Twintig paar oogen keken Raffles vol haat aan, toen hij zwaar geboeid in de achterkamer op den vloer lag. De misdadigers schreeuwden hem de gemeenste verwenschingen en vloekwoorden toe, toen de deur plotseling werd geopend en verschillende mannen met dr. Sabatini verschenen.
Dadelijk trad een diepe stilte in.
Niemand durfde zich bewegen, zoo groot was hun ontzag voor den „Bloeddorstige”.
Het welwillende glimlachje was nu van zijn gelaat verdwenen, hij vertoonde zich nu in zijn ware gedaante.
Zijn wenkbrauwen waren loerend samengeknepen en met snijdenden blik keek hij naar Raffles.
„Zoo, ben je daar”, sprak hij tot den geboeide, „dat bevalt mij”.
„Mij niet minder”, lachte de Groote Onbekende, [26]„ik heb allang gewenscht, den grootsten schurk der geheele wereld te leeren kennen”.
„Hondsvod!” siste de Bloeddorstige. „Nu, er viel hier niet veel voor je te stelen”.
„O, toch wel!” lachte Raffles vergenoegd, „ik heb mijn vriend gestolen”.
Verbaasd keek de bloeddorstige zijn mannen aan. Zij hadden hem nog niets verteld van de vlucht van Charly Brand.
„Waar is de handlanger van dezen kerel?” vroeg dr. Sabatini.
„Bevrijd en gevlucht!” antwoordde een der Camorristen.
„Duivel!” vloekte Dr. Sabatini, „en wiens schuld is dat? Wie had de wacht?”
„Wij hielden hier in huis geen wacht voor noodzakelijk”, antwoordde graaf Albergo.
„Die man moet morgen weer in onze macht zijn. Hij kent ons geheim lokaal en is dus gevaarlijk voor ons. Als ge hem hebt gevonden, snijdt hem dan dadelijk de keel af. Hij mag niets verraden.”
Nu sprak de Bloeddorstige weer tot Raffles.
„Je zult wel weten, waarom je moet sterven. Je zult den morgen niet meer beleven. Het was verstandiger geweest, als je je niet met onze zaken had bemoeid”.
„Het was allang mijn plan, om u voor uw misdaden te straffen, dr. Sabatini. Onze politie is niet tegen u opgewassen. Daarom beschouw ik het als mijn sport, het voor haar op te nemen en u te toonen, dat al die moorden niet ongestraft gepleegd worden. Zulke schurken, die er een beroep van maken om hunne medemenschen de keel af te snijden, behooren aan de galg en ik zal spoedig het genoegen smaken, u eraan te zien hangen.”
Een schreeuw van woede onderbrak de woorden van Raffles. Met gebalde vuisten stond de oude man voor hem, en een blik van doodelijken haat trof den Grooten Onbekende.
„Neemt hem mee!” beval de Bloeddorstige.
„Waar moet hij sterven?” vroeg graaf Albergo.
„Domoor” lachte Raffles, „als gij niet voortmaakt, zal mijn vriend u geheel Scotland Yard op uw dak sturen!”
„Maledetto!” vloekte dr. Sabatini, „dat is waar. Wij moeten dit huis verlaten. Laten wij ons dus haasten en in mijn huis samenkomen. Morgen zullen wij zijn huis met een bezoek vereeren.
Ik hoop, dat het de moeite waard zal zijn, wat hij voor ons bijeengestolen heeft.
Brengt hem in de bovenkamer. Ik zal hem daar zelf behandelen. Waar is Miss Toni?”
„Zij wacht op mij in het restaurant Monti”, antwoordde graaf Albergo.
Nu grepen verschillende kerels Raffles op en sleepten hem langs een trap naar een hoogere verdieping.
In een donker vertrek bonden zij hem op een stoel vast.
Dr. Sabatini bracht een wekkerklok mee, een uurwerk zooals men ze in goedkoope winkels ziet.
Maar de groote wijzer was afgeschroefd en daarvoor inplaats bevond zich een smal, vlijmscherp scheermes.
Dr. Sabatini zette het uurwerk op een zuil. Daarop knoopte hij aan een haak, die aan het plafond was bevestigd, een langen zijden draad, die vlak langs het uurwerk liep, zoodat het over den rand heenreikende scheermes den draad op een bepaald punt moest doorsnijden.
Aan dezen draad bond dr. Sabatini eenige centimeter onder het uurwerk een dynamietbom. (Zie het titelblad).
Na het ontploffen van deze helsche machine zou de politie hier niet veel meer kunnen vinden.
„Zet den wekker zoo, dat hij over vijf minuten zijn werk doet”, sprak dr. Sabatini tot graaf Albergo, „en verlaat daarna onmiddellijk het huis. Ik ben bang, dat de vluchteling de politie heeft gewaarschuwd. Vooruit! Zet den gevangene voor de klok. Hij kan van zijn laatste oogenblikken genieten”.
De Camorristen schoven Raffles tot dichtbij het uurwerk. Daarop onderzochten zij nogmaals zijn boeien en gingen heen. [27]
Dr. Sabatini, die het langst bleef, sprak tot den geboeide:
„Je ziet, dat je eindelijk je meester hebt gevonden. Aangename reis!”
Met een hoonenden lach ging hij naar de deur.
Maar John Raffles riep hem na:
„Denk eraan, dat ik je de galg beloofd heb!”
„Hondsvod!” stiet de ander woedend uit.
Daarop verliet hij de kamer en sloot de deur.
Eenige seconden later hadden de Camorristen het huis verlaten.
Raffles herademde.
„Domme kerels”, sprak hij tot zichzelf, „ze denken mij als een luchtballon naar de andere wereld te sturen en zij vergeten, dat daarvoor in de eerste plaats mijn eigen toestemming noodig is. Aan het werk dus!”
De brandende kaars, die op tafel stond, verspreidde voldoende licht om den Grooten Onbekende zijn werk gemakkelijker te maken.
Hij schoof langzaam vooruit met den stoel, waarop men hem geboeid had.
Voorzichtig boog hij zich voorover, met zijn mond nam hij het wekkerklokje op en gooide het op den vloer.
Nu liet hij ook zichzelf vallen en ging zoo liggen, dat zijn rechterhand, die aan een der stoelpooten vastgebonden was, het scheermes kon beetpakken.
Na eenige oogenblikken had Raffles zich van zijn boeien bevrijd.
Hij rekte zijn leden uit, ging daarop naar de deur en opende deze met een kleinen steeksleutel, dien hij in zijn vestzakje had.
Haastig verliet hij nu het huis door de tuindeur, want hij vermoedde, dat een wacht van Camorristen het huis bewaakte.
Als een kat sprong hij over de schuttingen der aangrenzende tuinen en eindelijk bereikte hij door een leegstaand gebouw de straat.
Van daar kon hij het huis zien, waarin men hem gevangen had gehouden.
Twee mannen stonden aan de overzij der straat er naar te kijken.
Raffles lachte en liep verder.
Hij ging een kleinen winkel binnen en kocht zich voor het laatste geldstuk, wat hij had, cigaretten. Toen hij, behagelijk rookend, verder ging, hoorde hij plotseling aan het eind der straat een geweldige ontploffing.
Terzelfder tijd snelden de beide mannen, die Raffles voor het huis had zien staan, de straat langs en schreeuwden:
„Brand! Brand!”
Van alle kanten stroomden menschen toe en eindelijk kwamen brandweer en politie.
Er viel niets meer te redden.
Het huis was geheel verwoest en de brandweer nam als oorzaak gasontploffing aan.
Maar Raffles wist beter.
Hij had een rijtuig genomen en reed naar huis.
Charly Brand wachtte in zenuwachtige spanning op hem en ontving hem met de woorden:
„Waar bleef je zoo lang?”
„Men heeft mij in de lucht laten vliegen”, lachte Raffles. „De Camorristen hielpen mij met een dynamietpatroon naar de andere wereld.
Raffles is dood—leve Raffles!”
De Groote Onbekende sprak nu op meer ernstigen toon:
„En nu mijn jongen, betaal den koetsier, die voor de deur wacht, dan ga ik soupeeren. Het wordt tijd!”
Na het souper kleedde Raffles zich zorgvuldig en sprak tot Charly Brand.
„Je moet nu met mij meegaan en ook de oude kamerdienaar Victor. Jullie gaat tot nader order in het Cecil Hotel wonend. Noem je daar mr. James Bennet uit Manchester.
Ik kom je daar morgen bezoeken. Verlaat het hotel niet, voordat ik je afhaal”.
Charly Brand maakte zich gereed en met den ouden kamerdienaar verliet Raffles, nadat hij alles goed had afgesloten, de villa.
Aan het Strand nam hij afscheid van Charly en reed alleen verder.
Voor het bekende voorname restaurant der demi-monde [28]steeg hij uit. In dit lokaal hoopte hij Miss Toni te zullen vinden.
Graaf Albergo had deze plaats genoemd als zijn rendez-vous met haar.
John Raffles doorliep de weelderig uitgedoste zalen en zag in een stil hoekje „de dame met de dievenlantaarn”, zooals hij haar noemde, zitten, waar zij blijkbaar op iemand wachtte.
Graaf Albergo was nog niet aanwezig.
Met de vrijmoedigheid van een man van de wereld nam Raffles aan haar tafeltje plaats en op ongegeneerden toon vroeg hij:
„Willen wij samen soupeeren?”
„Ik dank u”, antwoordde de Miss, „ik wacht op een vriend”.
„Op graaf Albergo?” vroeg Raffles op zachten toon, zich amuseerend over het verbaasde gelaat van de dame. Zenuwachtig keek zij hem aan en vroeg:
„Hoe weet gij dat?”
„Ik weet alles, ik ben gedachtenlezer”, schertste de Groote Onbekende. „Als gij mij uw mooie handen wilt geven, zal ik u uit de lijnen waarzeggen”.
„Gij schertst, mijnheer”.
„Neen, Lady, volstrekt niet, ik kan u het verleden en de toekomst onthullen”.
„Onzin,” antwoordde Miss Toni, „dat is onmogelijk!”
„Ik wed het!” lachte Raffles.
„Goed”, sprak de dame, „wed een banknoot van tien pond tegen een souper met mij. Kunt gij mij zeggen waar ik vanmiddag ben geweest?”
John Raffles nam een banknoot van tien pond uit zijn portefeuille en legde die op tafel.
„Ik neem het aan”, sprak hij.
„Allright”, lachte Miss Toni, hem haar handen voorhoudend. „Ga uw gang—”
Lord Lister hield haar handen vast en keek er oogenschijnlijk zeer oplettend naar. Daarop sprak hij op zachten toon.
„Gij zijt heden bij Dr. Sabatini geweest!”
Verschrikt keek Miss Toni hem aan en haar handen welke hij vasthield, beefden.
„Hoe kunt gij dat weten?” vroeg de mooie misdadigster met trillende lippen.
„Ik zei u immers dat ik gedachtenlezer ben”, schertste Raffles, „en nu zal ik u nog meer vertellen. Ik weet, dat gij twee nachten geleden bij een zekeren Mr. Morton zijt geweest—een juwelier—gij hadt een dievenlantaarn bij u—en waart bezig den winkel leeg te stelen. Bovendien kennen wij elkaar reeds uit New-York. Gij heet niet Toni, maar Marietta, en men zocht u in New-York wegens moord. Misschien herinnert gij u het lijk, dat in een vat werd verborgen en den blonden Oostenrijker—jammer dat Petrosino dood is.—Het zou hem genoegen doen, u eindelijk te leeren kennen, hoewel de zwarte Marietta is veranderd in een blonde Toni”.
Met oogen vol ontzetting staarde de ontmaskerde naar den heer tegenover haar, haar adem stokte en de zaal scheen met haar rond te draaien.
Zij wilde haar handen uit de zijne trekken. Maar tevergeefs. Zij werden als door schroeven vastgehouden en plotseling haalde Raffles uit zijn zak een paar handboeien, die hij in een oogwenk de dame aandeed.
„Stevige armbanden”, sprak hij op spottenden toon tot de half bewustelooze vrouw, „en volg mij nu, zonder veel opzien te verwekken, naar het bureau van het restaurant”.
De Groote Onbekende deelde den chef van de inrichting mede, dat hij een gevaarlijke misdadigster had moeten gevangen nemen en dat deze nu in het bureau moest worden opgesloten, totdat de detectives zouden zijn gekomen.
Daarop telefoneerde hij naar Scotland Yard en liet zich met detective Marholm verbinden.
„Kom dadelijk naar het Italiaansche restaurant in de Oxfordstreet om de daar in het bureau opgesloten Camorriste af te halen”.
„Heb ik de eer met Raffles te spreken?” vroeg Marholm.
„Jawel, mijn waarde”, lachte deze, „ik zie wel, dat wij goede kennissen zijn. Verzuim vooral niet om dadelijk te komen”.
„Dadelijk!” beloofde Marholm. [29]
De Groote Onbekende ging in de zaal terug, om graaf Albergo te wachten.
Deze liep reeds zoekend langs de tafeltjes.
Raffles riep een kellner, gaf dezen een goede fooi en sprak:
„Deel dien heer, die daar langs de tafeltjes loopt, mede, dat de dame, die hij zoekt, Miss Toni, naar Dr. Sabatini is gegaan. Hij wordt verzocht, haar daar af te halen. Maar zeg niet, dat ik u deze boodschap gaf”.
De kellner, die in dit restaurant der demi-monde aan dergelijke dingen gewend was, glimlachte bescheiden en snelde naar graaf Albergo.
De Groote Onbekende zag, dat deze eerst ongeloovig het hoofd schudde, en daarna de zaal verliet.
Dadelijk volgde Raffles hem, want hij wilde weten, waar de woning van dr. Sabatini was en in een huurrijtuig volgde hij de equipage van den graaf.
Zonder te vermoeden, dat men hem volgde, had de graaf het rijtuig in de nabijheid van de woning van den „Bloeddorstige” verlaten. Het laatste eindje ging hij te voet.
Als een schaduw sloop Raffles in de donkere straat den Italiaan na en een zegevierend lachje gleed over zijn gelaat, toen hij den graaf de stoeptreden van het huis van Dr. Sabatini zag beklimmen.
Dadelijk nadat Albergo was binnengegaan, haastte Raffles zich om het naambordje te gaan lezen.
„Het is mij gelukt!” fluisterde hij, en even onopgemerkt als hij gekomen was, verdween hij weer.
Intusschen had detective Marholm met een zijner collega’s Miss Toni afgehaald en naar Scotland Yard vervoerd.
Zij werd in een bijzonder veilige cel opgesloten.