[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

MESSINA.

Spoedig had het grijze jacht, dat als een trotsche zwaan de golven der zee doorkliefde, de landtong van Kaap Peloro met zijn hoogen vuurtoren bereikt.

Duidelijk verhieven zich links de Liparische eilanden en langs de schilderachtige kust van Calabrië, vanwaar duidelijk hondengeblaf en hanengekraai kon worden vernomen, werden, naarmate de „Meteor” de hier slechts drie en een halven kilometer breede Straat van Messina verder instoomde, de witte huizen van Scilla, Cannitello en Villa San Giovanni steeds duidelijker zichtbaar.

Aan de Siciliaansche kust verscheen het visschersdorp Pace, de plek, die als ontmoetingsplaats was bedoeld door de gravin, de bruid van den markies. De ronde koepel van de kerk Madonna della Grotta, een vroegeren Artemistempel, stak boven de huizen uit.

Hoe meer het jacht Messina naderde, des te meer prachtige tuinen ontwaarde het oog, tuinen, waarin citroenen, sinaasappelen, olijfen en druiven welig groeiden.

En reeds werd de prachtige stad Messina zichtbaar, zoo schilderachtig gelegen aan de lichtgroene zee, met een woud van masten in de van het Oosten naar het Noorden loopende halfronde haven.

Het jacht nam zijn koers nu weer naar het zuidwesten, langs de wonderschoone havenstraat: Corso Vittorio Emanuele, waar de „Meteor” tegenover het gedeeltelijk in Dorischen stijl opgetrokken stadhuis zijn anker liet vallen.

Daar het intusschen namiddag was geworden, besloot Lord Lister eerst den volgenden dag met zijn eigenlijk onderzoekingswerk te beginnen. Omdat hij toch in de buurt van het stadhuis was, begaf hij zich, echter dadelijk naar den Syndaco, terwijl de manschappen van de „Meteor” de bagage naar het beste hotel van Messina brachten, het Duitsche hotel „Vittoria”, aan de Via Garibaldi, een lange straat, die evenwijdig loopt met de Corso Vittorio Emanuele.

De Syndaco ontving den wereldberoemden Amerikaanschen Croesus, mr. Shaw, uiterst vriendelijk in zijn particulier vertrek en was zeer verheugd, hem welkom te mogen heeten binnen de muren van het oude Messina. Hij stelde zich volkomen ter beschikking van den voornamen vreemdeling, maar omtrent den dood of de verdwijning van het hoofd der grafelijke familie Finori wist hij niets meer dan wat Lister reeds bekend was. De graaf was op een zeiltocht naar Catania verongelukt, maar zijn lijk tot heden niet gevonden.

De Lord nam afscheid.

Hij had er de voorkeur aan gegeven om geen gebruik meer te maken van den gummibuik, die nog niet weer hersteld was, en alleen met behulp van pruik, baard en schmink, had hij het uiterlijk van den beroemden Amerikaanschen milliardair nagebootst.

Zoodoende was zijn gestalte slank gebleven en wie hem op een afstand zag, kon zich gemakkelijk vergissen in zijn leeftijd, vooral omdat hij af en toe vergat om, wat vlugheid en veerkrachtigheid zijner bewegingen betrof, zijn rol van bejaard heer geheel vol te houden. Om kort te gaan, wie niet goed uit zijn oogen keek, zou hem, zooal niet voor Lord Lister zelf, dan toch voor den jongen graaf Finori houden, daar deze twee merkwaardig veel op elkaar geleken.

Tamelijk onbevredigd was de jonge Lord juist van plan, uit het voorportaal van het stadhuis de prachtige Piazza te betreden, om het hotel „Vittoria”, in de via Garibaldi op te zoeken. Plotseling voelde hij een hand op zijn schouder leggen, en een kleine man met een vossengezicht en scherpe, maar kalme en eerlijke oogen stond, met zijn vinger op den mond gedrukt, tegenover hem.

„Wat wenscht gij, Signore?” vroeg Lister, tamelijk kortaf.

„Niet hier! Gij woont in het hotel „Vittoria?”

„Weet gij dat?”

De kleine man boog glimlachend.

„Wacht mij daar, als het u belieft! Ik volg u!”

Bij die woorden overhandigde hij Lister zijn visitekaartje en snel was hij tusschen de zuilen van het stadhuis verdwenen. [15]

„Duivelsch!” riep de Lord. „Dat treft prachtig!” Hij las op het kaartje:

CARLO SARPI,

Detettivo.

Serrizio Civico. Messina.

Nauwelijks had de jonge Lord in zijn mooie hotelkamer plaats genomen en een cigarette aangestoken, of Giannettino, die intusschen tot kamerdienaar was bevorderd, diende een bezoeker aan, terwijl hij fluisterde: „Pas op, Signore, politie!”

Reeds trad de kleine man met het spitse gelaat onhoorbaar en glimlachend binnen. Toen hij de deur achter zich had gesloten, liep hij met uitgestoken handen en een blijden glimlach naar Lister toe.

„Wees duizendmaal, welkom, signor markies, in uw vaderstad, waar men u met verlangen verwacht!”

„Gij vergist u, Signor Sarpi!

Ik ben niet de markies Finori, dien gij waarschijnlijk bedoelt! Ik ben Shaw,—een bekende naam—uit Chicago en zooeven met mijn jacht uit New-York hier aangekomen!”

De kleine man vertrok zijn gelaat tot een vriendelijken grijns, waardoor hij op een lachend vogeltje geleek en antwoordde:

„Dat gaat u goed af, markies Luigi! Uw vermomming is uitstekend geslaagd! Gij hebt trouwens groot gelijk! Maar tegenover mij, een oud vriend, die u vanaf uw kinderjaren kent, behoeft gij niet verstoppertje te spelen!”

„Ik dank u voor het compliment, signor Sarpi! Maar gij vergist u werkelijk! Markies Finori, dien ik in Londen heb leeren kennen, gelijkt zoo sprekend op mij, dat men ons voor broers hield! Als gij echter op mijn stem let, dan moet het verschil u opvallen!”

„Ja, dat is waar!” stemde de detective aarzelend toe. „Uw stem is dieper en voller! Waar had ik mijn ooren? Maar dan—” hij wilde opstaan, maar Lister was hem voor.

„Neen, Signor Sarpi, blijf! Gij komt als geroepen! Ik zou eenige vragen tot u willen richten. Ik ben hier als Luigi’s vriend en zou gaarne het geheim omtrent den dood van zijn vader willen ophelderen, voordat hij zelf op het tooneel verschijnt!”

„Een gevaarlijke onderneming, mr. Shaw!”

„Dat weet ik!” antwoordde Lister kalm. „Dat prikkelt mij juist. Want ik kan u gerust toevertrouwen, dat het het werk is van de Maffia”.

De kleine man sprong op en staarde den jongen Lord vol eerbiedige bewondering aan.

„Weet gij, dat dit woord u het leven kan kosten?”

„Natuurlijk! Ik ben immers—als vertegenwoordiger van den markies—tweemaal ternauwernood aan hun sluipmoorden ontkomen!”

„Hoe? Aan de Maffia?”

„Ja. Of misschien moest ik ook als het persoonlijke slachtoffer vallen van het opperhoofd. Trouwens, ik ken den Capo!”

„Zijn naam, mr. Shaw? Kent gij den naam van den tegenwoordigen chef der Maffia, den naam van den Capo, die zoo streng geheim gehouden wordt? Gij komt uit een ander werelddeel naar dit eiland en kunt ons, die jarenlang tevergeefs hebben gezocht, dien naam opgeven?”

„Nu, om u de waarheid te zeggen, kom ik rechtstreeks uit Londen, om handelend op te treden in het belang van mijn vriend Finori. In Londen heb ik bij de waarzegster van Messina bijna het leven verloren!”

Hij vertelde in korte woorden zijn avontuur.

Sarpi greep zijn hand en schudde die.

„Noem mij den naam, noem mij den naam!”

„Ik ken alleen den voornaam! Hij is de zoon eener waarzegster, hij heet Cesare—!”

„O, mijn Hemel!” riep de detective plotseling uit. „Daar gaat mij een licht op! Afschuwelijk! Nu worden mij de dingen duidelijk. Goede God! Hoe dankbaar ben ik u! Gij zijt op het goede spoor! Ik moet echter achter de coulissen blijven, want men let overal op mij! Ik zal echter alles voorbereiden, om u op het juiste oogenblik te kunnen helpen. Laat het mij tijdig weten, als het tot een uitbarsting komt, dan zal ik present zijn!”

„Uitstekend! Ik wil zelf ook liever alleen en onafhankelijk optreden”.

De detective stond op.

„En wat denkt gij het eerst te doen? Ik vraag dit alleen om u in gevaren te kunnen bijstaan.”

„O, er is geen gevaar aan verbonden! Vol enthousiasme voor antiquiteiten en kunstvoorwerpen ga ik een bezoek brengen aan het paleis der Finori’s, dat een waar museum moet zijn. Dan ga ik daarna naar [16]La Pace, om daar een briefje af te geven. Verder—en dat is het voornaamste—denk ik zelf lid te worden van het geheime genootschap, teneinde alles nauwkeurig te kunnen onderzoeken.”

„Ik raad u een dergelijke overmoedigheid ten sterkste af, Mr. Shaw! De koelbloedigheid, waarmee gij mij dit vertelt, dwingt mij tot bewondering, maar gij zult, als zoo menigeen, dit waagstuk met den dood bekoopen.”

Lister haalde de schouders op.

„Ik moet weten, wat er met den ouden markies is gebeurd en waar de erfenis van mijn vriend Luigi is gebleven. En nu, laat ons gescheiden werken, maar te zamen slagen. Vóór alles moeten wij elkaar op de hoogte houden van gewichtige gebeurtenissen. Wilt gij dat?”

De kleine man keek Lord Lister aan met zijn groote, kalme oogen en reikte hem de hand.

Beiden wisten zij, dat zij elkaar nog niet alles hadden medegedeeld, omdat ieder van hen gaarne het leeuwendeel wilde hebben aan het werk, maar zij begrepen ook, dat zij elkaar ten volle konden vertrouwen.