[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

LIST TEGEN LIST.

De Websterstreet was een nauwe, donkere straat en hierin bevond zich het kleine, smalle huis, dat Raffles voor eenige maanden had gehuurd, om behalve zijn villa, een toevluchtsoord te hebben.

Het was slechts drie ramen breed, en slechts voor één gezin ingericht.

De vorige eigenaar was gestorven en John Raffles had van de erfgenamen het huis met den geheelen inboedel gehuurd.

„Wij moeten hier een tijdje ons zelf bedienen”, sprak de groote onbekende tot zijn vriend, nadat zij het huis waren binnengetreden. „Ik wensch niet, dat iemand in de buurt opmerkt, dat dit huis bewoond wordt.

Wij zullen de luiken gesloten houden, en de zware gordijnen, die voor de ramen hangen, stellen ons in staat om binnen licht te branden, zonder dat iemand op straat het merkt. En nu zullen wij het ons voor alles gemakkelijk maken. Ik zal de kachel aanleggen en jij kunt intusschen levensmiddelen en wat meer noodig mocht zijn, inkoopen.”

Een uur later zaten zij bij een vroolijk brandend haardvuur een kop thee te drinken en Raffles vertelde Charly Brand gebeurtenissen uit zijn vroeger leven in Indië en Afrika.

Toen het donker werd, draaide Raffles de lamp in de kamer uit en opende de gordijnen voor de vensters. Door de reten van de gesloten luiken kon hij door de smalle straat kijken, want een voor het huis staande lantaarn verspreidde voldoende licht.

John Raffles had eenige minuten door de reet gekeken, toen hij zich tot Charly Brand wendde en sprak:

„Kom eens hier, Charly, en kijk eens naar den man, die tegenover ons huis in die oude portiek zit en blijkbaar zoo vol attentie naar ons huis kijkt alsof het de Westminster Abdij was of het Paleis van den Koning.”

Charly Brand ging haar zijn vriend en keek naar de donkere gestalte aan de overzij.

„Waarvoor houdt je dien man?” vroeg Raffles.

Charly antwoordde:

„Ik kan zijn gezicht niet zien, hij heeft zijn hoed ver over het voorhoofd getrokken. Maar naar zijn kleeding te oordeelen, is het een Italiaansche draaiorgelman, [22]zooals men die veel in de straten van Londen ziet.”

„Je hebt gelijk, „antwoordde Raffles, „het is geen detective, maar een Italiaansche orgeldraaier. Zulk een vermomming kiest een detective niet, het zou te veel opvallen. En als men zich verkleedt, mag men niet opvallen, of wel men moet een geestelijke, een ambtenaar of een militair voorstellen, iemand voor wien de menschen respect hebben.”

„Welk belang kan die man er bij hebben, naar ons huis te kijken?”

„Je bent een domoor”, sprak John Raffles, „ondanks al mijn voorzorgsmaatregelen is het dien schurken, dien Camorristen, gelukt, ons spoor te volgen en die man staat daar aan de overzij alleen voor ons.

Het is een der Camorristen en ik wed, als naar gewoonte, tien pond sterling tegen een pruimepit, dat ik gelijk heb.

Alle Italianen buiten hun land, alle orgeldraaiers en fruithandelaren in Londen behooren tot de Camorra. Maar ik zal het den man daar ginds een beetje ongemakkelijk maken. Ik wensch hem niet als schildwacht voor het huis.

En die lui moeten merken, dat ik niet bang voor hen ben. Iedere Engelsche misdadiger, die aan onze galgen den dood vond, is een gentleman vergeleken bij die laffe, achterdochtige, moordzuchtige schurken.

Het zijn duivels in menschengedaante. Zij hebben geen eerbied voor leeftijd of geslacht.

En nu, Charly, moet je toonen dat je een waardig leerling van mij bent. Je moet dien kerel weg zien te krijgen.”

„Best!” antwoordde Charly, „zeg mij maar, wat ik moet doen.”

„Luister”, antwoordde Raffles, „je verlaat het huis door de tuindeur. Daarna klim je over de schuttingen van de aangrenzende tuinen tot aan het vierde huis van hier. Ik heb dat alles al bekeken toen ik het huis kocht.

Het is zonder eenig gevaar en heel gemakkelijk te doen.

Het vierde huis is onbewoond. Hier heb je een sleutel ervan, hij past op de huisdeur. Door die deur, welke je open laat, ga je de straat op. Ga eerst een eindje naar rechts, ga naar den overkant en kom dan terug aan de zij waar de Italiaan staat.

Zoodra je bij den kerel bent gekomen, ga je dichtbij hem staan, steekt je pijp aan en rookt hem in het gezicht om hem te tergen.

Laat al het verdere aan mij over. Ik denk, dat de kerel gauw zal heengaan. Dit oogenblik zal ik gebruiken door hem te volgen. Jij keert daarna in huis terug en bewaakt het, opdat geen van die zwartharige schurken bij ons kan binnensluipen.”

Charly Brand maakte zich gereed. Daarna opende hij een geheime kast in de gang, waarin verschillende wapens hingen. Hij nam een revolver en wilde die in zijn zak steken.

Maar Raffles sprak hoofdschuddend:

„Leg dat wapen weer op zijn plaats, Charly, het dient nergens toe, dat zware ding mee te dragen. In een strijd met de Camorristen zou je er geen nut van hebben. Zij zijn veel te geslepen om man tegen man te vechten. Zij vallen iemand steeds in den rug aan.”

„Zal ik dan ongewapend gaan?”

„Ja”, antwoordde Raffles, „je wapen zal ik zijn en, ik hoop, dat je niet twijfelt aan de deugdelijkheid ervan.”

„Neen”, sprak Charly Brand, „je hebt mij reeds uit de pijnlijkste omstandigheden gered, zonder dat ooit een haar van mijn hoofd is gekrenkt.”

„Ga dan nu.”

Lord Lister bracht zijn jongen vriend naar de achterdeur, opende deze en sprak:

„Tel nauwkeurig vier tuinen. Tot weerziens!”

Daarop verdween Charly over de schutting.

Raffles ging weer naar het venster om de uitwerking van Charly’s komst op den vreemdeling te zien.

Het duurde een kwartier eer Charly met slenterende schreden de straat afkwam. Met de handen in de zakken van zijn overjas en den kraag in de hoogte blies hij den Italiaan, toen hij dezen genaderd was, dikke tabakswolken in het gelaat.

Raffles lachte zachtjes en fluisterde:

„Hij doet het heel handig!”

En alsof hij hem wilde doorrooken, blies Charly [23]Brand onophoudelijk den rook zijner tabakspijp in het gezicht van den vreemdeling.

Nu ging de orgeldraaier eenige schreden meer naar links.

Dadelijk volgde Charly hem.

Maar nu werd de man boos. Met een woedend gebaar keerde hij zich om en riep op zoo luiden toon, dat Raffles het achter de gesloten luiken kon hooren:

„Maledetto! Zoekt gij ruzie met mij?”

Charly Brand lachte minachtend en spuwde op Engelsche manier voor de voeten van den Italiaan.

Als antwoord stiet de ander een groven Italiaanschen vloek uit.

Charly Brand spuwde opnieuw en sprak:

„De duivel moge je halen, gele Italiaan! Als jij mij in den weg staat en mij belet om te spuwen, waar ik wil, dan zal ik je een flinken por in je ribben geven op echt Engelsche manier!”

Charly bootste op uitstekende wijze de spraak van een Ier na.

Maar de ander bleef ondanks de zware beleediging merkwaardig kalm.

In het halfdonker der straat zag Raffles dat de Italiaan een sigaar aanstak.

Daarop ging hij langzaam verder.

Charly volgde.

Nu waren beiden zoover verwijderd, dat de groote onbekende ze nog slechts onduidelijk kon zien.

Charly Brand moest weer een beleediging hebben geuit.

Daar weerklonken van de andere zijde der straat de haastige schreden van een man.

Dadelijk vermoedde Raffles, dat de komst van dien man in verband stond met den Italiaan en Charly Brand.

Eenige seconden luisterde hij ademloos en hij zag, dat een mannelijke gestalte als een roofdier langs de straat sloop naar de beide twistenden.

Een korte woordenwisseling volgde, daarna eenige luide Engelsche vloeken en eindelijk weerklonk een kreet:

„Raffles! Raffles!”

Nu trok deze een pelsmuts over het hoofd, deed haastig een jas aan, waarin een Browning pistool stak en stormde de straat op.

Er konden slechts enkele seconden verloopen zijn sinds hij den kreet had vernomen. Maar geen spoor was er in de straat meer van Charly Brand te ontdekken, alleen een gebroken tabakspijp lag op het plaveisel.

Dit was zelfs voor Raffles een sterk stukje.

Hij dacht na:

„Brand was niet alleen. Hij was met den Italiaan en den anderen man. Met behulp van dezen derde had de Italiaan Charly overmeesterd en weggesleept. Maar toch! Drie menschen konden in Londen onmogelijk spoorloos verdwijnen! Zij moeten te vinden zijn!”

De groote onbekende snelde de straat langs tot aan den hoek der Liverpoolstreet.

Daar stond in behaaglijke rust een agent van politie, tot wien Raffles riep:

„Hebt gij hier eenige oogenblikken geleden drie mannen gezien, die uit de Websterstreet kwamen?”

„Ja, mijnheer!” antwoordde de agent op beleefden toon.

„Welken weg namen zij?” vroeg Raffles.

De politieagent dacht even na en antwoordde:

„Zij gingen de straat over naar den hoek aan den overkant, of liever twee van hen liepen en sleepten een derde mee, die blijkbaar te veel had gedronken.”

„Die man was niet dronken, maar door een slag bewusteloos gemaakt. Dat hadt gij moeten zien!”

„Het is mijn zaak niet, Sir,” antwoordde de agent, „om te onderzoeken, wat ik niet kan weten. De mannen namen daarginds een rijtuig en reden in de richting van de Theems.”

„Kent gij den koetsier?” vroeg Raffles op zenuwachtigen toon.

„Neen, mijnheer, in dit stadsgedeelte komen zelden rijtuigen.

Als gij echter een misdaad vermoedt, zal ik hulp doen aanrukken.”

„Dat is doelloos,” antwoordde Raffles, „ik zal het zaakje alleen opknappen.”

Langzaam ging hij naar zijn huis terug. Hij had in [24]zijn opgewondenheid vergeten te sluiten en was ongerust, dat iemand zou zijn binnengeslopen. Maar zijn vrees bleek ongegrond.

Hij vond bij zijn huiszoeking niemand en ging, in gepeins verzonken, bij den haard zitten.

Hij moest Charly Brand te hulp komen. Die kerels hielden een kort proces.

Plotseling hoorde hij boven zijn hoofd duidelijk het kraken van planken, zooals men dat verneemt als iemand er over loopt.

John Raffles luisterde met gespannen aandacht.

Maar onmiddellijk was alles weer rustig.

Hij stond op en liep naar de deur, die naar de gang leidde. Toen hij er vlak bij stond en de deur juist wilde openen, zag hij, dat de kruk bewoog.

Bliksemsnel schoof hij den grendel, die zich aan de deur bevond, ervoor. Als antwoord klonk een luide Italiaansche vloek.

Een wapen bezat Raffles niet. Zijn overjas, waarin de revolver, hing in de gang.

Hij overlegde een oogenblik, toen trad hij naar het venster en keek naar buiten. Hij zag, dat orgeldraaier weer tegenover zijn huis stond. Hij had den hoed niet meer zoo diep over de oogen getrokken en Raffles merkte op, dat de man een vollen baard droeg.

Dadelijk haalde hij uit zijn borstzak een pakje zwarte baardwol te voorschijn, dat hij, om zich snel te kunnen vermommen, altijd bij zich droeg. Met kleefstof bevestigde hij den zwarten baard aan zijn kin en met behulp van een spiegeltje veranderde hij zijn gelaat op meesterlijke wijze, terwijl zijn vijanden aan de andere zijde der deur tevergeefs trachtten, deze te openen.

Daarop snelde hij door een kleine, aan den tuin grenzende achterkamer, opende zacht het venster van dit vertrek en sprong onhoorbaar naar buiten.

Eenige minuten later zag de Italiaan op straat iemand naderkomen en hij gaf zijn makkers, die zich in de woning van Raffles bevonden, een teeken.

De vreemdeling was intusschen dichtbij gekomen en, terwijl hij een sigarette te voorschijn haalde, verzocht hij den Italiaan, die op wacht stond, om vuur.

Bereidwillig wilde deze een doosje lucifers te voorschijn halen, maar reeds ontving hij een vuistslag tegen den slaap en bewusteloos viel hij neer.

Haastig boog de vreemdeling zich over hem heen, nam hem den hoed van het hoofd, trok hem de overjas uit en kleedde zichzelf hiermede. Hij bond den Italiaan vast met de leeren riemen, die hij bij zich droeg, daarop draaide hij een prop van zijn zakdoek, stopte die den bewustelooze in den mond en opende met een looper de huisdeur, die het dichtstbij was. Hierachter legde hij den man neer, sloot daarna de deur weer en ging zelf op de plaats van den Italiaan staan.

Hij moest een kwartier wachten, daarna zag hij eenige mannen uit zijn huis komen, die hem vloekend naderden.

„Hij is gevlucht. Wij gaan nu naar de Club. Volg ons!” sprak een der mannen op zachten toon tot hem.

Raffles volgde zijn vijanden en dacht na over een plan, hoe hij zich uit de klauwen van deze geheele bende zou redden.

Hij begreep, dat hij met brutale kerels te doen had, die voor niets terugdeinsden.

Behalve een doek, dien hij in den jaszak van den geknevelden Italiaan had gevonden, droeg hij geen wapenen bij zich.

Na een wandeling van een half uur hielden de Italianen halt voor een kleine woning. Na een bepaald teeken werd de voordeur geopend en zij verdwenen.

Vastberaden ging Raffles ook bij de deur staan, waar hij het door hem afgeluisterde teeken nabootste en zonder aarzeling werd ook hem de deur geopend.

Een oude Italiaansche vrouw liet hem binnen. Aan het eind der gang stond een deur half open en uit de kamer weerklonken woest door elkaar schreeuwende mannenstemmen.

Het waren verwenschingen, die zij uitten, omdat Raffles hun was ontvlucht. Daarop riep een der Italianen:

„Dr. Sabatini heeft bevolen, dat de handlanger van Raffles, die in den kelder gevangen zit, in een zak [25]gepakt moet worden, die bezwaard moet worden met molenstenen en nog hedennacht in de Theems geworpen.”

Nauwelijks had Raffles deze woorden gehoord, of hij sloop langs de trap, die naar den kelder leidde, naar beneden, waar hij in een afgesloten gedeelte het kermen en zuchten van een mensch vernam.

Een eenvoudig slot, dat Raffles zonder eenige moeite opende, gaf hem toegang en in het volgende oogenblik bevond hij zich bij Charly Brand, die op den vloer lag.

Haastig maakte hij diens boeien los, trok hem de prop uit den mond en vroeg fluisterend:

„Ik ben het! Kan je loopen?”

Jawel!” antwoordde Charly zacht. „Ik kan loopen als de beste Engelsche windhond.”

„Goed”, sprak zijn vriend, „volg mij dan en wees over niets ongerust. Zorg er alleen voor, dat je wegkomt. Wees onbezorgd over mij, wat er ook gebeurt.”

Charly Brand’s hand vasthoudend, leidde hij dezen langs de trap tot in de gang. Daar zat de oude Italiaansche vrouw te breien.

Toen zij de beide mannen zag, wilde zij schreeuwen, maar reeds sloot John Raffles haar den mond.

Daarop riep hij Charly Brand toe:

„Schuif de grendels terug van de deur,—en nu vooruit! Ik volg!”

Haastig gehoorzaamde Charly dit bevel en hij hoorde alleen nog dat Raffles hem zacht toeriep:

„R. P.”

Dit was die afgesproken benaming voor hun woning in Regent Park. Daarop liep Charly Brand, zoo snel zijn voeten hem konden dragen, de straat op en spoedig was hij uit het oog verdwenen.

Hij zag het wanhopige gevecht niet meer, waarin zijn vriend was gewikkeld

De oude vrouw had de polsen van den Grooten Onbekende met bovenmenschelijke kracht vastgehouden en door hun worsteling was de stoel, waarop de oude zat, omgevallen. Dit geluid had de Camorristen uit de achterkamer naar de gang gelokt. Als een bende wolven stortten zij zich op Raffles en overweldigden hem, ondanks zijn wanhopige zelfverdediging.