Het was ongeveer een half uur vóór deze gebeurtenis, dat in een zijgang van de catacomben, in een afgesloten ruimte, welke in verbinding stond met de kerk San Francesco di Paola, een zeldzaam tooneel werd afgespeeld.
Ook deze ruimte was de vroegere grafkelder van een der voornaamste kerkelijke autoriteiten uit de tijden der eerste Christenen in Messina.
Waar zich vroeger de graftombe had bevonden, stond nu midden in het vertrek een ruwe houten brits, waarop aan handen en voeten geboeid en met het lichaam aan de brits vastgebonden, een grijsaard lag met een edel, maar bleek gelaat en langen, sneeuwwitten baard.
Een kunstig aangebrachte steenen plaat, voorzien van grendels en haken, scheidde het vertrek, een onderaardsche gevangencel, van de rest der catacomben en van de overige wereld.
Ondanks zijn groote bleekheid vertoonde deze krachtige Romeinsche kop met de vurige donkere oogen een onbuigzamen wil en groote vastberadenheid.
De grijsaard had alleen zijn rechterarm vrij, waarvan zoo juist de touwen schenen te zijn losgemaakt.
Voor hem stond een man, die onder zijn slappen vilten hoed een zwartzijden halfmasker droeg en in zijn linkerhand een stuk papier en vulpen hield, terwijl zijn rechterarm in een zwart verband rustte.
„Markies Finori!” riep hij uit, „onderteeken dit testament, dat mij benoemt tot erfgenaam van het vermogen en den naam der Finori’s, dan hebt gij uw vrijheid terug!”
„Neen, neen, mijn lieve zoon”, antwoordde de geboeide met snijdenden hoon: „Ik ken maar al te goed de geschiedenis der Borgia’s! Als hunne slachtoffers het verlangde hadden onderteekend en meenden, hun leven te hebben gered, hadden zij integendeel hun doodvonnis bekrachtigd. Ik zal mij wel in acht nemen!”
De gemaskerde stampte woedend op den steenen vloer.
„Sterf dan zoo! Ik heb het geld en al kan ik hier niet optreden als de erfgenaam der Finori’s, dan toch is er aan gene zijde van den oceaan gelegenheid genoeg om als een Croesus te genieten en te worden geëerd!
„Leef dan wel, goede, beste vader, die zijn eigen zoon uit zijn huis liet werpen!”
„Ja, bastaard!” antwoordde de gevangene onbevreesd, „dien ik op straat liet werpen als afperser en schriftvervalscher! Heb ik jullie, ellendelingen, niet genoeg betaald? Waarom hebt gij het verbrast, waarom hebt gij er roekeloos mee omgegaan, nietswaardig sujet?”
De gemaskerde beefde van woede, zijn vuist kneep het papier in elkaar.
„Gij zijt in mijn macht! Gij zult duizend dooden sterven, niet één, vervloekte stijfkop!—Ziet gij dat uurwerk daar boven? Ziet gij het mes, dat daar hangt?”
Hij liep haastig naar den muur, waarlangs een gewicht en een ketting afhingen. Met ratelend geluid trok hij met de linkerhand het gewicht in de hoogte, waarna men het uurwerk hoorde tikken. Het mes bewoog [25]zich nu in gelijkmatige tusschenpoozen op en neer. Het hing precies boven de borst van den gevangene.
De geboeide grijsaard keek onverschillig naar boven.
„Ik begreep dadelijk”, sprak hij, „toen ik dat mes daar boven ontdekte, dat dit wel het een of andere duivelsche werk van mijn zoon zou zijn! Kijk, kijk—het beweegt en komt vermoedelijk steeds lager! Wat een schitterende uitvinding!”
De gemaskerde had intusschen met een stok het uurwerk, dat vrij hoog hing, gesteld.
„Gij vergist u, dierbare vader! Ik ben wel knap op het gebied der mechaniek, maar deze doodsklok heb ik niet uitgevonden, ik heb haar slechts hersteld. Dit prachtige toestel is uitgevonden door de heilige Vaders, de menschlievende leden van de Inquisitie, om de verstokte ongeloovigen te straffen en een driedubbelen dood te doen sterven.
„Reeds menig ander heeft op de plaats gelegen, waar gij nu ligt; ongeloovigen en geloovigen, schuldigen en onschuldigen, welke zich niet konden verdedigen en die dikwijls alleen de misdaad op hun geweten hadden, rijk te zijn en de hebzucht der heilige Vaders te hebben opgewekt.
„Misschien waren zij minder verstokt dan gij, dien ik haat— — —!”
„Het is nu het jaar onzes Heeren 1908, als ik mij niet vergis—!”
„Zeker, zeker, markies, onnatuurlijke vader, hoogmoedige edelman! En al zoudt gij ontkomen aan dit mes, wat niet denkbaar is, dan zullen de muren boven uw hoofd instorten en als gij daardoor niet verpletterd wordt, dan zal de grond onder uw voeten uit elkaar vallen en gij zult in den onderaardschen arm van de Torrente di San Francesco di Paola storten, die onder dezen bodem door zijn weg neemt naar zee!”
„Dank—dank!” antwoordde de grijze gevangene hoonend. „Een gedeelte van dit alles is reeds meer dan voldoende! Maar jij, schurk, wees gevloekt! Als ooit de vloek van een vader is uitgekomen, dan zal hij zeker jou treffen! Vaar naar de hel, vervloekte, waar jij, duivel, behoort!”
Ondanks al zijn gewetenloosheid beefde de gemaskerde innerlijk. Maar, om niets te laten merken, lachte hij luid.
„Verouderde opvattingen, dierbare vader! En als het u misschien eenigszins kan troosten, zoo weet, dat gij spoedig vereenigd zult zijn met uw geliefden Luigi! Maar ik zal dan toch, ondanks uw weigering om te onderteekenen, uw erfgenaam zijn! Dit is—mijn afscheidsgroet!”
„De Heiligen zullen mijn beminden zoon beschermen!—Ga heen, onmensch, laat mij sterven! Maar bevrijd mij eerst van je gehate aanwezigheid!”
De schurk lachte.
„Dus vadertje, laat de tijd u niet al te lang vallen. Gij hebt nog tien minuten te leven! Kijk naar den wijzer! Als die de twaalf bereikt, zal het mes zoo laag zijn gekomen, dat het zich langzaam, maar zeker in uw hart boort! Dat zal de voltooiing mijner wraak zijn! Veel genoegen, oude stijfkop! Deze tien minuten zullen uw trots breken—Addio!”
„Stumper! Ik bevind mij in de hoede van God! Maar jij, ongelukkige, bent voor eeuwig des duivels. Ga heen, plaag mij niet langer! Een Siciliaansch edelman weet te sterven!”
„Wat? Durft gij mij nog trotseeren?” riep de ontaardde zoon vol woede en teleurstelling. „Dat is sterk! Geen God zal u kunnen redden, dwaas, en geen gebed zal uw noodlot kunnen veranderen!”
„Wie weet het?”
Hoonlachend verwijderde zich de schurk en dreunend viel de deur achter hem dicht. Eenzaam en verlaten, niet in staat om zich te bewegen, bleef de grijsaard op de houten brits liggen.
Als hij zijn oor drukte tegen het hout, waarop hij lag, vernam hij diep onder zich werkelijk het ruischen van het water der Torrente. Maar onweerstaanbaar werd zijn blik getrokken naar het uurwerk boven hem—nog acht minuten!
Langzaam maar zeker liep het door en het mes, dat aan een stang was bevestigd en flikkerde in het licht van een door Cesare achtergelaten fakkel, naderde al meer en meer, telkens met een schokje kwam het nader—zeven minuten!
Hij wilde de oogen sluiten, maar onwillekeurig richtten zij zich weer op het uurwerk en zijn oor luisterde naar het onheilspellende tikken.
—Zes minuten nog!—
De stoomboot van de maatschappij Florio-Rubaltino was juist aan de Scala dit Marmo te Messina aangekomen.
Onder de talrijke personen, die aan de kade hunne uit Napels komende vrienden of bloedverwanten verwachtten, bevonden zich ook een kleine man en een slank, elegant gekleed meisje, wier gelaat door een sluier bedekt was. [26]
„Ik ben bang, dat hij weer niet komt, Signore Sarpi!” sprak het jonge meisje tot den detective.
Daar naderden twee jonge mannen, met vlugge stappen van den steiger, met veerkrachtigen tred de trappen der kade bestijgend.
De een, naar zijn uiterlijk een artist, had nauwelijks de wachtenden gezien, of hij groette met een handbeweging en snelde naar de slanke jonge dame toe.
„Marietta mia!”
„O, Luigi, Luigi!”
Het meisje had haar verloofde ondanks zijn vermomming aan stem en gestalte herkend en viel, lachend en weenend tegelijk, in zijn armen.
De detective had intusschen Charly, of liever Mr. Robert Bentinck-Shaw uit Chicago, op levendigen toon begroet en hem medegedeeld, dat zijn oom—dat wil zeggen Lord Lister—hem had opgedragen, Mr. Robert en den jongen markies hier aan de kade af te halen.
Zijn oom was zelf verhinderd door gewichtige zaken, die waarschijnlijk betrekking hadden op de misdaad in de familie Finori.
Toen de bagage vooruit was gezonden naar het hotel Vittoria en men bijeen zat in het echt Italiaansche restaurant van het Venetiaansch Hotel in de Oca Neve, werd het gesprek zeer levendig.
Spoedig echter stond de detective op.
„Het is tijd! Mijn lieden wachten op de afgesproken plaats. Als gij blijft bij uw moedige voornemens, heeren— —?—Het is niet meer of minder dan een tocht in de onderwereld—het is nu tijd om de misdadigers te overvallen!”
„O, neem mij ook mee! Luigi, kan je meenen, dat ik je nu alleen in het gevaar zou laten gaan, om zelf achter te blijven?—Ik weet, wat het plan is van Signore Sarpi!”
„Neen, neen, gravin!” riep deze uit. „Ik bid u, blijf hier! Men kan niet weten, welke strijd daar gestreden zal worden! En gij vermoedt niet, naar welk afschuwelijk oord ik de heeren zal moeten brengen!”
„Al ging het rechtstreeks naar de hel, waar die vreeselijke man thuis behoort, ik verlaat mijn Luigi niet meer, ik zou uit angst om hem sterven! Kijk, Signore Sarpi en jij Luigi, ik ben gewapend; ik heb moed! Niet tevergeefs ben ik een dochter der Torresani’s!”
De schoone Marietta haalde met schitterende oogen een sierlijk revolvertje en een prachtigen kleinen dolk te voorschijn, wat den heeren een glimlach ontlokte.
„Goed dan, signora,” antwoordde de detective, op vriendelijken toon, „dan zal ik u vertellen, waarheen wij gaan. Naar het onderaardsche kanaal der Torrente, dat in verbinding staat met de zee, een weg, die niemand anders kent dan wij en de Maffia—en die voert naar de overblijfselen der catacomben.”
„De—catacomben—?” herhaalde het meisje rillend van afschuw. „Om het even, waarheen Luigi gaat, ga ook ik! Al zou het dood en verderf zijn, met hem wil ik liever ondergaan in den eeuwigen nacht dan te moeten leven in weelde en licht zonder hem!”— —
„Benijdenswaardige markies!” mompelde de kleine man, ondanks zichzelf ontroerd door de offervaardigheid van het jonge meisje.
„Komaan dan, heeren, naar den onderaardschen weg, waar de boot met mijn lieden op ons wacht! Op ten strijd tegen de—Maffia!” [27]