Lord Lister had den volgenden morgen op de prachtige kade, die misschien op de geheele wereld haar weerga niet heeft, het uitwendige van het paleis Finori bekeken.
In een halven cirkel liggen hier de paleizen in Renaissance-stijl, het een al grootscher dan het andere, aan zee gebouwd. Maar ten gevolge der vreeselijke aardbeving van 1783 bevatten zij niet meer dan twee verdiepingen. Op de zware zuilen en boven de tweede etage van de oorspronkelijk veel hoogere gebouwen bevindt zich het dak.
Daardoor gelijkt deze lange straat gedeeltelijk op een verbazend groot paleis, dat door Jonische zuilen en pilaren in verschillende afdeelingen is gescheiden. Het middenste gedeelte wordt ingenomen door het stadhuis, een overweldigend grootsch gebouw, waarnaar de straat de „Palazzata”—paleisstraat—heet.
Hier lag, aan den noordkant der straat, het oude paleis Finori, welks fundamenten afkomstig waren uit den tijd der Noormannen. Terwijl echter de andere Palazzi nog twee verdiepingen bevatten, had dit paleis nog meer geleden van de aardbevingen en zijn toenmalige eigenaar had zich tevreden gesteld met de beneden-etage, waarop hij onmiddellijk het dak had laten aanbrengen.
Ook had hij, om voor verdere aardbevingen beveiligd te zijn, de muren laten versterken met zeer zware ijzeren staven.
Men vertelde dan ook, dat zelfs de sterkste aardbevingen tot dusverre niet de minste schade aan het paleis hadden aangebracht.
Maar Lord Lister was volstrekt niet van plan om zijn geheelen morgen te besteden met het bezichtigen van de kunstschatten en antiquiteiten, die het paleis bevatte. Het was hem onaangenaam, min of meer in bescherming te worden genomen door Signore Sarpi en diens lieden, te moeten denken, dat zijn doen en laten gecontroleerd zou worden.
Hij wist van Finori, dat Marietta tusschen negen en tien uur van het hooger gelegen landhuis van haar vader naar beneden placht te komen, om in den ouden Artemistempel, de tegenwoordige kerk Madonna della Grotta, de mis te hooren of te bidden.
Lister, die Giannettino, zijn nieuwen bediende, thuis had gelaten, richtte zich, nadat hij het paleis en zijn omgeving vluchtig had bezichtigd, in noordoostelijke richting naar het strand om het op eenige kilometers verwijderde Pace op te zoeken.
Wie Lister’s weg was gevolgd, dien zou het zeer zeker zijn opgevallen, dat een andere man, zich zorgvuldig verborgen houdend, hem nasloop.
Het was Giannettino, die zich reeds sterk aan Lister [17]had gehecht. Hij kon het niet uithouden in het hotel, hij vreesde voor het leven van zijn nieuwen meester, die zich langs den eenzamen landweg begaf met zijn heerlijk uitzicht op de zee, de kust van Calabrië en op het schoone Messina, dat als een witte boog aan de blauwgroene zee tegen de bergen lag.
Achter hem kwam weer, even voorzichtig en verborgen, een kleine man met een vossengezicht, wien het gevaarlijke plan van Lister ongerust maakte en den bediende, welke zijn meester nasloop, niet vertrouwde.
Maar hij deed in dit geval den braven Giannettino groot onrecht, want het was dezen alleen te doen om de veiligheid van zijn nieuwen patroon.
Lister had spoedig het pad bereikt, dat van de zeestraat voert naar de mooie ronde kerk met koepel en zuilengang.
Hij verdween in de kerk, maar kwam spoedig weer naar buiten, daar hij gezien had, dat zich daar binnen geen dame bevond. Lister leunde tegen een der zuilen en keek, betooverd door zooveel schoons, naar het heerlijke panorama beneden zich.
Hij was zoo verzonken in den onvergetelijken aanblik der zee en der prachtige getinte heuvelen van de Calabrische kust, dat hij de lichte schreden van een sierlijk voetje niet hoorde.
Plotseling echter ontwaakte hij uit zijn gedroom, want een helderklinkende stem riep vroolijk:
„O, daar is mijn Luigi! Hoe heerlijk, dat je gekomen bent, Luigi!”
Zij nam met haar beide handjes Lister’s rechterhand en toen zij haar groote, zwarte oogen, die in het zachtblozende, fijnbesneden gezichtje glansden, naar hem opsloeg, blonken twee groote tranen aan haar lange, donkere wimpers.
„O, Signora!” antwoordde de gewaande Finori, „het is helaas mijn vriend Finori nog niet in eigen persoon! Maar ik ben gekomen om u zijn hartelijkste groeten te brengen en u een briefje van uw bruidegom te overhandigen”.
Toen het mooie meisje de vreemde stem hoorde, liet zij verlegen Lister’s hand los en ging teleurgesteld een paar stappen achteruit.
„Vergeving, Signor! Maar ik verwachtte mijn verloofde stellig. En gij lijkt zooveel op Luigi! Ik dacht niet anders, of gij moest het zijn. Nu zie ik het verschil en uw stem deed mij dadelijk mijn dwaling inzien.
„Maar komt gij van hem? Is hij gezond en welvarend en—is hij over zijn groot verdriet heen?”
„Hier is het briefje, gravin, dat hij mij medegaf. Dat zal u van alles beter op de hoogte brengen dan ik het kan!”
Begeerig nam het meisje den brief aan en spoedig had zij den inhoud ervan gelezen.
„O, Signor Shaw, hoe kan ik u danken! Gij hebt hem tweemaal het leven gered en gij wilt ook verder over hem waken en voor hem arbeiden!”
Weer nam zij zijn hand, die zij warm en hartelijk drukte.
„Hij heeft zoozeer behoefte aan vrienden! Verschrikkelijke vijanden bedreigen hem in het verborgene en, evenals zijn vader, zoo willen zij ook hem ombrengen alleen uit eigenbaat. Het is onbegrijpelijk! En nu ook nog dit laatste verschrikkelijke! Mijn vader is oud en wij zijn niet zoo rijk als onze voorouders het waren. Nu heeft een kwaadwillige hem verteld, dat de millioenen van den ouden markies, Luigis erfenis, verdwenen zijn. En daarom is hij nu even sterk tegen ons huwelijk, als hij er vroeger voor was!
„Een rijke, jonge man, die, God weet hoe, een reuzenerfenis uit Amerika heeft gekregen, heeft om mijn hand gevraagd. Hij heeft mijn ouden vader allerlei voorgespiegeld over den herbouw van ons kasteel, het terugkrijgen der landerijen en den vernieuwden glans van onzen naam.
„Mijn vader heeft hem mijn hand toegezegd! En Luigi is weg en ik ben zoo geheel alleen! Ach, als hij maar terugkwam en mij ervoor behoedde om de vrouw te worden van Cesare, dien ik veracht!”
Doordringend, keek Lister naar het schoone meisje, dat daar voor hem stond in de schilderachtige kleeding der Siciliaansche boerinnen. Haar kleed was echter van fijnere stof en in fijnere tinten dan dat der gewone boerenmeisjes.
Onder het zwarte keursje, dat met een zilveren koord was dichtgeregen, welfde de maagdelijke boezem en haar blanke handjes waren, als smeekend, gevouwen.
„Hij zal spoedig komen, gravin! Reken daarop! Wij zullen over hem waken en zijn schandelijke vijanden ontmaskeren en onschadelijk maken. Maar noemdet gij niet den naam: Cesare? Heeft een zekere Cesare om uwe hand gevraagd? Wat is dat voor een man? Is hij dezelfde persoon, die uw vader mededeelde, dat Luigi’s erfenis verdwenen is?”
„Dat vermoed ik!” antwoordde Marietta nadenkend. „Ik weet, dat hij Luigi haat, hoewel hij—”, het meisje bloosde tot achter haar ooren, „hoewel hij zoo na aan hem verwant is!” [18]
„Gelooft gij, dat deze Cesare uw verloofde van het leven zou willen berooven?”
„Ach neen, neen, Signor Shaw! Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn! Zou Kaïn nogmaals zijn broeder kunnen vermoorden? Ik kan niet aan zulke slechtheid gelooven, vooral niet omdat ik weet, welke groote weldaden hij en zijn moeder steeds van den ouden markies hebben ondervonden!”
„En die Cesare heeft nu veel geld, plotseling veel geld, gravin, terwijl hij vroeger niets had? Welk een eigenaardig toeval. En haatte hij den ouden markies?”
„Ik kan het niet denken! Dat zou de grootste zonde zijn! Neen, neen, dat kan niet! Cesare Ginozzi is misschien jaloersch en wangunstig op Luigi, omdat hij verstooten is, uitgesloten als—een onwettige uit het oude, beroemde geslacht der Finori’s, maar een moordenaar—neen, signor Shaw, dat zou àl te verschrikkelijk wezen?”
„Goede gravin, ik hoop, dat gij gelijk hebt!” antwoordde Lister, „in elk geval ben ik u zeer dankbaar voor uw interessante mededeelingen! Ik zal niet in gebreke blijven, den markies, zoodra hij komt, of wanneer ik hem ontmoet, van alles op de hoogte te brengen!”
„O, ik moet ù danken, Signor Shaw, dat gij om mij hierheen zijt gekomen! En ik ben gerustgesteld, nu ik weet, dat het hem goed gaat en dat gij over hem waakt.
„Het is mij een ware troost!
„Daar boven ligt de bescheiden villa van mijn vader. Ik moet nu naar huis terug, het is meer dan tijd!”
De jonge gravin reikte hem met een betooverend, weemoedig glimlachje, dat haar klassieke trekken nog bekoorlijker maakte, haar sierlijke, blanke hand. Lord Lister drukte deze vol eerbied aan zijn lippen en ging met een beleefden groet heen.
Ook de gravin boog met een vriendelijken groet het hoofd. Daarop liep zij langs de groene oranjeboomen naar boven, waar de eenvoudige villa van haar vader lag.
Een knarsend geluid deed Lister omkijken.
Beneden op den straatweg naderde snel een automobiel, die door een bocht van den weg snel aan zijn blikken onttrokken was.
Peinzend liep de jonge man door de overdekte zuilengang, om ook het inwendige van de eigenaardige, koepelvormige kerk te zien. In het prachtige, gebouw liep hij met langzame schreden heen en weer. Maar hij zag niets van de zuilen en gewelven, noch van de vele interessante beeldhouwwerken en schilderijen der oude Siciliaansche meesters. Zijn gedachten hielden zich onwillekeurig bezig met de verrassende mededeelingen, die hij van het beeldschoone meisje had vernomen.
En langzamerhand werd het hem duidelijk, welke geheimen de familie Finori omgaven, hij begreep nu de verhoudingen en beweegredenen en tevens wist hij nu, wie de persoon was, die al deze misdaden op zijn geweten had.
De gravin was intusschen eveneens in gedachten verzonken langs de groene tuinen naar boven gewandeld.
Daar kwam plotseling uit de schaduw van een groep boomen een goed gekleede jonge man met een sportpet op het krullende zwarte haar, naar haar toe, zoodat zij verschrikt terugweek.
„Gij hebt zeker een slecht geweten, gravin!” zeide hij. „Met wien hebt gij zoo lang staan praten? Ik wil het weten, hoort gij, gravin Marietta?”
„Wat hebt gij mij te doen schrikken, signor Ginozzi! Wat is dat voor een manier, om zoo van achter de boomen te voorschijn te springen?”
„Dat is geen antwoord, Marietta, versta je mij? Antwoord mij, wie was het, door wien liet de kuischte aller jonkvrouwen zich zoo galant het handje kussen?”
„Wat is dat voor een taal tegenover een dame, signor Ginozzi! Dergelijke vragen weiger ik te beantwoorden. Ik herhaal u bij dezen nog eens, wat ik u reeds in tegenwoordigheid van mijn vader zei, dat uw aanzoek niet alleen een brutaliteit, maar ook slecht is! Gij weet zeer goed, dat ik, al is het ook nog in stilte, verloofd ben met markies Luigi Finori! Slechts van hem duld ik dergelijke vragen!”
„Ja, ja, ik weet het, mijn duifje, dat heb je gezegd, toen je vader mij zijn toestemming gaf!
„Ik heb je beleedigende woorden voor eeuwig in mijn hart gegrift! Maar je zult toch de mijne worden! Tevergeefs zal je op je trotschen bruidegom wachten. Voordat ik je opgeef, zal ook hij—”
De heetbloedige Siciliaan beet zich op de lippen en balde zijn vuist. Waartoe had hij zich bijna laten meeslepen! Maar het meisje had uit zijn woesten blik en uit zijn veelzeggende handbeweging begrepen, wat hij nog tijdig had weten te verzwijgen.
Zij sloeg haar groote, donkere oogen naar hem op met een uitdrukking van afschuw en riep uit:
„Zweer mij, Cesare, dat gij geen schuld hebt aan den dood van den ouden markies!”
„Ik zweer het, Marietta!” [19]
„Zweer, dat gij niet medeplichtig zijt aan zijn verdwijnen! Zweer het mij bij de Madonna van de Grot, mijn beschermheilige—!”
Cesare legde beide handen op de borst en breidde ze daarna als afwerend, uit:
„Van welke ongehoorde schanddaden verdenk je mij, Marietta, dingen, waaraan ik onschuldig ben!”
„Zijt gij onschuldig? Werkelijk? Welnu, zweer het mij dan— — —!”
Cesare keek haar met scherpen blik aan. Hij begon argwaan te krijgen. Hoe? Zou de gehate man, dien hij voor eeuwig in de Theems waande, gered zijn? Had zij hiervan bericht gekregen? Was hij het misschien zelf geweest, die zooeven met haar sprak? En plotseling meende hij het zeker te weten, als hij zich de gestalte van den man herinnerde, wiens gesprek met de gravin hij had bespied.
„Welnu, meisje, je wilt mij dus niet zeggen, met wien je hebt gesproken? Maar ik—ik vermoed het! En al is hij dan ook aan mijn wraak ontsnapt, jouw dierbare Luigi, verheug je niet te snel! Tevergeefs wacht je op je trotschen bruidegom! Ook hij zal vallen! Maar jij zult de mijne worden! Geen tegenspartelen, helpt je, want ik, Cesare Ginozzi, de bastaard der Finori’s—ik ben het hoofd der Siciliaansche Maffia!”
Cesare zette een zilveren fluitje aan zijn mond en drie mannen met slappe hoeden en in het zwart gekleed sprongen uit de struiken te voorschijn en grepen op een wenk van den capo de gravin vast.
Een gillende kreet om hulp klonk uit den mond van bet ontstelde meisje, daarop drukte Cesare Ginozzi haar een prop in den welgevormden mond en zijn helpers bonden met touwen haar armen en beenen.
Een bewusteloosheid maakte zich van haar meester, zoodat zij zich het vreeselijke van den toestand gelukkig niet bewust was.
„Naar de auto! Zoo snel mogelijk!” fluisterde Cesare op heeschen toon en de vier mannen haastten zich met hun bekoorlijken last naar de kerk della Madonna, om de auto te bereiken, die op den straatweg stond te wachten.
Op dit oogenblik klonk hun een donderend: „Halt, schurken!” in de ooren.
Lister had duidelijk het fluiten en den kreet om hulp gehoord en was uit de kerk naar buiten gesneld om te zien, wat er voorviel.
In elke hand een zijner kleine revolvers houdende, versperde hij den bandieten den weg, die van de kerk naar den straatweg voerde, waar de chauffeur, een vierde lid der Maffia, bij den motorwagen stond.
„Halt!” klonk het ook rechts van Lister en even bevelend „Halt!” aan de linkerzijde.
„Maledetto!” riep de Capo woedend, terwijl hij zijn revolver op Lord Lister afschoot.
„Vlucht en laat het meisje achter!” riep hij daarna op bevelenden toon, en maar al te gaarne gehoorzaamden de mannen.
Doch daar knalde een der revolvers van Lord Lister en de Capo, die in den rechterarm getroffen was, liet zijn wapen vallen.
Hij bukte zich echter en nam de revolver in zijn linkerhand. Maar hij schoot met deze hand mis, hoewel de kogel rakelings langs Listers hoofd vloog.
Daar weerklonken twee schoten, die uit de struiken ter rechter- en linkerzijde kwamen en een der mannen stortte naast de bewustelooze Marietta neer met den kreet: „Jezus Maria!”
Als gemzen klauterden de anderen langs de helling omlaag naar den straatweg, hun gewond opperhoofd volgend. Lister zond hun nog een paar kogels na, maar zij waren reeds te ver en toen hij zich over de bewustelooze gravin neerboog, hoorde hij de auto in razend tempo wegrijden.
Op dit oogenblik kwam een kleine man met een vossengezicht uit de struiken te voorschijn en riep vol geestdrift:
„Bravo, bravissimo! signore Shaw! Gij hebt uzelf overtroffen! Alle achting!”
Lister keek niet al te vriendelijk op.
„Dank u, signore Sarpi, voor uw welwillende hulp, maar gij hebt dezen keer al te goed geraakt!”
„Ja, dat is waar! De kerel kan ons geen inlichtingen meer verstrekken. Maar gij hebt den aanvoerder flink gebrandmerkt! Dat is voldoende! Maar waar is de derde in onzen bond?”
„Wat, jij, Giannettino?” vroeg Lister, verbaasd over de trouw van den jongen man, die juist eerbiedig en bescheiden uit het struikgewas te voorschijn kwam.
„Ja, Signore! Ik kon niet thuis blijven, nu ik u in gevaar wist. Maar Signore is alleen opgewassen tegen Capo en de geheele Maffia! Dit is voor het eerst, dat Capo gewond is!”
De detective spitste de ooren.
„Wat zeg je, man?—Die gewonde, Signore Cesare Ginozzi, de Capo, het opperhoofd— —?” [20]
„Noemde ik u niet reeds gisteren den voornaam, Signor Sarpi? Gij ziet, dat ik gelijk had! Maar nu, Giannettino, sleep het lijk in de struiken, opdat de gravin het niet dadelijk ziet, als zij tot bewustzijn komt.”
Ook Sarpi bood hulp. Beide mannen droegen den doode in het kreupelhout. Lister echter haalde in zijn hoed water uit de fontein bij de kerk en bevochtigde het gelaat van het bleeke meisje.
Een lange zucht werd hoorbaar en gravin Marietta opende angstig haar groote, donkere oogen.
„Cesare—het opperhoofd! Cesare, de Capo! O, redt Luigi! De Capo heeft hem den dood toegezworen!”