[Inhoud]
DE GOUDMAKER.

DE GOUDMAKER.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEDROGEN DESPERADO.

„Ik ben van plan,” zei John Raffles tot zijn assistent en vriend, Charly Brand, „om met de trustkoningen der Vereenigde Staten zaken te gaan doen. De heeren verdienen het, tot welzijn der menschheid, dat hun millioenen eens een flinke aderlating ondergaan. Iedere dollar van hun reuzenvermogen is ten koste van de gemeenschap verworven.”

Charly Brand keek zijn meester eenige minuten bedenkelijk aan, voordat hij antwoordde:

„Niettegenstaande alle hoogachting, die ik voor je genie koester, acht ik je toch niet ertoe in staat, met goed gevolg een strijd met de Amerikaansche Goudreuzen te voeren.

Wanneer je hun briljanten wilt wegnemen, zal hun dit niet schaden. Edelgesteenten hebben voor hen niet meer waarde dan kiezel, en geld is bij hen niet te halen.”

Over het geestige, gladgeschoren gezicht van John Raffles vloog een glimlach.

„Dit is het langste gesprek, dat ik van jou sedert het begin onzer vriendschap, gehoord heb, maar tevens het onbeduidendste!

„De brillianten der millionnairs interesseeren mij dit keer in ’t geheel niet. Overigens heb je het mis, als je meent dat ik niet evengoed als ieder ander zou weten, dat in de geldkasten der millionairs slechts kasboeken en rekeningen te vinden zijn. Die hoeveelheden contant geld, waar ik belang in stel, liggen goed opgeborgen in de schatkamers der banken. Neen! ik wil hun in geregelde zaken hun kapitaal ontnemen en probeeren, daarmede weder diegenen gelukkig te maken van wie zij het hebben afgenomen.”

„Nu ben ik toch werkelijk nieuwsgierig hoe je dat zult aanleggen! Ik houd je, zooals gezegd, voor een genie op het gebied van beroepsinbraak. Je kennis overwint met hare kunstvaardigheid ieder slot en iederen hinderpaal, maar of je je tegenover deze wereldkooplui als meester toonen zult, dat betwijfel ik.”

John Raffles rookte bedaard zijn sigaret en antwoordde:

„Het onmogelijke trekt mij aan; daarom zonder verder gepraat: Wij zullen morgen Londen verlaten en ons naar Amerika begeven.”

„Best”, antwoordde Brand, „ik ben altijd blij als ik Londen den rug toekeeren kan.

Men zou werkelijk aan een wonder kunnen gelooven, dat je tot heden toe nog niet ingerekend zijt door de Engelsche detectives, die je op de hielen zitten.” [2]

„Bah!” lachte Raffles en sloeg de asch van zijn sigaret, „ik herhaal je nog eens, dat je de Londensche politie overschat.

Het zijn net zulke gewone menschen, als alle anderen. Wanneer het toeval hun niet ter hulpe komt, zijn zij nog niet eens in staat een gewonen derde klasse bedrieger te pakken. Over het algemeen is slechts die mensch in zijn beroep werkelijk bekwaam, die het uit hartstocht, als liefhebber heeft opgevat en uitgeoefend. Slechts dezulken zullen zich in hun vak van alles op de hoogte stellen en niets ontzien. Ik moet eerlijk bekennen, behalve Petrosino, den beroemden Amerikaanschen detective, en Sherlock Holmes, ken ik tot heden geen detective, die zijn beroep, als kunst, en als sport en tegelijkertijd uit ware toewijding uitoefent.”

„Je hebt gelijk,” zei Charly Brand, „men noemt je toch ook den inbreker uit liefhebberij”.


Eenige weken later zaten Raffles en Charly Brand in een rookcoupé van den Pullmann Luxe-trein, die tusschen New-York en San Francisco loopt.

John Raffles had in New-York, in het bureau van het Astoria Hotel gehoord, dat zekere mr. Brown, dien men den trustkoning van de kopermijnen van Amerika noemde, voor dezen trein een biljet bestelde.

Om kennis met mr. Brown te kunnen maken, nam hij denzelfden trein, en zat nu in den rooksalon, hem van dichtbij gade te slaan, terwijl hij, oogenschijnlijk, zich met het lezen van een boek bezig hield.

Tegenover den Yankee zat, heel gemakkelijk, een andere vertegenwoordiger van den millionnairsstand, zekere Geis in een fauteuil geleund.

Daar richtte de Groote Onbekende tot Charly Brand het woord:

„Ik heb geluk. Twee vliegen in een klap. Bij den grooten koperkoning heeft zich nog een tarwekoning gevoegd.

„Hij is de hoofdman in dit bedrijf en heeft, zooals ik uit een gesprek tusschen hem en Brown bemerkte, de groote Amerikaansche handelaars tot een, zoogenaamde trust bijeengebracht. Deze lieden koopen, bij hun eigen tarwe, alle overige tarwe op, en bepalen dan voor dit zoo noodige voedingsproduct der menschheid, den prijs, daar buiten hen niemand meer tarwe bezit. De wereld wordt door geen enkele wet tegen zulke misdadigers beschermd.”

Mijnheer Brown had intusschen zijn boek terzijde gelegd, en begon met den tarwekoning een gesprek. Raffles had zijn plaats zoo genomen, dat hij ieder woord kon verstaan.

„Gij reist naar Chicago?” vroeg Brown.

„Juist”, antwoordde Geis, „ik heb daar een bijeenkomst met zaakvrienden.

„Er is dit jaar veel tarwe, niet waar?” zei Brown terwijl hij sarcastisch glimlachte.

„Helaas, ja!” antwoordde Geis, terwijl zijn gelaat een uitdrukking van misnoegen over den goeden oogst vertoonde.

„De tarwe zal nu goedkoop worden,” opperde Brown, „dat is u zeker niet aangenaam.”

„Zeker niet,” antwoordde Geis, „daarom reis ik juist naar mijn zakenvrienden in Chicago om den toestand te bespreken.”

„Ja, ja,” zei de koperkoning op een toon, alsof hij een treurende zijn deelneming betuigde, „men kan den zegen des hemels niet zoo regelen, als ik mijn koper. Bij mij komt het er niets op aan, als er te veel erts is, het wordt daardoor niet goedkooper, en het bederft ook niet, als men het liggen laat. Maar de tarwe! Hm. hm! Naarmate er meer groeit, wordt het goedkooper en er is niets aan te verdienen. ’s Hemels zegen is in dit geval een vloek voor den koopman. Ik zou mij met zulke zaken niet inlaten.”

„Dat is uw zaak, mijnheer Brown,” bromde Geis, wien dit gesprek niet beviel, „laten wij maar over iets anders praten.”

Daarna ontwikkelde zich een gesprek over politiek, dat Raffles niet interesseerde. Hij hoorde slechts nog, dat Brown naar zijn kopermijnen reisde, die in Pottsville, in den Staat Colorado, gelegen waren.

De luistervink noteerde alles op zijn manchet.

Daar hoorde hij hoe Brown zei: „Ik zou wel al in Chicago willen zijn. In den laatsten tijd zijn zooveel treindiefstallen voorgekomen.”

„Onzin”, pochte Geis, „ik ben voor die bandieten niet bang. Verleden jaar werd mijn trein in de omstreken van Ohio aangevallen. Alle passagiers verloren het hoofd er bij, ik alleen niet. Toen de schurken in mijn coupé kwamen en „handen omhoog” brulden, trok ik mijn revolver en schoot hen neer. Wilt gij het wapen zien? Daar is het”.

„Neen! Neen!” riep Brown angstig, „ik zie liever geen vuurwapenen. Daar zijn reeds te veel ongelukken mede gebeurd. Berg het maar weg.”

Maar Geis had de revolver al reeds uit zijn zak gehaald. [3]

John Raffles moest evenals Charly Brand om dit tooneeltje lachen.

Het was een damesrevolver, een wapen voor wielrijders, een geheel onschadelijk voorwerp.

Zelfs Brown was van den schrik hersteld en beschouwde geïnteresseerd, en tegelijk twijfelend, dit kinderspeelgoed.

„En daarmede hebt gij die lieden gedood?”

Geis zette een hooge borst op: „Mijnheer, wilt gij het probeeren? Een wondervolle klapbus is het, en doodend!”

„Ik geloof u, ik geloof u!” mompelde Brown, „maar houdt de revolver niet op mij gericht, dat maakt mij zenuwachtig.”

„Gij moet het eens knallen hooren”.

„Liever niet!”

Met een heldhaftig gelaat borg Geis de revolver weder in zijn zak toen de hofmeester verzocht aan tafel te komen.

Nu richtte Raffles het zóó in, dat hij een plaats naast Brown kreeg, terwijl Charly aan de andere zijde van den Grooten Onbekende zat. Brown kon ieder woord verstaan, dat Raffles tot zijn secretaris sprak en maakte uit het gesprek van Raffles op, dat het doel van zijn reis Pottsville in den staat Colorado was.

Dit interesseerde Brown en zijn breeden mond tot een verplichtend lachje vertrekkend wendde hij zich tot lord Lister.

„Gij reist naar Pottsville, naar ik hoor”.

„Jawel”, antwoordde Raffles, „stelt gij belang in het doel van mijn reis?”

Brown lachte eens.

„Och ja, ik ben daar tamelijk bekend en woon er sedert meerdere jaren. Mag ik vragen welke zaken u naar Pottsville voeren?”

„Ik ben er geïnviteerd”, zei Raffles zóó onbevangen, dat Charly Brand zich te vergeefs het hoofd brak, wie uit Pottsville zijn vriend kon gevraagd hebben.

„Misschien Hunting?”, vroeg Brown.

John Raffles haalde de schouders op en antwoordde:

„Het spijt mij, u niet te mogen antwoorden. Verschillende redenen verbieden het mij.”

Hij wendde zich van Brown af, alsof de vraag hem hinderlijk was geweest, en onderhield zich met Charly Brand over den duur van den tocht.

Zoo verliep de tijd, tot Raffles ’s avonds nogmaals door Brown in den rookcoupé aangesproken werd.

„Is het geoorloofd, mijn whisky aan uw tafel uit te drinken?”

Zonder een antwoord af te wachten, nam de koperkoning plaats, en nadat hij een sigaar had aangestoken, begon hij omslachtig over Pottsville, de kopermijnen en zijne bezigheid te spreken, als iemand, die zich dadelijk overal op den voorgrond plaatsen wil.

Lord Lister had, met zijn geniale menschenkennis, dadelijk het karakter van Brown doorgrond.

„Mr. Hunting”, zette nu de koperkoning uiteen, „is mijn concurrent, en het zou mij spijten, als gij een vriend van hem waart en mij daardoor belet werd, onze kennismaking van deze reis voort te zetten. Wilt gij mij niet mededeelen, wat u naar Pottsville voert?”

„Ik stel belang in de mijnen”, antwoordde Raffles.

„In mijnen”, herhaalde Brown, „het is mij niet bekend, dat iemand in mijn omgeving iets verkoopen wil.”

„Dat niet”, antwoordde Raffles. „Het is mij nog nooit ingevallen een mijn te koopen. Mag ik zoo vrij zijn, mij aan u voor te stellen? Mijn naam is James Baxter, ik ben scheikundige.”

Het was gelukkig, dat Brown op dit oogenblik zijn overbuurman aankeek en niet Charly Brand. Deze trok zoo’n verbluft gezicht, dat dit den koperkoning dadelijk had moeten opvallen.

„Wat, in ’s hemels naam”, dacht de jonge secretaris, „heeft Raffles met scheikunde te maken, en hoe komt hij er toe, zich den naam van zijn ouden tegenstander, den inspecteur van politie Baxter uit Londen toe te eigenen?”

„Is uw vriend ook scheikundige?” hoorde Charly Brand de stem van Brown zeggen; het volgende oogenblik beantwoordde Raffles die vraag toestemmend, en maakte daardoor zijn vriend eveneens tot chemicus.

„Het ontbreekt er nog maar aan”, dacht Charly Brand, „dat Brown met mij een gesprek over de scheikunde begint. Ik heb sedert ik van school ben, alles vergeten wat in betrekking tot deze wetenschap staat.”

„Gij wilt mij dus niet meedeelen”, sprak de koperkoning verder, „op wiens invitatie gij naar Pottsville gaat? Want daar gij scheikundige zijt, is er natuurlijk ook een zakelijke oorzaak voor uwe reis.”

John Raffles hulde zich in een geheimzinnig zwijgen, en versterkte daardoor Brown nog meer in het vermoeden, dat de zoogenaamde Baxter zaken in Pottsville had, die tegen Brown gericht waren.

„Interesseert gij u voor koper?” vroeg Brown, opnieuw een poging wagende de beweegredenen van zijn tegenstander te doorgronden.

Glimlachend antwoordde Raffles:

„Dat ontken ik niet; en ik wil u ook wel vertellen, [4]mr. Brown, dat ik in de laboratoria van den staat zonderlinge chemische toestanden ben op het spoor gekomen.”

„Zijt gij door den Staat aangesteld?”

„Jawel”, knikte Raffles.

Charly Brand begon het plotseling benauwd te krijgen.

Hij verlangde op te staan om, op goeden afstand van deze twee, een sigaar te rooken. Hij voerde dit plan uit en hoorde zoo van verre, hoe de twee zich nog tot laat in den nacht over kopermijnen en de winsten daarvan onderhielden. Charly Brand kreeg de overtuiging, dat Raffles in een boek over koper moest gestudeerd hebben en dit was ook zoo. Terwijl Charly Brand sliep, had Lord Lister zich een boek uit de trein-bibliotheek verschaft en daarin wat gestudeerd, zoodat hij op theoretisch gebied meer van koper wist, dan Brown in de praktijk.

Toen de mijnbezitter met Raffles den slaapwagen opzocht, nam hij met een vriendschappelijk „goeden nacht” afscheid van hem, hem toevoegende:

„Ik hoop, dat gij eerst eenigen tijd bij mij, in mijn villa, wilt doorbrengen voordat gij gevolg geeft aan de uitnoodiging van den mij onbekenden heer in Pottsville.”

„Ik zal er eens over nadenken”, zei Raffles en ging naar Charly Brand in de voor hen afgescheiden ruimte in den slaapwagen.

„Wat wil je in ’s hemels naam?” vroeg Brand, toen Raffles het gordijn had neergelaten, „met dezen mijneigenaar?”

„Ik wil hem aderlaten”, fluisterde zijn vriend, „hij is een schelm van den eersten rang; hij onthulde mij hedenavond een plan, dat hij met verscheidene kopermijnbezitters heeft uitgedacht, om den prijs van dit, voor de industrie zoo onontbeerlijke metaal, opnieuw op te voeren. Als hun dat gelukt, kan de mindere man weer de kosten van deze speculatie met zijn zweet betalen, terwijl zij eenige millioenen rijker zijn geworden.”

„Ik begrijp je niet”, merkte Charly op, „maar een ding moet ik je verzoeken, geef mij voortaan niet meer als scheikundige uit. Ik zou niet eens kunnen zeggen, welke elementen er in de wereld bestaan.”

„Elementen?” lachte Raffles en vleide zich neder. „Kwade en goede elementen, mijn jongen, en nu—goeden nacht.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — —

De morgen was nog niet aangebroken, toen de trein, door een plotselingen ruk aan de noodrem, midden op den weg tot stilstaan werd gebracht.

De slapenden vlogen uit hun bed op, en luisterden angstig wat er gaande was. Verscheiden schoten knalden, en vloekende stemmen werden buiten den trein gehoord. Dit leven gaf aanleiding tot algemeene ongerustheid.

Als een kudde schapen drongen de passagiers in hun nachtgewaad in de gangen van den wagen, tusschen de slaapgelegenheden, en een algemeene kreet van misnoegen en vrees deed zich hooren, toen plotseling het licht uitging, en het geheel donker werd. Daarop verscheen een zwarte hofmeester die riep: „Dames en heeren. Wij zijn aangevallen. Ik geef u in overweging, geen weerstand te bieden. Deze lieden maken korte metten, zij hebben reeds den hoofdconducteur en zijn machinist neergeschoten.”

Achter hem verscheen, verlicht door het schijnsel van een handlantaarn, de avontuurlijke gestalte van een man met breedgeranden hoed, wollen hemd en een broek van schapenvacht, in iedere hand een revolver van groot kaliber. Van zijn gelaat was, daar er als masker een doek voor gebonden was, niets te zien.

„Handen omhoog!” schreeuwde de vreemde. „Allen in den wagon!”

„Wie dat niet doet, krijgt van mij uit mijn dampmachine genoeg stoom om naar de andere wereld geholpen te worden. Voorwaarts, handen omhoog, jij dikbuik”, schreeuwde hij Brown toe, die niet zoo dadelijk dit bevel opvolgde.

„Pardon, ik heb jicht,” antwoordde de koperkoning.

„De duivel hale je jicht,” vloekte de desperado. „Handen omhoog, of ik zal je genezen!”

Hij hield de revolver voor het gezicht van Brown, die met de snelheid van een aap de armen omhoog hief.

„Nu moeten alle zaken van waarde uit de bagage genomen worden,” riep de desperado den passagiers, die den wagen verlaten wilden, toe.

Alle reizigers gehoorzaamden en verlieten nu, in de opgeheven handen hun geldtasschen en zaken van waarde dragende, den wagen.

Zoodra de laatste was uitgestapt, ging de vreemde met een lantaarn in de coupé’s rond, om ze te doorzoeken.

Hij had er geen idee van, dat John Raffles, de Groote Onbekende, zich nog met zijn assistent in den trein ophield.

De desperado had nog niet het midden van den trein [5]bereikt, of plotseling sprongen twee mannen, met maskers voor het gezicht, uit een slaapvertrek op hem toe. Vóór de roover nog zijn revolver afvuren kon, gaf een van de aanvallers hem een vreeselijken vuistslag tegen de oogen, die hem bewusteloos deed neervallen.

Het was John Raffles, die, nadat hij den man onschadelijk had gemaakt, den bandiet met groote snelheid het vreemde gewaad uittrok en zichzelf daarmede costumeerde.

Het gezicht bedekte hij met denzelfden rooden halsdoek, die den desperado als masker gediend had, zette ook diens breedgeranden hoed op.

Charly Brand boeide ondertusschen met eenige riemen van de bagage den neergevelden man.

Hierop sleepten zij hem in hun vertrek, stopten hem een prop in den mond, om hem het schreeuwen te verhinderen.

„Blijf bij hem tot ik terugkom,” beval John Raffles zijn vriend. „Ik zal mij nu de grap veroorloven, in zijn plaats de zakken van onze medereizigers lichter te maken. Zij verdienen niet beter voor hun lafheid, en deze schurk verdient ook niet anders. Dan wordt de rekening, die ik met beide partijen te vereffenen heb, afgesloten.”

Na deze woorden nam hij de revolver van den desperado en stapte uit den coupé.

Sidderend van angst en rillend van koude, stonden de reizigers in een lange rij, en ieder van hen nam een zeer belachelijke houding aan.

De heeren in onderbroeken en nachthemden, de dames in nachtgewaad, allen boden een schouwspel, als een karikatuur-teekenaar niet beter zou kunnen bedenken. John Raffles trad op hen toe en, de heesche stem van den desperado nabootsend, riep hij:

„Het is koud, nietwaar dames? Laten wij dus spoedig afdoen, opdat gij niet verkouden wordt. Geef echter vóór alles dat kinderspeelgoed hier.”

Hij trad op Geis toe, nam hem een kleine revolver uit den zak van zijn slaaprok, verwijderde de patronen uit het wapen en zei:

„Gij wilt met dit ding zeker op de berenjacht gaan, niet waar? In dezen nachtrok zult gij bij de dieren veel vrienden krijgen.”

Dit schertswoord gaf den reizigers de verloren stemming terug, nog meer toen Raffles aan Geis het ontladen wapen terug gaf met de woorden:

„Vergeet een volgenden keer niet, uw revolver mee op reis te nemen, doch liefst ongeladen. Spaar de patronen.”

Een oude, magere dame hief afwisselend één hand in de hoogte, om met de andere haar afzakkenden onderrok vast te houden.

„Geneer u niet,” wendde zich John Raffles tot haar. „Houd gerust beide handen omhoog; ik zal bij dit gezicht mijn goede luim niet verliezen.”

Een nieuw gelach deed zich hooren.

Toen trad hij op Brown toe, wien het zweet van inspanning in dikke druppels over het gezicht liep.

John Raffles lichtte hem met de lantaarn in de oogen, en zeide:

„Dit werkje maakt u warm, mijnheer. Ik raad u aan dit vaker te doen. Gij transpireert als in ’t hartje van den zomer.”

Zoo ver het oog reikte, lag buiten de sneeuw over de velden.

Voor iederen reiziger had hij een toepasselijke opmerking, en liet zich door hen, alsof hij in een kerk geld inzamelde, den grooten breedgeranden hoed tot aan den rand met horloges, ringen en geld vullen.

Van de locomotief riep een andere desperado:

„Zijt gij spoedig gereed, Jim?”

„Kom dadelijk,” riep John Raffles met heesche stem terug, „ik moet eerst nog den wagen onderzoeken, en nazien wat de bende mij daar nog verduisteren wilde.”

Hij steeg weer in den wagen, doorzocht hem en vond werkelijk verscheidene portefeuilles met banknoten, in de bedden verstopt.

Dit alles bracht hij in zijn slaapvertrek en zei tot Charly Brand:

„Laat ons nu den schelm aan de andere zijde van den trein op de rails werpen.”

Beiden pakten zij den man, die nog altijd bewusteloos was, op, en wierpen hem door een open venster den wagen uit.

„Berg nu deze dingen van waarde in onze koffers,” beval Raffles, „ik zal intusschen onderzoeken, hoeveel onbekende helpers nog op de locomotief staan.”

De Groote Onbekende verliet wederom den wagen en schreeuwde den reizigers toe:

„Niemand komt in den trein voor ik bevel geef.”

Dreigend liet hij daarbij zijn revolver knallen.

Er stonden wel een dozijn mannen tegenover hem, maar niemand waagde, ook slechts met een enkel woord zijn eigendom te verdedigen.

John Raffles ging langs den trein, en zag dat nog slechts een enkele desperado op de machine stond, die met twee revolvers den stoker en den conducteur in bedwang hield. Voor de locomotief lagen de hofmeester [6]en een derde desperado neergeschoten ter aarde, en naast hen stonden de zwarte treinbedienden. Zij waren door den dood van hun chef zoo zeer verschrikt, dat ook zij niet waagden, weerstand te bieden.

Niet zoodra had Raffles gezien, dat de desperado slechts één medeplichtige had, of hij steeg weer in den wagen en stapte naar zijn coupé.

Haastig wierp hij de kleeren van den bandiet af, zette zijn gewoon reispetje op, en zei tot Charly Brand:

„Volg mij en neem je wapen mee.”

Terwijl hij eveneens zijn wapen ter hand nam, stapte hij uit het venster, waardoor zij den desperado hadden geworpen, en nam diens kleeren, in een bundeltje gewikkeld, mee.

Met van woede fonkelende oogen keek de geknevelde hen aan. Hij was bijgekomen en probeerde te vergeefs, de riemen los te maken, en de prop uit den mond te nemen.

„Pak op,” beval Raffles, „wij moeten den schurk van de rails dragen, opdat de treinbeambten hem niet vinden.”

Zij brachten den geknevelde naar een helling, vanwaar zij hem, wel een twintig meter, naar beneden lieten rollen; zijn bundeltje kleren wierpen zij hem na.

„Hij zal wel eenige uren noodig hebben voor hij zich losgemaakt heeft”, lachte Raffles, „en dan zal hij het, niettegenstaande de morgenkoude, wel warm krijgen.”

Daarop sloop de Groote Onbekende voorzichtig naar de locomotief.

Vloekend stond daar nog altijd de desperado, en dreigde ieder, die de handen zinken liet, neer te schieten.

Plotseling knalden kort na elkaar twee schoten.

De treinbeambten zagen, hoe de desperado de armen liet zinken en met een schreeuw van woede ter aarde stortte.

John Raffles had hem, als geoefend schutter, in de opgeheven armen getroffen en hem daardoor onschadelijk gemaakt.

„Schiet je revolver in den donker af,” fluisterde hij Charly Brand toe. „De passagiers moeten denken, dat jij den tweeden kerel hebt onschadelijk gemaakt.”

Toen schreeuwde hij luid „bravo”, en sprong op de machine.

„Hem hebben wij, menschen,” riep hij, terwijl hij op den verwonde wees, „jammer dat de tweede ontkomen is.”

Alle passagiers en beambten liepen bijeen, en Raffles kreeg luide uitroepen van bewondering van de zijde der dames te hooren.

Een ieder kwam de vertelling van den Grooten Onbekende geloofwaardig voor, toen hij mededeelde, bij het eerste gerucht uit het venster gesprongen te zijn, en zoo de eerste gelegenheid heeft afgewacht om de roovers onschadelijk te maken.

„Wat jammer, dat wij dien anderen schelm ook niet te pakken konden krijgen,” riep Brown, „die hond heeft mijn portefeuille met 10,000 dollars geroofd, maar,” voegde hij er pochende bij, „het is niet zoo erg voor mij. Ik laat mijn werklui eenvoudig eenige uren inkorten, en het geld is spoedig weer bijeen gebracht.”

Nu moesten de beambten eerst een dikken boomstam, dien de desperado’s over de rails gelegd hadden, wegruimen, en na een uurtje werk kon de trein zich weer in beweging zetten. John Raffles echter bevond zich in zijn slaaphut en telde de onvoorziene ontvangsten van dit oponthoud, hij had 170,000 dollars en een groote handtasch vol horloges en ringen.

„Dat is nog eens de moeite waard,” lachte hij tegen Charly Brand, „om in een Pullmann Luxe-trein te reizen. Gemakkelijker kan men geen geld verdienen. Jammer dat de heeren Geis en Brown zoo slecht bij kas waren. Ik hoop echter in Pottsville en in Chicago nog betere zaken met hen te doen. Ik heb namelijk den koperkoning een geheim wijs gemaakt Charly. Ik heb hem verteld, dat ik alchimist ben.”

„Alchimist?” vroeg Brand verwonderd.

„Ja,” antwoordde Raffles, „en jij hebt wel de minste reden om dit te betwijfelen. Ik meen, dat ik dat zaakje tamelijk goed versta. Dezen nacht maakte ik alleen met mijn handen 170,000 dollar. Daarvoor had ik niet eens, als een goudmaker, een smeltoven en smeltkroes noodig. Maar in Pottsville laat ik mij een smeltoven bouwen, en ik hoop, dat ik daarin meerdere millioenen van Brown’s vermogen zal versmelten. Geloof mij, Charly, een rijk man is nog niet altijd een verstandig man, maar dikwijls juist het tegendeel daarvan. De rijkdom is hem meestal slechts door toeval in handen gekomen. Brown is zoo’n groote ezel, als ik tot dusverre zelden heb aangetroffen. Ik wed, om welk bedrag ook, dat hij even vast gelooft aan mijn kunst om goud te maken, als ik aan zijn domheid. En nu, goeden nacht, oude jongen!” [7]