[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

IN HET WATER VAN DE THEEMS.

De jonge man, die in het ijskoude rivierwater bijna verstijfd was, had nauwelijks de revolver in de hand van den misdadiger zien blinken, of hij dook onder en trachtte zich met eenige slagen te redden in de buurt van den steenen muur. Dit gelukte hem heel gemakkelijk en zoodoende ontkwam hij aan de revolverschoten van den woedenden Siciliaan.

Reeds meende hij door kou en gebrek aan lucht het bewustzijn te zullen verliezen, toen hij, zijn rechterhand uitstekende, den muur niet meer voelde en bij nader onderzoek ontdekte de door de misdadigers ten doode opgeschrevene een uitweg, eene vrij nauwe buis, die, onder het huis langs, naar de Theems voerde.

Eenige minuten vol angstige inspanning volgden, zijn hart bonsde, doch met bovenmenschelijke inspanning gelukte het den jongen man om zich door de nauwe gang heen te werken en de rivier te bereiken.

Met ware verrukking haalde hij weer adem in de open lucht en tot zijn niet geringe blijdschap bemerkte hij al spoedig, dat hij op voldoenden afstand van het huis der misdadigers verwijderd was. Rondom hem weerspiegelden zich aan de beide oevers der rivier tallooze lichten in het donkere water en ook de lichtjes der voor anker liggende booten glansden in verschillende kleuren.

In het bewustzijn, aan den smadelijken dood, dien de beide misdadigers hem hadden toegedacht, te zijn ontkomen, had de jonge man nauwelijks gelet op de doorgestane kou. Nu echter voelde hij de uitwerking van het ijskoude water. Hij zwom een eindje verder, om vooral niet te dicht in de nabijheid van het moordenaarshuis aan land te gaan.

De markies, zooals de waarzegster en haar zoon hem hadden genoemd, scheen voor een Siciliaan bijzonder goed bekend te zijn met de oevers van de Theems.

„Hier hebben wij Westdock Corner al!” mompelde hij. „Nu kan ik mij in „de vroolijke Roeier” een beetje gaan warmen en meteen eens zien of de oude zeerob daar nog woont.”

Hij zwom naar een aan anker liggend rivierschip waarnaast een klein bootje lag. Hij sprong met moeite in het vaartuigje, rekte zijn stijve leden eens flink uit en zag tot zijn groote vreugde, dat er twee roeispanen in lagen. [9]

Zonder zich een oogenblik te bedenken, maakte hij het bootje los, haakte de roeiriemen vast en eenige slagen brachten hem tusschen andere booten en schepen door naar den steiger van Westdock Corner.

Hier legde hij het vaartuigje vast en klom de trap op. In de eerste zijstraat zag hij het licht der roode lantaarn van „De Vroolijke Roeier”.

De druipnatte jonge man vond het beter, niet door de gelagkamer te gaan, die vol zeelui en dokwerkers was, daarom liep hij een lange gang door en verdween in een hem reeds lang bekende zijkamer.

Deze was behaaglijk verwarmd, maar leeg. Hij drukte driemaal op het knopje der electrische bel.

Spoedig verscheen de breedgeschouderde herbergier in hoogst eigen persoon. Het welwillende glimlachje op zijn gelaat maakte echter plaats voor een uitdrukking van grenzenlooze verbazing, toen hij den kletsnatten heer voor zich herkende. Hij keek dezen sprakeloos en met open mond aan.

„Ja, ja, nu ben je verbaasd, beste Colwood! Maar ik ook! Een Decemberbad van minstens een uur verstijft ook de lenigste spieren. Hier echter is het zeer behaaglijk! Maar toch zou ik u enorm dankbaar zijn, als gij mij aan droge kleeren kondt helpen! En een glas grog zou mij uitstekend smaken!”

De waard was eindelijk zijn verbazing te boven. Hij sloeg zijn handen samen en riep uit:

„Om Godswil, Mylord! Wat bevindt gij u in een ellendigen toestand!”

„Ik ben in de Theems gevallen, Colwood, dat is alles en toen heb ik meteen eens geprobeerd, hoever ik bij vier of vijf graden kon zwemmen!”

„Dat kunt gij mij niet wijsmaken, Mylord! Als daar niet een interessante geschiedenis achter steekt— —”

„Ik bezweer u, beste Colwood, nu niet meer vragen, ik vertel u later alles, het was een vervloekt avontuur! Maar nu snel schoon linnengoed en droge kleeren!”

„Ik hol al weg, Mylord!”

Bij die woorden verdween hij haastig.

Toen de Lord twee glazen heete grog had gedronken en zich in de veel te wijde kleeren van Mr. Colwood had gestoken, voelde hij zich als herboren en al spoedig zat hij een cigarette te rooken.

„Is kapitein Wheeler of een zijner manschappen in de gelagkamer?” vroeg hij den waard.

„Neen”, antwoordde deze, „zijn zijn alle naar Sheerness! Zij hebben niet weinig gevloekt, die oude zeerobben, dat de gekke Amerikaan juist nu zin in een pleizierreis kreeg! De „Meteor” ligt reeds den geheelen namiddag te puffen.”

„Des te beter! Nog iets, Colwood! Heeft Greenstone zijn stoombootje hier?”

„Greenstone is in de gelagkamer en zijn machinist ook! Het stoombootje zal dus wel op zijn gewone plaats liggen!”

„Uitstekend! Vraag hem, of hij mij dadelijk naar de „Meteor” van Mr. Shaw kan brengen.”

„Naar de „Meteor”? Wilt gij dan meevaren?”

„Dat spreekt vanzelf, Colwood! Gij weet toch wel, dat Mr. Shaw mijn vriend is. Maar dit alles is geheim! Het beste is, dat gij Mr. Greenstone even roept— —”.


Ongeveer een uur later was een klein stoombootje vlak naast een prachtig, zilvergrijs stoomjacht komen liggen. Vol verbazing en nieuwsgierigheid keken drie matrozen naar beneden, toen de touwladder was opgerold.

Toen de geoefende klimmer met groote handigheid aan boord was gekomen, klonk een hartelijk gelach.

„Ben jij het Edward, of is het je geest?” vroeg Charly vroolijk.

Lord Lister, want hij was het, keek met goed gespeelde verrukking naar zijn eigen kleeren.

„Ben ik keurig of niet, Charly? Maar nu in ernst! Heb je mijn garderobe aan boord?”

„Natuurlijk! Alles in orde!”

Het duurde nu niet lang of de Lord was weer gestoken in zijn eigen elegante kleeren, dezen keer als zeeman uitgedost. Het geleende ging weer in het bootje mee terug en kapitein Greenstone stoomde weer de Theems op, nadat Lord Lister hem rijkelijk schadeloos had gesteld.

In hetzelfde oogenblik stegen dikke rookwolken uit de beide pijpen van het prachtige stoomjacht, de ankers werden gelicht, kapitein Wheeler nam plaats op de commandobrug en de „Meteor” met onze vrienden aan boord nam koers van Sheerness eerst Zuidelijk, stevende daarna langs de krijtrotsen van Dover en toen in Zuidwestelijke richting door het Kanaal naar den Atlantischen Oceaan om later door de Straat van Gibraltar in de Middellandsche Zee te komen.


Nauwelijks een week later zaten in een café aan de haven van Napels drie vreemdelingen, die Engelsch spraken, rondom een fijne flesch. Het waren de heeren welke zooeven waren aangekomen met het rijke jacht van den milliardair Mr. Shaw: de heer Shaw uit [10]Chicago in eigen persoon, zijn neef Robert Bentinck-Shaw en een Amerikaansch artist, Mr. Cook uit Philadelphia.

Onder deze vermommingen meende Lord Lister gerust te mogen aannemen, dat zij zoo lang onbekend zouden blijven, tot het hun gelukt was om een spoor te ontdekken van den verdwenen of verongelukten vader van markies Luigi.

Dit kon des te eerder verondersteld worden omdat de grootste vijanden van den markies, misleid door Lord Lister, meenden den wreker zijns vaders, den jongen Finori, een vroegtijdig graf in het water der Theems te hebben bezorgd.

Nadat zij iets hadden gegeten en van den voortreffelijken wijn genoten, stond de markies op. Niemand, zelfs zijn beste vriend, zou hem in zijn artistenvermomming herkend hebben.

„Ik moet nog even uit, Lister”, sprak hij met eenige verlegenheid in blik en toon.

„Mijn beste Mr. Cook!” antwoordde de Lord, die er inderdaad uitzag als een zeer welgedaan Amerikaansch millionnair, „mijn naam is Shaw uit Chicago, vergeet dat niet meer. Verder is het onmogelijk, dat ik u toesta om hier in het schoone Napels, zoo dicht bij uw geboorteland, alleen uit te gaan!

Wij kunnen niet weten, of wij niet van Londen uit worden nagegaan! Bovendien moet ik nog inzake onze passen naar den Engelschen consul.”

De markies vergat, dat hij een pruik droeg en krabde zich in het valsche haar.

„Beste Lister, ik moet dat toch zelf— —”

„Aha, een rendez-vous—?”

„Neen, neen, maar ik wacht op een bericht!”

„En kunt gij mij dat niet toevertrouwen?”

Finori bloosde.

„Als gij niet anders wilt, Lis—Mr. Shaw, goed dan. Er moet alleen maar een aangeteekende brief met overeengekomen adres worden afgehaald van het postkantoor in de Strada da Piliero, een brief van een dame, die mij mededelingen doet omtrent mijn omstandigheden, misschien zelfs berichten brengt omtrent mijn armen vader!”

Lister stak zijn vriend deelnemend een hand toe.

„Het is dus nog gevaarlijker dan ik dacht! Als deze dame bij uw vijanden bekend staat als een goede kennis van u, dan geef ik geen centime voor uw leven! Geef mij dus de letters op van het adres.”

„Vendetta 100! Gij ziet dus, dat het geen liefdesgeschiedenis is!”

Lister glimlachte.

„Dat is hiermede nog niet bewezen! En wat zou dat dan nog hinderen?—Maar komaan! Niet te veel drinken, heeren! Deze wijnen zijn koppig evenals de lui hier! Ik zou liever een rijtoer door de mooiste stad der wereld willen voorstellen! Hoe zoudt gij het vinden om naar de grot en het monument van Virgillius te rijden? Ik kom misschien later, anders treffen wij elkaar hier weer!”

Charly was vol vuur voor dit plan, maar Finori verzocht vriendelijk om eerst den brief, dien hij wachtte, te mogen lezen en daarom beloofde Lister, spoedig terug te zullen komen om het verdere gezamenlijk te doen.