De wijk der Engelsche hoofdstad, die als „Strand” wordt aangeduid, bevat vooral in het Oostelijk gedeelte met de talrijke dokken, scheepstimmerwerven en pakhuizen, die aan de Theems zijn gebouwd, nog in den tegenwoordigen tijd zulke beruchte, gevreesde sloppen en stegen, hoeken en spelonken, dat zelfs de meest stoutmoedige beambten van Scotland Yard er zich niet gaarne zouden wagen.
Des te meer moest het opvallen dat een betrekkelijk goed gekleed man, die onder zijn zwarten, breedgeranden flambard om de een of andere reden een bonten zakdoek om hoofd en ooren had gebonden, met snelle schreden een der slopjes van dit stadsgedeelte insloop en bij een der voornaamste huizen, die zich daar bevonden, bleef staan.
Bij het zwakke licht van een gaslantaarn, die op eenigen afstand stond, kon men op het naambordje met eenige moeite lezen: „De wereldberoemde waarzegster van Messina”.
De late bezoeker scheen hier bekend te zijn, want hij bekommerde zich niet in het minst om deze interessante en ver van bescheiden aankondiging.
Hij haalde een sleutel te voorschijn, keek voorzichtig om zich heen, ontsloot de deur en sloop naar binnen.
Ondanks de duisternis, die daar heerschte, liep de man geruischloos, maar met groote zekerheid de gang [6]door en opende toen onhoorbaar een kamerdeur. Hij trad binnen, sloot de deur voorzichtig weer en schoof den grendel ervoor.
Door een deurspleet in een der zijmuren drong een zwak licht en toen hij luisterend stilstond, vernam hij in de aangrenzende kamer duidelijk twee stemmen, die aan personen van verschillend geslacht moesten behooren.
De luisteraar ontstak geen licht, maar trok snel en voorzichtig zijn laarzen uit. Daarop sloop hij naar de deur, waar hij naar een knopje tastte. Toen hij hierop drukte, verschoof zich een gedeelte van het houtsnijwerk en liet een ronde opening op ooghoogte vrij.
Een straal van het heldere licht der zijkamer viel op het gelaat van den man. Zijn trekken leken onder den slappen hoed en den bonten zakdoek hard en wreed, maar toen hij naar het tooneeltje keek, dat zich in de zijkamer afspeelde, schenen zijn trekken te veranderen.
„Eccolo maledetto!” mompelde hij grimmig bij zichzelf. „Hij heeft het werkelijk gewaagd! Des te beter! Dus is het uur der wraak gekomen!”
De kamer, waarin de geheimzinnige luisteraar keek, was het fantastisch en ongezellig ingerichte particuliere vertrek, waarin de Siciliaansche waarzegster aan haar dikwijls zeer hooggeplaatste bezoekers en bezoeksters, die een blik in de toekomst wilden werpen, haar wijsheid uitkraamde.
De muren waren behangen met zwarte gordijnen, waarop talrijke witte doodskoppen en beenderen, slangen en salamanders en geheimzinnige figuren waren aangebracht. Boven de verhoogde zitplaats der waarzegster hing een kaart van de planeten, terwijl rechts en links van haar op lijvige folianten twee werkelijke doodshoofden lagen.
De waarzegster, in het zwart gekleed en voorzien van een zwartzijden halfmasker, had juist opnieuw de kaarten geschud en begon ze nu uit te leggen.
Vóór haar zat, op eenigen afstand en slechts door den geheimzinnigen bezoeker op den rug te zien, een slanke gedaante in rouwkleeren, zooals het breede rouwlint om den arm en den op een tafeltje staanden cylinder bewees.
„Hij is het!” mompelde de spion, „hij, dien ik haat, in eigen persoon! Ik ben op het juiste oogenblik gekomen, om de laatste hinderpalen voor mijn geluk uit den weg te ruimen!”
Hij keek met van haat vonkelende oogen naar het tweetal in het andere vertrek en zijn rechterhand omklemde in zijn borstzak den greep van een Italiaanschen dolk.
Met eentonige stem, die eerst langzamerhand uitdrukking kreeg, begon de waarzegster te spreken, alsof zij onzichtbare wezens zag, als luisterde zij naar bovenaardsche stemmen.
„Geloof de waarzegster, jonge man! Ik zie vóór mij het ontzettende ongeluk, dat het jongste verleden u heeft gebracht! Maar wees getroost, het zal worden teniet gedaan door een onuitsprekelijk geluk in de toekomst!”
Een hoonende grijnslach verwrong de onmenschelijke trekken van den luisteraar bij deze voorspellingen der waarzegster.
Zij vervolgde:
„Gij zult een verre reis ondernemen! Ik hoor ze ruischen, de golven der oneindige zee, ik hoor den storm loeien en verneem luid hulpgeschreeuw en donderende branding.
„Maar zooals eens de goddelijke Ulyssus werd gered uit de golven der kokende zee, zoo verschijnt ook voor u een helpende fee met zwarte haren en diepe, gevoelvolle oogen, om u aan de verre kust in het gevaar bij te staan!
„Wees ervan verzekerd, weetgierige jonge man, dat het noodlot u gunstig is! Het zal den harden slag goed maken, waarmede het u heeft getroffen!
„Rijk, bemind, gelukkig en beroemd zult gij leven op het schoone eiland tot in hoogen ouderdom!”
De waarzegster zweeg, als verzonken in haar overpeinzingen. De jonge man in rouwkleeren stond op.
„Ik dank u, madame! Het was zeer interessant, dat moet ik bekennen! Hier zijn vijf pond!”
Hij wierp de goudstukken met een onverschillig gebaar op de uitgespreide kaarten.
„Ik zou die som verdrievoudigen, als gij mij meer bijzonderheden kondt mededeelen omtrent de reis, welke gij mij voorspeldet, of iets naders betreffende het ongeluk, dat mij heeft terneergeslagen.”
De waarzegster wilde juist ontkennend antwoorden, toen plotseling, zonder dat haar eigen kunst haar van te voren had gewaarschuwd, een glinsterende revolver op haar voorhoofd werd gericht.
„Jij weet zoo veel, geleerde waarzegster! Wie A heeft gezegd, moet ook B zeggen! Spreek of sterf! Is markies Finori dood, of wat is er met hem gebeurd? Beken, vrouw, je hebt jezelf verraden!”
De waarzegster sprong verschrikt op en keek onwillekeurig met hulpelooze blikken naar de deur der aangrenzende [7]kamer, achter den rug van haar tegenstander. Toen zij zag dat het ronde kijkgaatje was geopend, herademde zij verlicht en een glans van vreugde verscheen in haar oogen.
Maar de bezoeker draaide zich bliksemsnel om en in het volgende oogenblik knalde een schot, dat gericht was op de ronde opening.
„Cesare, Cesare!” gilde het wijf.
Reeds was de deur opengeworpen. De kogel had zijn doel gemist en woedend stormde de verdachte spion met opgeheven dolk de kamer binnen. Maar de heer in rouwkleeren had hem zien aankomen. Hij week behendig uit voor den verraderlijken dolkstoot en sloeg den aanvaller met den metalen loop van zijn revolver op echt Engelsche boxersmanier, zoodat deze achterover viel en kermend de hand op zijn slaap legde, waar het wapen hem had getroffen.
De jonge man was nu zoo gaan staan, dat hij èn de waarzegster èn den man, die Cesare werd genoemd, en wiens hoofddoek hem nu eerst opviel, in het oog kon houden. Ook in zijn linkerhand blonk nu een revolver, die op zijn aanvaller was gericht.
„Handen in de hoogte, allebei! Beweegt u niet of ik schiet jullie neer als schurftige honden!” riep de vreemdeling met luide stem. „Mag ik nu misschien mijn vraag van zooeven herhalen, Signora?” voegde hij er aan toe, beide revolvers gereed om te schieten.
„Cesare, kom hier! Op het tooneel!” riep het wijf vol angst. „Kom, kom, het is tijd!”
Voordat de jonge man had begrepen, wat deze woorden, beteekenden, was de man met den doek met een behendigen zwaai bij de vrouw op het podium gesprongen en het revolverschot kwam in den muur terecht.
Daar klonk plotseling een vreemd gekraak, als van kettingen en raderen. Met een sprong wilde nu ook de heer in rouwgewaad zich op het podium begeven, maar hij zag, hoe dit ronddraaide en met tafel, kaarten en goudstukken en met de beide personen in een opening van den muur verdween.
Onder het hoongelach der waarzegster riep Cesare met onbarmhartige wreedheid:
„Vaar ter helle, Luigi Finori, jij gek en groet daar je vader en je geheele adellijke familie!”
„Tot weerziens dan, Signor Cesare!” antwoordde de jonge man met een woedenden blik, terwijl hij zijn revolvers in zijn zakken stak.
Spoedig echter zou het hem duidelijk worden, wat de misdadiger had gemeend, want op het volgende oogenblik voelde hij den houten vloer onder zijn voeten wankelen.
„Drommels! Als ik in Italië was, zou ik aan een aardbeving denken! Maar hier in ons solide Albion!”
Maar het onvaste gevoel werd erger. Plotseling zakte de vloer aan beide kanten door. Een spleet ontstond in het midden en voordat de jonge man een plek had gevonden, waaraan hij zich had kunnen vasthouden, opende de vloer zich als in twee kleppen en de bezoeker der waarzegster stortte reddeloos in de diepte.
Gedurende den val bedacht hij bliksemsnel, dat de reis, al ware het misschien in een kelder, toch niet groot kon zijn, daar de waarzegster in een huis gelijkvloersch woonde.
Voordat hij eraan dacht, was hij beneden aangekomen, en—met een plomp stortte hij in het water.
„Foei, voor den duivel!” riep hij uit. „Dat is lekker frisch! Een bad in December behoort juist niet tot de dingen, waarop ik bijzonder gesteld ben!”
Het Theemswater was tamelijk koud.
In deze beperkte ruimte kon de man, die zoo meedoogenloos met den dood werd bedreigd, zich slechts met moeite voor den ondergang behoeden. Maar hoe lang zou hij het kunnen? Reeds werden zijn ledematen door het ijskoude water stijf en stram en wanhopig keek hij naar een uitgang.
Daar hoorde hij stemmen boven zich en toen hij opkeek, zag hij twee duivelsche gezichten.
„Hij is nog boven water!”
„Laat hem nog maar een beetje spartelen, madre mia, in dit lekkere bad!”
De jonge man was bijna verstijfd, maar de woede in hem verleende hem nieuwe kracht. Hij voelde in zijn zak om te zien of de revolver nog te gebruiken was. Een schot weigerde, maar het volgende knalde en de kogel vloog rakelings langs de hoofden in de deuropening.
„Vervloekte hond van een markies!” schreeuwde de misdadiger in toomelooze woede, „bijt jij nog, terwijl je sterft?”
Bij die woorden haalde ook hij een revolver te voorschijn en schoot driemaal achtereen naar de plek, waar zich boven het donkere gelaat van den jongen man vertoonde.
Op hetzelfde oogenblik was het hoofd echter verdwenen en alleen het water was zichtbaar, dat met eentonig geluid tegen de muren van de woning klotste. [8]
Een straal van vreugde verscheen in de oogen der waarzegster en haar misdadigen zoon.
„De hinderpaal van ons geluk is uit den weg geruimd, moeder! De millioenen van den markies zijn nu voor ons!”
„O, welk een geluk, mijn zoon, ook voor jou, die zoo knap bent! Ik hoop, dat hij naar den duivel vare, evenals zijn trotsche vader! Maar zou men niets ontdekken, Figlinolo?”
„De Theems zal elk spoor uitwisschen! Zij brengt het lijk van Luigi naar de Noordzee! Wij echter, moeder, zullen spoedig dit sombere land van mist verlaten en in ons zonnig vaderland zal niemand eraan denken, ons van het verdwijnen van Luigi te beschuldigen.”
„O, nu eerst ben ik volkomen gelukkig!” riep de vrouw, terwijl zij haar armen uitbreidde.
De misdadiger sprong op van vreugde en omhelsde met Zuidelijke levendigheid zijn moeder.
„Spoedig zullen wij met pracht en praal onzen intrek nemen in het oude paleis van Finori!”
„Maar het is toch jammer, dat de zee het lijk tot zich neemt!” sprak de waarzegster op nadenkenden toon.
„Wat?” riep haar zoon uit. „Beklaagt gij onzen doodsvijand nog?”
„Neen, mijn zoon,”, antwoordde de vrouw met zachte stem, „niet hemzelf, maar de heerlijke goudstukken die met hem in de Noordzee verdwijnen!”