebruinde gezichten en zwarte baarden verrieden duidelijk, dat zij Italianen waren. Met zuidelijke levendigheid begroetten zij Miss Toni en naar geleider en galant hielpen zij het meisje haar pelsmantel afleggen. De mannen maakten den indruk, beschaafde en goed opgevoede gentlemen te zijn.

Zij waren met zorgvuldige elegance gekleed en schenen van Italiaanschen adel te zijn, want Miss Toni noemde hen graaf en baron. Niemand had in deze heeren de hoofden van de beruchte Camorra, de Zwarte Hand, vermoed.

„Waar is Dr. Sabatini?” vroeg Miss Toni aan een hunner.

„Hij heeft een conferentie met Sergew Iwanowitsch in de zijkamer. De Rus is heden met belangrijke berichten uit Petersburg gekomen. Men bereidt daar een nieuwe revolutie voor en wij hopen daarbij nu meer voordeel te hebben dan bij de laatste, waar die laffe Revolutionairen bang waren voor de Regeering.”

„Ik denk, dat het van meer gewicht is om dadelijk met Dr. Sabatini te spreken over de bevrijding van onze makkers”, antwoordde Miss Toni.

„Wees onbezorgd”, sprak een ander, „de kameraden van onze afdeeling detectives hebben zooeven hunne bevelen ontvangen van Dr. Sabatini. Het is bijna zeker, dat reeds hedennacht de gevangenen zullen worden bevrijd en hier komen.”

Een zilveren bel weerklonk in de aangrenzende kamer. Dit was het teeken, dat Dr. Sabatini zijn conferentie had beëindigd en dat de wachtenden konden binnentreden.

Miss Toni opende de deur en trad, gevolgd door de Camorristen, de kamer van Sabatini binnen.

Het vertrek was gevuld met zware, donkere meubelen. Een prachtig gebeeldhouwde schrijftafel stond dicht bij de vensters, die door zware fluweelen gordijnen waren bedekt. Twee brandende kaarsen in hooge, zilveren kandelaars wierpen hun licht over een menigte papieren op de schrijftafel en over een ouden man met [20]witten baard, die aan het schrijfbureau zat en wiens uiterlijk deed denken aan dat van een Doge van Venetië uit de oude tijden.

Dit was Dr. Sabatini, het opperhoofd der Zwarte Hand, de president der meest gevreesde en gevaarlijke misdadigersvereeniging der wereld.

Niemand zou dien grijsaard met zijn welwillend en eerbiedwaardig uiterlijk hebben verdacht van een dier vreeselijke misdaden, welke hij had gepleegd en toch kon een tijger niet wreeder zijn dan deze oude man.

Vol trots noemde hij zich „De Bloeddorstige”.

In eerbiedige houding bleven de binnenkomenden in de deuropening staan en alleen Miss Toni mocht, na een handbeweging van den ouden man, op een stoel naast de schrijftafel plaats nemen, nadat de Rus Iwanowitsch van dezen zetel was opgestaan.

Dr. Sabatini keek Miss Toni scherp en doordringend aan en sprak:

„Wat voor een grenzenlooze domheid hebt gij begaan?”

„Een domheid?” vroeg Miss Toni met zachte stem.

„Ja zeker, een domheid”, herhaalde Dr. Sabatini, „gij hadt, toen Morton dood was, dadelijk alles van waarde moeten meenemen en doen verdwijnen.”

„Wij hoopten”, antwoordde het meisje, „de stukken van waarde uit de zaak tot goede prijzen te kunnen verkoopen. Daarom bleven wij!”

„De stommeriken zullen gestraft worden”, sprak Dr. Sabatini. „Ik zal hen naar onze afdeeling in New York sturen en zij moeten daar weer als nieuwelingen beginnen. Het is eenvoudig ondenkbaar, hoe gij een zaak, die zoo goed was voorbereid, hebt kunnen bederven.

Het was mij gelukt, door aanbevelingen Pietro als huisbediende bij den juwelier te plaatsen en eveneens jou als huishoudster.

En daarna, toen de man zonder opzien door mij naar de eeuwigheid was geholpen en gij zijn paarlen en diamanten tot uw beschikking hadt, laat ge u door dien kwajongen van een Raffles overdonderen.”

Hij wendde zich tot de Camorristen, die bij de deur Waren blijven staan en sprak:

„Ik heb een plan uitgewerkt, om den grooten onbekende en zijn handlanger te straffen. Binnen drie dagen zal deze man voor zijn brutaliteit om twee onzer makkers aan de politie over te leveren, met den dood worden gestraft. Hier is het vonnis, graaf Albergo.”

Deze naderde Dr. Sabatini en nam een vel papier in ontvangst, dat voorzien was van een zwarte hand, een doodshoofd en twee daaronder gekruiste beenderen en waarop het doodvonnis geschreven stond van John C. Raffles.

Nadat de graaf het geschrift had doorgelezen, gaf Dr. Sabatini hem een couvert, waarop met de schrijfmachine het juiste adres van Lord Edward Lister alias John Raffles was geschreven.

„Deze brief moet den man nog dezen nacht worden gebracht”, beval Dr. Sabatini, „en hier is het plan. Volgt het nauwkeurig op, dan zal de groote onbekende over drie dagen niet meer tot de levenden behooren.”

Hij maakte een handbeweging als teeken, dat hij verder niet lastig gevallen wenschte te worden.

Met een eerbiedige buiging namen de Camorristen afscheid, terwijl Miss Toni de haar toegestoken hand van Dr. Sabatini, waaraan een buitengewoon groote, prachtige diamant schitterde, aan haar lippen drukte.

Daarop verliet ook zij het vertrek.

— — — — — — — — — — — — — — — — —

Het was tegen twee uur in den nacht, toen de huisbel der woning van Lord Lister in Regent Park weerklonk en de uit zijn slaap gewekte oude kamerdienaar door het kleine raampje in de huisdeur de donkere gestalte van een man zag, die hem op zijn vraag, wat hij wenschte, antwoordde:

„Hier is een gewichtige brief, dien hij nog hedennacht aan Lord Lister moet geven.”

Door de opening schoof hij den bediende den brief toe en verdween. Deze ging in de slaapkamer van Lord Lister om zijn meester te wekken.

Raffles opende den brief en las hem kalm door. Daarop kleedde hij zich vluchtig aan en begaf zich naar het slaapvertrek van Charly Brand, een verdieping hooger.

Verschrikt sprong Charly op en riep: [21]

„Is er iets gebeurd?”

„Niets van beteekenis”, antwoordde Raffles, „men zond mij alleen mijn doodvonnis.”

„Je doodvonnis?” herhaalde Charly Brand, zonder te begrijpen. „Heb je dan een moord gepleegd?”

„Dat niet”, antwoordde Raffles, „maar ik ben zoo vrij geweest, twee leden van een moordenaarsbende aan de politie over te leveren. Dit doodvonnis bevat trouwens ook het jouwe, mijn jongen!”

„Ik vind het een onaangenaam zaakje”, meende Charly Brand. „Ik heb nog niet veel zin, een gewelddadigen dood te sterven. Wat denk je te doen?”

„Wij zullen morgen vroeg”, antwoordde Raffles, „het kleine huis van twee verdiepingen in de Websterstreet betrekken, dat ik voor twee maanden huurde. Wij moeten onze huidige woning een tijdlang mijden, totdat ik met die misdadigersbende heb afgerekend. Deze zaak is een beetje ernstiger dan een met een der heeren van Scotland Yard. Het zijn brutale schurken, met wie wij te maken hebben, maar ik zal hen te woord staan.

Dit wordt een interessant geval!”