Het had eenige moeite en twee blanke goudstukken gekost om toegang te verkrijgen tot het paleis Finori. Eindelijk echter was het gelukt, den grijzen huisbewaarder te overtuigen van de onschuldige liefde tot antiquiteiten van den dikken Amerikaanschen heer, diens kamerdienaar en Italiaanschen gids.
Lord Lister had heden, naar aanleiding van de ontmoeting met de leden der Maffia en den zoon der waagzegster, een nieuwe vermomming gekozen met behulp van den weer herstelden gummibuik.
Vergezeld door Giannettino in zijn gewone kleeding, bevonden zij zich eindelijk in de groote hall van het voorname huis, die een interessante galerij vormde van de beroemdste schilders van Messina, vanaf Antonello en Caldara da Caravaggio tot Menniti en Scilla.
Mr. Shaw uitte zijn verrukking op luiden toon en maakte voortdurend aanteekeningen. Maar reeds na een half uur wendde de huisbewaarder, wien het geld in den zak brandde, eenige dringende boodschappen voor en liet hij de kunstminnende bezoekers alleen.
Begrijpende, dat de bewaker zoo spoedig niet terug zou komen, liet Lister de kunstwerken aan zichzelf over om met behulp van zijn vernuftig ingerichten sleutel, tot groote verbazing van Giannettino, van de eene kamer naar de andere te loopen om eenig spoor te ontdekken van liet geheimzinnige verdwijnen van den ouden markies.
Maar het scheen, alsof deze moeite tevergeefs zou zijn. Niet de minste kleinigheid deed denken aan de een of andere misdaad, noch in de ouderwetsche vertrekken met hun meubelen van groote kunstwaarde, noch in de eetzaal, die in echten renaissancestijl was gehouden, evenmin het kleine ontvangsalon met zijn behangsel van zachtgroene zijde, witte deuren en rococo-meubelen.
Giannettino volgde den Amerikaan in een gezellige bibliotheek, waar de gevulde boekenkasten aan weerszijden der boogramen en de drie schrijftafels bewezen, dat de heeren uit het huis Finori meer dan gewone belangstelling hadden betoond in wetenschappelijke studiën.
Terwijl Lister nog in de deur van het salon staande, waaruit hij juist was gekomen, den prachtigen renaissance-schoorsteen met de bekoorlijke zetels ervoor, de ronde tafel en een eiken boekenkast in renaissancestijl bewonderde, terwijl hij zijn blikken langs de rijen boeken en de vensters liet gaan, was Giannettino plotseling lijkbleek geworden. Bevend had hij de handen gevouwen en in de kamer rondgekeken, terwijl hij roerloos bleef staan.
Lister keek verbaasd naar de vreemde houding van het gewezen lid der Maffia.
„Wat is er, Giannettino?” vroeg hij vol belangstelling. „Zie je spoken?”
Een diepe zucht kwam uit de borst van den Siciliaan.
„Ja, Signore”, antwoordde hij op ernstigen toon. „Dit is de kamer, die ik droomend en wakend zag, die ik nimmer meer kon vergeten, sinds de voorname grijsaard ons vloekte!” [21]
Listers oogen glinsterden. Dit was een spoor—en zoo dichtbij! Hij had willen glimlachen, maar met ernstig gelaat vroeg hij:
„Op bevel van de Maffia, van den Capo?”
„Ja, Signore”, fluisterde de Siciliaan. „Ik zeg geen kwaad van de Maffia, die ook de misdaden der hooggeplaatsten wreekt! Maar ik vertrouw den Capo, het opperhoofd Cesare, niet. Hij gaf bevel tot deze daad! En nog heden ril ik bij de gedachte aan den blik en de stem van den ouden man, toen hij, op den Capo wijzend, een vreeselijken vloek uitsprak.
„Daarna echter liet hij zich, zonder een woord te spreken, handen en voeten binden, zich blinddoeken, en zich door den capo zelf een prop in den mond duwen.
„Sinds dat uur heb ik het gevloekt, lid te zijn geworden van de Maffia. Sinds dat oogenblik deed ik met weerzin, wat Capo Cesare mij beval, want ik heb geen rust meer, sinds ik dien eerwaardigen grijsaard mee in het verderf moest storten!”
„Wat je daar vertelt, Giannettino, strekt je tot eer!” sprak Lord Lister op plechtigen toon. „Welnu, ik wil je heden toevertrouwen dat ik ben gezonden om de misdaad op te sporen, waarvan Capo Cesare beschuldigd wordt! Als je mij wilt helpen, als je mij ter zijde staat om dien ouden heer, dood of levend, op te sporen, dan beloof ik je, dat je niet langer tot de Maffia zult behooren, maar dat je, bevrijd van alle zorgen, als een geacht man met een klein vermogen zult leven daar waar je zelf het liefst wilt!”
„O, Signore, als dat eens mogelijk was! Dat zou voor Giannettino een Hemel op aarde zijn!”
„Een bescheiden opvatting van het Hemelsche geluk!” antwoordde Lister glimlachend. „Maar nu verder, Giannettino! Wat is er met den gevangene gebeurd? Waar hebt gij hem gebracht?”
De Siciliaan wenkte Lister en liep naar de eikenhouten kast.
„Neem uw tooversleutel, heer, die alle deuren opent en ontsluit deze!”
Hij keek om zich heen.
Op den schoorsteenmantel stonden een paar tweearmige Byzantijnsche kandelaars met groote kaarsen. Hij nam ze er af en gaf Lord Lister een ervan.
„Ik heb iets beters, dat niet uitgaat door den tocht, noch sporen van druipend vet achterlaat”.
Hij haalde zijn electrische lantaarn te voorschijn en wees ze aan Giannettino.
„Maar neem jij de kaarsen, het kan geen kwaad!”
De deuren van de reusachtige kast, die schuin in een hoek stond, sprongen open en, toen Lister zijn licht er in liet schijnen, zag hij het begin van een massieve steenen trap.
Giannettino had een der kaarsen aangestoken en, nadat Lister de kastdeuren achter hen had gesloten, begonnen de mannen vastberaden de donkere steenen trap, die naar het binnenste der aarde scheen te voeren, af te dalen.
Een koele windstroom kwam hun tegemoet en Giannettino moest zijn flikkerende kaars met de hand beschermen, maar Listers electrische lantaarn verlichtte de steeds verder naar beneden voerende trap daghelder.
Een duffe, bedorven lucht ademden zij in, toen zij langs een lange, smalle gang, waar zij achter elkaar moesten gaan, doorliepen. Vandaar bereikten zij een groote ruimte, waar breede nissen in de muren waren, waarin vermolmde, verrotte doodkisten en talrijke geraamten, schedels en beenderen bij het schijnsel van het electrische licht zichtbaar werden.
Verbaasd bleef Lord Lister staan.
„Maar dit zijn de oude catacomben!” riep hij uit.
„Zeker, Signore! Wij zijn hier in het overblijfsel der reeds meer dan honderd jaren geleden door de aardbeving verwoeste catacomben.”
„Nu wordt mij alles duidelijk!” riep Lister met gedempte stem. „Hier is de plaats van bijeenkomst der Maffia van Messina!”
„Gij hebt het geraden, heer, zooals gij alles raadt! Nu, in den namiddag is nog geen gevaar te vreezen. Maar wat moeten wij doen, als men ons verrast of als wij iemand van de leden aantreffen?”
Lister knikte en dacht even na.
„Luister naar mijn plan! Als wij iemand treffen, maak je dan bekend als lid van den bond. Deel hem, wie hij ook zij, mede, dat wij hier zijn gekomen, omdat je mij, Umberto Grilli uit Venetië, wilt voorstellen als nieuw lid van het genootschap. Ik ben lang in Venetië geweest, kan het dialect vrij goed spreken en zal er mij wel uitredden. Als wij niemand ontmoeten, dan is het des te beter! Alleen in den uitersten nood gebruik maken van geweld!”
Giannettino vond het uitstekend. Het plan vond zijn volkomen instemming.
De weg ging nu weer naar beneden. Het waren lange gangen, zonder licht, bijna niet begaanbaar, die eenmaal hadden gediend om de lijken te bergen en waarin aan weerszijden nissen waren uitgehouwen in de steenharde rotsen. De bovenste nissen waren verder in de [22]rotsen uitgehouwen dan de onderste, zoodat de gewelven der Catacomben naar boven wijder werden.
„Wij zijn op de plek, Signore!” sprak Giannettino, toen zij een kleinere zaal, die nog dieper lag, hadden bereikt.
„Hierheen hebt gij den ouden heer gebracht?”
„Ja, Signore, slechts tot hier! Dit is de vergaderzaal der Maffia en van den Raad van Elf, de voornaamsten van den bond, welke niemand kent. Of men hem verder heeft weggebracht, wat met hem is gebeurd, of hij hier is veroordeeld, ik weet het niet. Wij werden hier alle langs een anderen weg weer heengezonden”.
Lister maakte een wanhopige handbeweging.
„Maar dat helpt ons niets verder, Giannettino! Hoe zullen wij den ouden heer dan vinden?”
De Siciliaan haalde gedrukt de schouders op.
Zij gingen verder door het vertrek, dat al spoedig van uiterlijk veranderde.
Lister keek om zich heen.
De ruimte had veel van een kerk, of van een theater. Op antieke wijze bevonden zich de steenen rijen van zitplaatsen, al hooger en hooger, in een halven cirkel om de halfrond uitgehouwen zaal.
Op een rechthoekig podium stond een zwart bekleede langwerpige tafel met een verhoogden zetel in het midden en aan weerszijden vijf eenvoudige houten zitplaatsen daarnaast.
Aan een der smalle kanten van de tafel stond de elfde stoel voor een der leden van het gevreesde Elftal, die een bijzonder ambt scheen te hebben. Was hij de secretaris, de penningmeester, of misschien de beul van de vereeniging?
Met een rilling zag Giannettino, hoe zijn nieuwe meester zonder eenige ontroering deze plaats der verschrikking betrad en alles nauwkeurig bekeek.
Sidderend, bijna zonder het zelf te willen, keek hij om zich heen en snelde naar alle toegangen om te zien of er ook iemand was verborgen of nader kwam.
Intusschen had Lister alles nauwkeurig onderzocht. Maar de ruw getimmerde tafel verborg geen enkel geheim. Aan een der rotsmuren was een zwart laken met een reusachtig doodshoofd aangebracht, een symbool, dat hier, te midden der geraamten en doodsbeenderen in de catacomben, geheel overbodig scheen.
Toen de Lord het ophief, ontdekte hij, dat het niet alleen als versiering diende, maar dat het ten doel had, een groote kast, die in een der nissen was geplaatst, te bedekken.
Bliksemsnel begreep Lister: dit was de geheime bergplaats van de schatten der Maffia!
Met koortsachtige haast ging hij met zijn onverbeterlijken steeksleutel aan het werk. De beide deuren sprongen open en bijna had Lister, ondanks zijn gewone zelfbeheersching, luide geschreeuwd bij den overweldigenden aanblik. Alle geopende vakken van de zeer eenvoudige kast waren, behalve een enkel, dat alleen papieren bevatte, gevuld met glinsterende kleinoodiën en blinkende goudstukken, terwijl zich in de grootere, onderste vakken zakjes bevonden voorzien van de getallen 20,000.
Elk bevatte dus duizend goudstukken en Lister telde er in de haast minstens een honderdtal.
Op den onderdrukten kreet van zijn meester was Giannettino haastig toegesneld. Toen hij echter een blik in de kast had geworpen, deinsde hij terug en bedekte zijn oogen met zijn handen.
„Mijn Hemel!” riep hij, „de schatten van de Maffia.”
Lister had zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen.
„Ken je een schuilplaats, vanwaar wij den schat veilig in het huis van den ouden heer kunnen brengen? Denk snel na, Giannettino, het zal je eigen belang ook zijn!”
„Heer, durft gij het wagen?”
„Snel, snel, Giannettino! Geen tijd verliezen, hij is te kostbaar! Hier rusten de schatten van de duivelsche vereeniging! Wij moeten gebruik maken van het oogenblik!”
De Siciliaan dacht na.
„Ik heb het gevonden, heer! Daar boven, verder naar boven! Misschien hebt gij het ook opgemerkt, daar is het graf van een der voornamen van de kerk, van een bisschop, geloof ik. Dat is leeg. Misschien wegens de kostbaarheden bestolen en leeggehaald. Wij kunnen samen het marmeren deksel oplichten. Daar moeten wij den schat verbergen! Niemand zal hem daar zoeken, als de deksel er weer op ligt met het kruis erop.”
Zij hadden bijna twee uur hard gewerkt en ontelbare malen de gangen op en neer geloopen, om alle schatten in de diepe doodkist te bergen. Maar nog kostbaarder dan alle kleinoodiën, juweelen en het goud waren de vele papieren en effecten, die Lister, welke zich hier weer volkomen de geroutineerde meesterdief Raffles voelde, in een der meest verborgen vakken had gevonden. Alle waren op naam van markies [23]Finori. Hierdoor had Lister, de handige Raffles, de erfenis van den jongen markies Luigi teruggevonden en dus was zijn tocht naar Messina in elk geval niet tevergeefsch geweest.
Toen de beide mannen het marmeren deksel met het kruis weer op de graftombe hadden gelegd, en hijgend en bezweet een oogenblik rust namen, lag voor een waarde van tien millioen lire in het oude graf.
„Voor heden genoeg, Giannettino. Laten wij nu teruggaan! Het is beter, in de morgenuren de schatten af te halen.”
De Siciliaan knikte toestemmend en zij begonnen de trappen weer te beklimmen.
Op dit oogenblik klonk van boven een heesche stem:
„Halt! Wie daar? Blijft staan of ik schiet!”
„Licht uitdooven, heer?” vroeg Giannettino fluisterend.
„Onnoodig,” antwoordde Lister op denzelfden toon. „Men heeft ons opgemerkt en men komt van boven naar ons toe. Antwoord, Giannettino.”
„Wie daar?” klonk het voor den tweeden keer.
„Een der broeders!” antwoordde Giannettino luid.
„Geef het wachtwoord!” klonk de stem uit het donker. Lister had hieraan niet gedacht en reeds een van zijn revolvers gegrepen. Maar de Siciliaan antwoordde kalm:
„Hertog van Ossuna!”
Nu werd boven hen een fakkel ontstoken en verscheiden personen daalden de trap af. Lister had, om er zoo onbezorgd mogelijk uit te zien, een sigarette aangestoken en boog evenals Giannettino, toen de mannen, elf in aantal, langs hen schreden.
De laatste der mannen, welke allen zwartzijden halfmaskers droegen, scheen Giannettino te herkennen.
Hij wenkte hem om naderbij te komen.
„Ik kom mij melden, daar ik terug ben van mijn reis naar Napels, Signore!” sprak hij.
„Volbracht, Pietri”—dit was de familienaam van Giannettino—„wat je was opgedragen?”
„Helaas niet, Signore! De brief ligt nog steeds op het postkantoor del Piliero. Niemand kwam hem afhalen. Ik ben twee dagen gebleven, maar het was tevergeefs,” loog Giannettino.
„Het is goed, Giannettino! Het is buiten jouw schuld. Maar wien heb je daar bij je? Waarom breng je dien man hier?”
„Ik dien steeds de Maffia, Signore, en ijver altijd om haar meer leden te verschaffen. Deze man is een nieuweling, een vriend van mij, de dappere Umberto Grilli uit Venetië, wiens innigste wensch het is, opgenomen te worden in onze vereeniging!”
De gemaskerde knikte bevredigd.
„Flink zoo, mijn zoon! Als je in kunt staan voor zijn eerlijkheid en trouw, dan heb je je verdienstelijk gemaakt jegens de broederschap!—Is de Capo reeds aanwezig?” wendde hij zich tot de anderen.
„Nog niet gekomen!” antwoordde een der tien mannen, die intusschen de plaatsen op het podium hadden ingenomen.
„Blijft hier allebei staan!” riep de laatste van het elftal.
„Als de Capo komt, zullen wij u roepen, om te beraadslagen over het voorstel van jou en dien man.”
Lister rookte werktuigelijk zijn cigarette. Het zou nu het geschikte oogenblik zijn om te vluchten, daar de doortocht naar boven vrij was.
Op dit oogenblik weerklonk door het onderaardsche gewelf een gil, waarop een gebrul van woede volgde.
De secretaris van het elftal, die juist het notulenboek uit de kast wilde nemen, had den diefstal der schatten ontdekt. Men hoorde duidelijk de woorden:
„Wraak! Dood aan den vermetele! De allergrootste straf!”
„Ontdekt, Signore! Te vroeg ontdekt!” fluisterde bevend de Siciliaan. „Laat ons vluchten! De weg naar boven schijnt vrij te zijn! Snel!!!”
Daar klonk een donderende stem:
„Wat gebeurt daar beneden? Wat voeren jullie uit? Antwoord onmiddellijk!”
„Edele Capo!” klonk het terug. „Er is iets vreeselijks gebeurd! De ergste slag heeft ons getroffen! Onze schatten zijn geroofd! De dief heeft geen enkel goudstuk overgelaten!”
„Vervloekt!” schreeuwde de Capo tandeknarsend. „Dat is onmogelijk, dat kan niet!” — — —
Hij snelde zoo vlug mogelijk naar beneden, zijn rechterarm in een verband, maar bleef ontzet staan, toen hij de beide roerlooze mannen ontdekte.
„Wie zijt gij? Wat doet gij hier? Gij komt mij verdacht voor!”
„Ik ben het, signor Capo, Giannettino Pietri, pas terug uit Napels, en deze heer is een vriend van mij en een nieuw lid van den bond.”
Cesare haalde met de linkerhand zijn revolver te voorschijn.
„En zoekt gij nog, dwazen? Hier staan de misdadigers, deze zijn het en niemand anders! Zou dat [24]een nieuw lid zijn voor ons genootschap? Kom hier voor mij staan, voor mij, den hoogsten rechter der Maffia! Nu begrijp ik mijn wantrouwen tegen Pietri! Het is een doorgestoken kaart!
„Laat geen van hen ontsnappen! Haalt de revolvers te voorschijn! Zij moeten sterven!”
„Ja, dood en verdoemenis aan de roovers!” brulden de elf gemaskerden vol woede.
De loopen van elf revolvers werden gericht op Lister en Giannettino.