[Inhoud]
Onder de puinhoopen van Messina.

Onder de puinhoopen van Messina.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN VRIEND IN HET ONGELUK.

Wie de beide mannen had gezien, die tegenover elkaar stonden in de gezellige studeerkamer van Lord Lister, had hen stellig voor een tweeling gehouden. Zij hadden bijna dezelfde lange, slanke gestalte en niet alleen hun gelaatstrekken geleken op elkaar, maar ook het haar en de snor. Toch was de een een Engelsche Lord, de ander een Siciliaansche markies uit Messina, de trouwe vriend van den eerste.

Een groot verschil lag echter in hun oogen. Die van den Engelschman hadden een uitdrukking van fierheid, levenslust en kracht, terwijl het gelaat van den aristocratischen Zuid-Italiaan sprak van droeve neerslachtigheid.

„Stel u gerust, mijn Beste markies Finori,” sprak Lord Lister, terwijl hij den beproefden vriend de hand drukte, „neem plaats en vertel mij meer over den plotselingen dood van uw hooggeachten vader. Wie had dat gedacht, toen hij nauwelijks een jaar geleden zoo vol kracht en gezondheid met ons den Etna besteeg! Ik kan nog bijna niet aan zijn dood gelooven!”

De jonge markies Finori had plaats genomen en drukte zijn batisten zakdoek tegen de oogen. Hij bedwong met moeite een luid snikken.

„Ach, Lister, het lijkt mij zelf bijna onmogelijk! Het verschrikkelijke echter is, dat ik zelf niets nadere omtrent het ongeluk weet dan dat volgens schrijven van de overheid van Messina mijn goede vader met zijn zeiljacht op de stormachtige zee is omgekomen.

Men heeft de hem toebehoorende voorwerpen, zijn jas, verdere kleedingstukken en pet gevonden en het gehavende jacht werd bij Catania op het strand geworpen!”

„Wat? En zijn lijk is niet gevonden?” vroeg lord Lister in gespannen aandacht.

„Tot heden nog niet! Is dat niet verschrikkelijk? En bovendien denk eens, Lister, in opdracht der Siciliaansche Bank werd mij door den advocaat Lavici medegedeeld, dat het geld, ten bedrage van een millioen, dat daar was gedeponeerd, kort voor het ongeluk op een cheque van mijn vader teruggehaald is.

De Bank is daardoor niet meer in staat mij mijn maandelijksche wissels uit te betalen. Nu heb ik kort voor de ontzettende ramp een brief ontvangen, geschreven met de hand van mijn vader, die mij verwijst naar een Siciliaansche waarzegster hier in Londen.”

„Verder, dat interesseert mij levendig!” riep Lister uit terwijl hij een sigarette aanstak en den markies het etui aanbood, wat deze echter weigerde. [2]

„Ja, daar ik de vrijzinnigheid van mijn vader ken, verraste mij een dergelijke wensch buitengewoon.”

„En zijt ge daar reeds geweest markies?”

„Neen nog niet, beste vriend!”

„Zooveel te beter! Maar ga voort!”

„Bovendien verzocht mijn vader mij in dien brief, zoo spoedig mogelijk terug te keeren daar hij gewichtige familiezaken met mij te bespreken had. Verder is de daarin vermelde wissel van 5000 lire intusschen aangekomen. Ik zal dus over eenige dagen naar mijn vaderland teruggaan, maar als een geheel ander mensch! Hoe vreeselijk is dit alles! Dit verschrikkelijke ongeluk, dat als een bliksemstraal uit helderen hemel mij heeft getroffen, rooft mij bijna het verstand. Alles is zoo onwaarschijnlijk en toch valt er niet aan te twijfelen!

„Geef mij raad, help mij Lister! Gij zijt de eenige vriend die mijn volle vertrouwen geniet! Wat moet ik doen! Hoe moet ik het vreeselijke raadsel oplossen?!”

De markies wrong de handen, terwijl twee groote tranen langs zijn bleeke wangen rolden.

Lord Lister blies blauwe wolken uit zijn sigarette en dacht na. Daarop keek hij zijn vriend die zoo innig bedroefd was, vol medelijden aan en sprak:

„Alles wat ik kan doen, beste markies, zal ik, al was het alleen uit hoogachting voor uw edelen vader, in het werk stellen. Maar ik begrijp nog niet alles. In deze geheimzinnige zaak zijn vooral twee punten, die nog opgehelderd moeten worden: ten eerste de vreemde wensch van zulk een verstandigen ouden man als waarvoor ik uw vader heb leeren kennen, de wensch om bij een waarzegster de toekomst te vragen en ten tweede het gezamenlijke verdwijnen van—vergeef mij de uitdrukking—uw vader en het vermogen op de Bank!

Het kan ook mogelijk zijn, dat de wensch van uw vader om de toekomst te willen weten zijn oorzaak vond in een voorgevoel, dat de oude heer had van het naderend ongeluk. Mag ik den brief misschien zien?”

De markies was kalmer geworden. Reeds het bewustzijn, een vriend aan zijn zijde te hebben, had hem getroost. Hij haalde den brief uit zijn zak te voorschijn en gaf hem aan Lister.

De jonge Lord las hem aandachtig door. Een oogenblik schitterden zijn oogen.

„Wat een prachtig, regelmatig handschrift had uw vader!” sprak hij.

„Ja, als hij het, zooals bij dezen brief het geval blijkbaar was, op zijn gemak deed! Anders schreef hij in den regel sneller en slordiger, mijn goede vader!”

Lister knikte veelbeteekenend.

„Het is een mooie, goed gestelde brief!” merkte hij op. „Ik zou den inhoud ervan graag nauwkeurig willen onthouden! O juist, daar staat dat over de waarzegster. Zoo een Siciliaansche! Zoudt u mij den brief misschien nog eenigen tijd willen toevertrouwen?”

„Zoo lang gij wilt, beste vriend! Ik ken dit laatste schrijven van mijn lieven vader woordelijk uit het hoofd!”

Lister stak den brief bij zich.

„Verberg mij uw gedachten niet, beste Lord,” smeekte de Siciliaan op levendigen toon. Hij merkte zeer goed, dat de jonge Lord het zijne dacht over den brief. „Spreek openhartig met mij! Deel mij uw gevolgtrekkingen mee en zeg mij, wat ik moet doen.”

„Mijn waarde Finori,” antwoordde de Lord, „ik wil uw hoop of vrees niet overhaast opwekken. Ik weet nog te weinig. Maar ik verzoek u, mij ten volle te vertrouwen, ook als ik mijn vermoedens nog voor mij houd!

Had uw vader, zooals dat in bijna alle Italiaansche steden en in de meeste Italiaansche adellijke families voorkomt, vijanden?”

De markies hief verschrikt de hand op.

„Om Godswil, Lister! Gij wilt toch niet zeggen, dat mijn dierbare vader het slachtoffer van een moordenaar is geworden? O, in dat geval—”

„Ik weet nog niets, Finori! Blijf toch kalm! Ik zal mijn best doen, alles te weten te komen!

Beloof mij, u niet te zullen opwinden, maar mij kalm en bedaard te antwoorden op de vragen, die ik u zal moeten stellen.”

„Gij hebt gelijk, Lister! Maar voor zoover ik weet, bezat mijn vader in zijn particulier leven geen enkelen vijand en ook van familietwisten heb ik nimmer gehoord. Hij genoot de algemeene achting door zijn eerlijk, openhartig en welwillend karakter.”

„Des te moeilijker wordt de zaak!” antwoordde Lister. „Maar ik heb mij voorgenomen, haar op te helderen en licht te brengen in deze geheimzinnige duisternis, als gij het tenminste goed vindt.”

„Ik wensch niets vuriger, beste kerel! O, hoe kan ik u danken?”

„Door te doen, wat ik u zal raden.”

„Dolgaarne, Lister! Gij neemt mij een steen van het hart, als gij mijn zaak wilt behandelen! Ik merk het maar al te goed, hoezeer deze harde slag mij heeft getroffen. Ik zou zelf niet in staat zijn, in dezen chaos van gedachten en mogelijkheden den weg te vinden.” [3]

Lister knikte en stak nadenkend een nieuwe sigarette aan.

„Als gij mij belooft mijn aanwijzingen te volgen, zelfs als gij de doelmatigheid ervan niet dadelijk inziet, wil ik uw zaak tot de mijne maken. Daar ik oogenblikkelijk geen andere bezigheden heb, die dringend zijn, zal ik u hoogstwaarschijnlijk naar Messina begeleiden!”

De markies sprong als geëlectriseerd op. Zijn oogen straalden en voor het eerst vloog een uitdrukking van vreugde over zijn aristocratische, maar droefgeestige trekken.

„O, mijn dierbare vriend!” riep hij met groote verrukking, terwijl hij Lister zijn handen reikte, „als gij dat voor mij zoudt willen doen, zou ik u eeuwig dankbaar zijn! Ik durfde u dat niet vragen, maar het lag mij op het hart! Nu zie ik mijn zaak niet zoo wanhopig in als tot dusverre. Gij, die alles kunt wat gij wilt, zult ook nu slagen!”

Lister glimlachte vriendelijk en drukte den opgewonden Italiaan de handen.

„Niet te snel, Finori!—chi va piano, va sano!1 zegt een Italiaansch spreekwoord! Gij overschat, met uw aangeboren vriendelijkheid, mijn zwakke krachten! Ik zal het probeeren. Of ik echter succes zal hebben is een andere zaak!”

„Heb dank, hartelijken dank, Lister!” riep de markies vol geestdrift „Ik ben gered en nu volkomen kalm. Alles zal nog wel terecht komen, als gij de zaak ter hand neemt. Ik voeg mij gaarne blindelings naar al uw wenschen en schikkingen!”

„Luister dan naar mij eersten wensch in het belang der zaak.”

„Spreek, Lister, spreek! Uw wensch is mij een bevel!

Lister dacht eenige oogenblikken na. Hij blies een rookwolk voor zich uit en sprak plotseling:

„Allereerst verbied ik u, de Siciliaansche waarzegster op te zoeken.”

Finori keek verbaasd op.

„Wat?—Hoewel het de laatste wensch van mijn vader is voor het ongeluk?”

„Desondanks, markies!” antwoordde Lister glimlachend. „Voor de rest is het, volgens mij, nog geen uitgemaakte zaak, dat dit vreemde verlangen werkelijk de wensch van uw vader is geweest!

Ik ben zoo vrij, daaraan te twijfelen, waarin ik nog versterkt word door het keurige schrift van den brief! Gij moet er niet heengaan, beste vriend!”

„Maar Lister! Den wensch van mijn vader niet opvolgen? Twijfelt gij aan de echtheid van den brief? Maar het is stellig en zeker zijn handschrift, alleen bijzonder keurig geschreven!”

„Dit punt moet juist bijzonder nauwkeurig worden onderzocht.”

„Maar dan zou ik juist die waarzegster moeten opzoeken!” protesteerde Finori.

„Die opmerking is juist!” antwoordde Lister toestemmend. „En toch, moogt gij dat bezoek niet afleggen! Als de brief valsch is, dan hebben wij hier het eerste spoor, de eerste vingerwijzing tot een misdaad.”

„Ik begrijp u niet, Lister! Als dat zoo is—en gij hebt misschien gelijk—dan begrijp ik niet, waarom gij mij wilt beletten, dat spoor te volgen! Juist dan is het mij een heilige plicht, de waarzegster op te zoeken. Dit kunt gij mij niet beletten.”

Lord Lister lachte.

„Ik dacht dat gij blindelings al mijn wenschen wildet gehoorzamen, markies?” sprak hij op ironischen toon.

„Zeker, Lister, dat wil ik ook! Ik ben u immers zoo dankbaar voor de mij toegezegde hulp, maar in dit geval—dat moet gij zelf inzien—kan ik niet anders, ik moet de somnambule opzoeken!

Wij moeten dat spoor trachten te volgen!”

„Wie beweert dan, dat dat niet zal gebeuren?” vroeg de Lord op kalmen toon. „Als gij niet gaat, dan is daarmede nog niet beweerd, dat niet een ander in uw plaats zal gaan! Als gij er namelijk niets tegen hebt, zal ik zelf haar bezoeken!”

Finori sloeg zich met de hand tegen het voorhoofd.

„Dat ik daaraan niet eerder dacht! Ja, als gijzelf—dat is iets anders! Maar Lister, beste vriend, verbergt gij mij niets? Zou er geen gevaar verbonden zijn aan dat bezoek? Ik zou het mijzelf nooit vergeven, als U eenig leed overkwam!”

„Kom, waaraan denkt gij, markies! Hier in Londen! Neen, wees niet bang! Ik vrees alleen, dat gij de zaak minder kalm zoudt behandelen dan ik. Dat is alles. Mijn zenuwen veroorloven mij om alles nauwkeurig in mij op te nemen en zooveel mogelijk uit te vorschen, opdat wij van dit punt kunnen uitgaan. Zijt gij het niet met mij eens?”

„Gij hebt gelijk, Lister! De zaak kan niet beter [4]worden onderzocht dan door uw persoonlijke bemoeiing. O, ik ben u eeuwig dankbaar!”

„Mooi! Wij zijn het dus eens!” sprak Lister glimlachend, terwijl hij belde.

Toen Frederik, de oude kamerdienaar van den Lord, verscheen, sprak Lister tot Finori:

„Volg Frederik in mijn kleedkamer en laat hij u daar een mijner artistencostuums geven, bestaande in fluweelen buis, grijze pantalon, geborduurd vest en flambard. Verkleed u en zend mij uw eigen kleeren, die ik voor het bewuste bezoek noodig heb!”

Finori keek een oogenblik verbaasd, maar volgde daarna vol ijver den kamerdienaar naar de kleedkamer.

Lister liep in de kamer op en neer, terwijl hij een nieuwe sigarette aanstak. Na eenige krachtige halen belde hij tweemaal. Daarop nam hij den brief uit zijn jas en ontvouwde hem.

„Juist! No. 40 Strand East Londen! Een gevaarlijk buurtje!”

Hij was juist bezig, een paar sierlijke, bijzonder fijn bewerkte zevenloops revolvers uit een lade van zijn schrijftafel te nemen, toen zijn vriend en secretaris, Charly Brand, binnenkwam. Op diens vragenden blik antwoordde Lister glimlachend:

„Handenvol arbeid, Charly! Leg je werk voor een poosje neer, maar alles netjes opruimen, hoor!”

„Den Hemel zij dank!” riep Charly met oprechte blijdschap.

„Deze uitroep getuigt niet van groote geestdrift voor je werk. Maar het zij je voor dezen keer vergeven. Een reis naar Italië zou ie misschien liever zijn dan je secretariaat, nietwaar?”.

„Ik zou wel eens willen weten, wie daarop „neen” zou antwoorden!”

„Tot dank voor je oprechtheid, mijn beste Charly, zal je wensch in vervulling komen!”

Charly keek hem met open mond aan.

„In ernst?” vroeg hij verbaasd.

„Natuurlijk! Het zal in dit seizoen niet precies een plezierreis zijn, maar het is ernst! Luister maar!

Het treft prachtig, dat Shaw, de milliardair uit Chicago, zijn stoomjacht tot onze beschikking heeft gesteld. Het jacht moet morgenavond, hoogstens overmorgenochtend, gereed zijn voor een vaart naar de Middellandsche zee. Waarschuw de bemanning, spreek met den ouden zeebonk, kapitein Wheeler, zorg voor voldoende proviand en wat meer noodig is en laat geen oogenblik verloren gaan! Wheeler moet niets voor de uitrusting sparen en het geheele jacht eerst nog nauwkeurig onderzoeken.

Zorg voor de benoodigde passen voor ons beiden en ook voor markies Finori.

Aan het werk, mijn jongen! Wij gaan naar de blauwe Middellandsche Zee, al is die misschien in December van het jaar onzes Heeren 1908 ook eenigszins anders van kleur!”

Charly was buiten zichzelf van vreugde. Hij sprong met beide beenen in de lucht en snelde als een wervelwind de kamer uit, vermoedelijk om zijn schrijfwerk in een hoek te gooien of om het keurig netjes in zijn schrijftafel weg te bergen.

De kamerdienaar bracht het elegante costuum van den markies binnen. Nauwelijks was Lister er mee gereed om ze aan te trekken, toen Finori de kamer binnentrad en van verbazing bleef staan. Het scheen hem bijna, alsof hij zijn dubbelganger voor zich zag staan.

„Ga hier eens voor den spiegel zitten, markies! Wij gelijken toch al op elkaar als broeders, maar een paar streekjes zullen niet hinderen!”

Hij haalde zijn schminkpenseelen en maakte op zijn eigen gelaat de gelijkenis tusschen zichzelf en den markies zoo frappant, dat het een wonder geleek. Reeds wilde hij beginnen, de trekken van Finori in zijn eigen te veranderen, toen hij aarzelend sprak:

„Neen! Wij gelijken te sterk op elkaar. Het is ook eigenlijk niet noodig, dat wij van rol verwisselen. Het is voldoende, dat ik optreed als markies Finori. Als gij Lister voorsteldet, zoudt gij gevaar loopen, juist door die gelijkenis herkend te worden. Gij spreekt zoo uitstekend Engelsch, dat gij heel goed voor een Amerikaansch kunstenaar kunt doorgaan!”

Hij ging naar een kast in den muur en nam daaruit een pruik met overvloedige artistenlokken van bruinachtige kleur en een daarbij passenden baard. Hiermee tooide hij den Italiaan, waardoor deze een geheel ander uiterlijk kreeg.

„Ziet gij, Finori, dat is beter voor u, niemand zal in den genialen Amerikaanschen schilder Mr. Cook, dien gij nu in mijn spiegel bewondert, den aristocratischen markies Luigi Finori herkennen!”

„O, Lister!” riep de pseudo-schilder vol geestdrift uit, „gij zijt mijn reddende engel—mijn Voorzienigheid! Ik zou niet weten, wat ik zonder u zou moeten beginnen!”

„Laat ons het beste ervan hopen, Finori! Maar zeg eens, kunt gij zoo’n beetje schetsen en krabbelen, om volkomen in uw rol te kunnen blijven?” [5]

De nieuwbakken artist glimlachte.

„Wat dit betreft, kunt gij gerust zijn. Dat is ons, Italianen, aangeboren. Gij zoudt niet gelooven, hoeveel ik al heb verkwist aan papier, potlood en verven! Ik heb allerlei pogingen gedaan om met pastel en en olieverf teekenen, ik heb zelfs met klei geboetseerd! Eenige mijner werken die mijn vader, een zeer partijdig beoordeelaar natuurlijk, voor meesterwerken hield, moeten zich nog in ons oude paleis in Messina bevinden.”

„Maar dat treft prachtig, markies! Gij schetst dus alles wat gij onder oogen krijgt, goed of slecht, dat komt er niet op aan! Bovendien kiekt gij natuurlijk alles. Ik bezit een voortreffelijke camera. Die zal ik u dadelijk geven!”

Lister stond op en begaf zich naar zijn kast. Daar het intusschen donker was geworden, draaide hij het electrische licht aan en liep naar het raam, dat uitzag op den grooten tuin der villa, om de gordijnen te sluiten.

Op dit oogenblik knalde buiten een schot, de kogel vloog vlak langs Listers hoofd, door de vensterruit en kwam in den tegenoverliggenden muur terecht. Bliksemsnel had de Lord, met groote tegenwoordigheid van geest, een zijner voortreffelijke miniatuurrevolvers uit zijn zak te voorschijn gehaald. Bijna terzelfder tijd had hij, zonder de ruiten te sparen, in de richting gevuurd, waaruit het schot was gekomen.

In het volgende oogenblik had hij een der openslaande ramen geopend en was hij uit het hooge raam naar buiten gesprongen om, met zijn revolver in de vuist, den sluipmoordenaar te achtervolgen.

Finori was juist van plan, hem te volgen, toon Charly de kamer binnenvloog.

„Wat is er gebeurd? Wie heeft geschoten?” vroeg hij ademloos.

„Vraag niets, Mr. Brand! Het was op mij gemunt! Lister is mijn redder! Maar wij mogen hem niet met deze sluipmoordenaars alleen laten! Vooruit, naar het park!”

De beide jonge mannen sprongen als katten het raam uit, terwijl in het park opnieuw twee revolverschoten knalden.


1 Hollandsch: Haastige spoed is zelden goed.