[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN DUIVELSCHE MISDAAD.

John Raffles had in Chicago met Charly Brand den trein verlaten. Evenzoo Geis, die gedurende de reis vriendschap met Brown en den Grooten Onbekende had gesloten.

Men leverde in Chicago den desperado, die door Raffles verwond was, aan de politie uit.

John Raffles moest een urenlang verhoor ondergaan over deze aangelegenheid door den inspecteur van politie te Chicago, zekeren Henry Smith. Bij deze gelegenheid wierp hem de desperado blikken van doodelijken haat toe, en toen Raffles de getuigenzaal verliet, riep de ander hem na:

„Ik reken wel met u af, vervloekte hond!”

Geis noodigde John Raffles uit, bij hem in zijn hotel te komen. Deze echter verklaarde, dat hij, gedurende zijn oponthoud daar, bij een kennis zijn intrek wilde nemen.

De beide vrienden zochten nu een klein hotel op, en benutten den nacht om zich door het vermommen met een baard en het veranderen van kleeding, een geheel ander uiterlijk te verschaffen. Niemand zou in den witbaardigen ouden Yankee, en diens begeleider John Raffles en Charly Brand herkend hebben. Nu eerst begaven beiden zich naar het Central-Hotel en huurden daar twee kamers. In de vreemdelingenlijst schreef Raffles zich in als Henry Smith uit Boston.

Deze naam leek hem, omdat de inspecteur van politie te Chicago zoo heette.

’s Avonds, terwijl hij zich naar de eetzaal van het hotel begaf, ontmoette hij Geis, in begeleiding van drie heeren.

Hoewel Geis vlak langs hem ging, herkende hij Raffles niet, ook viel het Geis in de eetzaal niet op, dat de vreemdeling met den witten baard aan een tafel naast hem plaats nam. Evenmin sloeg hij er acht op, dat Raffles, die met den rug naar hem toe gekeerd zat, ieder woord dat hij sprak, verstaan kon.

De vrienden van den meelkoning waren elegant gekleed en hun vingers waren met briljanten overladen; de uitdrukking van hun gelaat was echter in groote tegenstelling met hun overige uitzien. Een dierlijke, brutale trek lag op hun gezicht, en hun spreekwijze was gelijk aan die, welke gebruikt wordt door de Iersche bootwerkers in Londen. Toch moesten zij rijk zijn, zéér rijk.

John Raffles boog zich naar Charly Brand over de kleine tafel en zei:

„Dit zijn nu de menschen, voor wie ik naar Amerika gekomen ben. Tenminste enkele van hen. Kijk hen maar goed aan, Charly. Wanneer de armen honger hebben, zien hun oogen niet zoo gretig naar brood, als de oogen van deze kerels naar geld. Een miserabel troepje!”

Op dit oogenblik sloeg Geis zoo hard met zijn hand op de tafel, dat de wijnglazen rinkelden, en riep:

„Ik zeg u, heeren, wij moeten onze tarwe dit jaar opvoeren. Ik heb geen lust voor niets te werken, en daarom heeren, verzoek ik u, voor deze conferentie naar Chicago te komen.”

„Ik zou gaarne,” antwoordde een ander, „en ieder van ons zou liefst zooveel geld als mogelijk verdienen. Daarom vragen wij u, Geis, welken streek hebt gij op het oog, waardoor wij verkoopen kunnen. Ik weet waarlijk niet wat wij in deze slechte tijden kunnen doen. Er is meer tarwe, dan gevraagd wordt.”

Geis grinnikte van het lachen.

„Gij zijt een domoor, Brauer. De zaak ia heel eenvoudig, als wij ons aaneensluiten. In dit jaar is wel vier maal zooveel tarwe in Californië gegroeid als in het voorgaande.”

„Zoo is het,” riepen zijn metgezellen.

„En,” voegde Brauer er aan toe, „nu kan iedereen zijn brood voor de helft van den prijs van vorige jaren koopen. Er is helaas meer tarwe, dan de heele wereld in de maag kan stoppen.”

„De duivel hale zoo’n tarwe-zegen,” schreeuwde Geis. „Zij zullen zich op onze kosten de maag niet vullen. [8]Ik liet ze liever allen van honger omkomen. Maar daarom juist, heeren, heb ik een voorslag, die u genoegen zal doen.”

Allen luisterden gespannen, wat Geis, die zich een glas champagne inschonk en in één teug ledigde, wel vertellen zou.

De meelkoning veegde de volle lippen af, stak een echte Havanna op, en begon:

„Wij met ons vieren worden in Californië de meelkoningen genoemd, omdat wij het grootste gedeelte van alle tarwe, die er groeit, in handen hebben. Op onze zolders hier in Chicago, hebben wij te zamen voor meerdere millioenen aan tarwe liggen en wij moeten nu goed weten, wat daarmee te doen. Wanneer wij deze tarwe naar de markt brengen, is de prijs morgen tot de helft gedaald.”

„Dat is zoo,” stemden de aan de tafel zittende vrienden volmondig toe.

„Wat zullen wij doen?” vroeg Brauer.

Het gezicht van Geis vertrok zich tot een duivelsch lachje. Nogmaals schonk hij zich een glas champagne in, dat hij in één teug ledigde. Daarna antwoordde hij, kort en bondig:

„Verbranden!”

Als tot steenen beelden geslagen over het ontzettende van dezen voorslag, staarden de kooplui hem aan.

„Verbranden?” herhaalde Brauer, alsof hij niet goed gehoord had.

„Zeker,” antwoordde Geis, „alles in rook doen opgaan. Dan zijn wij van dezen zegen des Hemels verlost, het restje bewaren wij op onze pachthoeve, en bepalen er den prijs van, tot het viervoudige. Dan maken wij prachtige zaken, en ik zeg u, daar de menschen brood eten moeten, zal hun niets anders overblijven, dan aan ons, de eenige meelleveranciers, zooveel te betalen als wij verlangen. Natuurlijk moeten wij samen werken.”

De graanhandelaars overlegden eenige seconden, daarop riep zekere Lobeck:

„Ge hebt gelijk, Geis. Wij moeten onze, tot aan het dak gevulde zolders leeg maken, en het is het eenvoudigste middel, zooals gij dat aangeeft. Ik zal de eerste zijn, en reeds vandaag mijn pakhuizen in de lucht laten vliegen. Dat zal een heerlijk schouwspel voor Chicago zijn.”

„Voor alles,” begon Geis, „moeten wij onderling ons verbinden, opdat niet één van ons naderhand zal blijken een afvallige te zijn, en terwijl de anderen aan het werk gaan, met de handen in de zakken toezien, hoe wij in onze domheid ons graan verbranden, zoodat hij later tegen ons met zijn tarwe de troefkaarten kan uitspelen. Ik stel u dus voor, dat ieder onzer van den andere den voorraad opkoopt en daardoor geen recht meer heeft op zijn magazijnvoorraad. Ik zal dadelijk de akten van den verkoop in orde maken.”

Hij haalde uit zijn bankportefeuille vier zoogenaamde slotakten, en vulde ze in. Daarop reikte hij aan ieder een gouden vulpenhouder, en niet één van de schurken draalde een oogenblik met het onderteekenen van de akte. Nu dat was afgeloopen, schonk Geis nogmaals de glazen vol en allen klonken op de goede zaken.

„Op uw welzijn, heeren, wij zullen de wereld den broodkorf wel wat hooger hangen en haar bewijzen, dat wij de baas zijn,” riep de graankoning.

Met breeden lach antwoordden hem zijne metgezellen, dronken de glazen uit en vulden ze opnieuw.

„Wanneer zal het gratis vuurwerk afgestoken worden?” vroeg Brauer.

„Vanavond reeds,” antwoordde Geis, „het is de meest gunstige tijd. In Europa is alle graan reeds verkocht en de kooplui wachten op het Amerikaansche. Wij hebben vier weken noodig, vóór wij uit onze depôts uit Californië nieuw graan ter verzending in Chicago hebben. Na dien tijd zullen wij alle, ons nog toebehoorende granen, tot viervoudigen prijs naar New-York en Engeland zenden, en dan maken wij een uitstekend zaakje.”

„Dat is best,” knikte Brauer, „het meest zal zich Rockefeller, de eigenaar van den Pacific-spoorweg, ergeren, omdat hij met de vracht zoo weinig aan ons verdienen zal. Ik wilde juist vandaag wagens bestellen. Het is goed, dat ik dat nog niet gedaan heb.”

„Daar is ook geen haast bij,” meende Lobeck. „Heeren, dat is een best zaakje dat wij daar uitgedacht hebben, en ik ben bereid, ieder jaar al het overvloedige graan te verbranden, om met de rest goede zaken te doen. Wij moeten ’s hemels zegen tot voordeel van onzen geldbuidel aanwenden, het brood moet duur blijven.”

In dit oogenblik stonden de luistervinken op en verlieten het hotel.

Op straat gekomen, zeide Charly Brand tot zijn vriend:

„Dat is een ongehoorde misdaad, die deze vier schurken op het oog hebben.”

John Raffles haalde de schouders op:

„Niemand ter wereld kan hen daarin verhinderen. [9]Deze kerels kunnen met hun eigendom doen wat zij willen.

„Toch wil ik probeeren of ik hen niet een poets kan bakken, om het zaakje te verijdelen.”

Hij stapte met zijn secretaris naar de havens van Chicago, waar pakhuizen van zes tot acht verdiepingen, in lange rijen naast elkaar stonden. Deze pakhuizen waren eigenlijk niets anders dan groote houten kisten, die van den grond tot het dak met graan gevuld werden.

Hier was een onmetelijke rijkdom opgestapeld en de bezitters hadden het in hun macht om met dit kostbare goed, dat de aarde voor de menschheid voortbrengt, misdadigen woeker te drijven.

John Raffles keek nadenkend naar deze gebouwen. Hij scheen het niet met zichzelf eens te zijn, hoe hij den bezitters van deze met graan opgevulde gevaarten kon schaden.

„Het is toch treurig,” zei hij tot Charly Brand, „dat menschen als de koperkoning Brown of de graankoning Geis en hun vrienden, met hun dollars het wel en wee van millioenen arme menschen in hun macht hebben.”

Na deze woorden scheen hij plotseling een besluit te hebben genomen. Hij nam een rijtuig en beval den koetsier:

„Naar den burgemeester van Chicago.”

Onderweg doorzocht hij zijn brieventasch, en vond een document, dat hij zich eens in New-York ten huize van zekeren Whitney had toegeëigend. Het was een aanstelling van de Amerikaansche regeering voor Whitney, die ten doel had, dat hij in oorlogstijd als staatscommissionair voor de regeering, graan en andere benoodigdheden voor de troepen, dadelijk in beslag zou nemen.

„Ik zal probeeren,” zeide John Raffles, „of dit stuk mij helpen kan.”

De burgemeester van Chicago ontving Raffles met hoogmoedig gebaar.

„Ik kom in geheime zending en veroorloof mij u hierbij mijn aanstelling uit Washington te toonen.”

Hij hield het papier zoo handig vast, dat de burgervader wel het zegel van Washington en het onderschrift van den president kon lezen, maar niet den inhoud.

„Ik ben,” begon Raffles, „staatscommissaris van het departement van oorlog in Washington, en heb opdracht alle granen, die hier in Chicago liggen opgestapeld, voor de regeering in beslag te nemen.”

Na deze woorden werd de burgemeester bijzonder beleefd en dienstvaardig.

„Op welke manier kan ik u daarbij behulpzaam zijn?” vroeg hij.

„Gij kunt met mij medegaan naar de bezitters van de graanpakhuizen,” was het antwoord, „en hen verklaren waar het om gaat, namelijk, dat wij de graanpakhuizen voor de regeering sluiten.”

„Zou er oorlog uitbreken?” vroeg de burgemeester met verbaasd gezicht.

John Raffles sloeg een hoogen toon aan, toen hij antwoordde:

„Dat gaat noch u, noch mij, iets aan.

Wij hebben alleen de bevelen van den president op te volgen.”

De burgemeester schrikte en mompelde een verontschuldiging. Daarna maakte hij zich gereed, en volgde Raffles naar het Central Hotel, waar de graankoningen nog altijd bij de champagneflesch zaten en hun reusachtige zaak bedronken.

Met gemengde gevoelens hoorden zij de verklaring van den burgemeester aan, dat hun granen voor de regeering in Washington in beslag werden genomen, en wel, zooals John Raffles eraan toevoegde, tegen beursprijs van den laatsten dag.

„Wat?” schreeuwde Geis, „ik denk er niet aan! maar ik bezit ook niets. Ik heb mijn geheelen voorraad verkocht. Hier is de quitantie.”

Hij toonde de voor een uur onderteekende nota aan den burgemeester. De kooper was Lobeck, maar deze kwam met hetzelfde praatje. Ook hij bezat niets. Hij had zijn voorraad weer verkocht aan Brauer en Brauer weer aan Milton. Milton, de vierde der graankoningen daarentegen, had het verkocht aan een niet bestaanden stroopop „en wel zooals hij zeide, aan een Engelschman”.

„Gij komt te laat,” meende Geis, schouderophalend. „In heel Chicago zal Uncle Sam, als hij graan moet hebben, geen korreltje vinden. Dan moeten de heeren van de regeering het maar uit Engeland terug koopen.”

John Raffles keek koud en doordringend den graankoning aan, en zei:

„Ik zal den president mededeelen, welk een uitstekend medeburger gij zijt.”

„Wat meent gij daarmee?” brulde Geis, „spreek duidelijker”.

„Het antwoord zal ik u later wel geven.” Zonder te groeten verliet Raffles de tafel, aan welke de burgemeester als gast van de graankoningen achterbleef.

„Het is tevergeefsch,” zeide Raffles tot Charly Brand, „ik heb al het mogelijke gedaan om de tarwe te redden. [10]Ik kan die schelmen niet te pakken krijgen. Als ik geld genoeg bezat, maar daarvoor zijn millioenen noodig, zou ik den strijd tegen de schelmen durven opnemen.”

Dienzelfden avond genoot Chicago een grootsch schouwspel. In de graanpakhuizen aan de haven was brand uitgebroken. Reusachtige vlammenzuilen verhieven zich en gloeiende stroomen van vonken stortten in het water. Slechts met aanwending van alle kracht gelukte het de brandweer, de stad voor het vuur te beschermen. De schade was ontzaglijk! Wat het vuur nog op de zolders overliet, werd bedorven door de groote stroomen water, die de brandweer uit haar honderden slangen in den verzengenden gloed slingerde.

Millioenen werden in een enkelen nacht vernietigd: het brood voor de geheele wereld.

Alleen de graankoningen zaten zorgeloos in het Central Hotel en verheugden zich, nu nog meer te kunnen verdienen. Dienzelfden nacht nog bepaalden zij den prijs van het hun toebehoorende graan op het dubbele en wenschten zich met dit zaakje geluk.

Den volgenden morgen voegde zich John Raffles bij den directeur van den Pacific spoorweg, Mayer, die de vertrouwde van den grooten Rockefeller was, en stelde zich voor als Henry Smith, koopman uit Boston.

„Ik kom bij u”, leidde de groote onbekende het gesprek in, „om een zaak met u af te doen, die echter in eenige uren moet afgehandeld zijn.”

Mayer bood Raffles een stoel.

„Wil mij dan meedeelen, wat het voor een zaakje is.”

„Het komt er op aan”, zei Raffles, „dat ik voor de volgende maand al uw gezamenlijke spoorwagens, die van Chicago naar New York graan overbrengen, van u pachten wil.”

Mayer keek met belangstelling naar zijn overbuurman. Dat was voor hem een nieuw soort speculatie.

„Ik ben bereid”, sprak John Raffles verder, „u voor de wagens het dubbele te betalen, wat gij anders ontvangt. Ik meen dat gij, mijnheer Mayer, of uw chef, Rockefeller, zoo’n zaak niet onaangenaam zal zijn.”

„Zeker niet!”, antwoordde de chef, „en ik kan u toevallig helpen, omdat de heeren van het graanvak tot op heden nog geen wagen besteld hebben, en na den reusachtigen brand van dezen nacht slechts weinig wagens ter graanlevering naar New York zullen noodig hebben.”

Hij sloeg een groot boek open, waarin de inkomsten der spoorvrachten stonden opgeteekend.

„Ik kan u de wagens, 16,000 stuks, voor 30 dagen, behalve de locomotief, voor 150,000 dollar ter beschikking stellen. Het kolenverbruik van de machine, en de onkosten voor het bedienend personeel moeten extra betaald worden.”

„Allright”, zei Raffles, „ik neem uw aanbod aan. Wij hebben nu nog drie weken tot den 1en October en ik zal u vandaag op het, tusschen ons gesloten verdrag, 150,000 dollars uitbetalen.

„Op den 1en October, bij het aanvaarden van mijn recht, zal ik u een millioen dollar door mijn bank doen toekomen. Daarbij moet ik u nog verzoeken, mij toe te staan, zoo noodig, deze overeenkomst eenige maanden te verlengen.”

Mayer boog toestemmend: „Het is mij hoogst aangenaam!”

Daarop gingen de heeren naar een notaris om het contract te teekenen, waarbij Henry Smith, uit Boston, van af den eersten October, alle voor graanlevering bestemde en ingerichte vrachtwagens der Pacific Spoorweg pachtte.

„Ik weet, wat uw plan is”, zei Mayer tot John Raffles, toen de zaak beklonken was. „Gij wilt den graankoningen een poets bakken. Ik wensch er u geluk mee. Wij kunnen zoo iets niet doen, hoe gaarne de heer Rockefeller het ook had gedaan; maar hij heeft een verdrag met de graankoningen gesloten en zich verbonden, al het graan tot een bepaalden vrachtprijs, naar New York te brengen. Gij, als particulier, kunt doen wat gij wilt. Overigens een uitstekend idee, ik feliciteer er u mee. Mijnheer Rockefeller zal zich ergeren, dat hem zoo iets nooit is ingevallen.”

Toen Raffles met Charly Brand weer in het hotel zat, zei hij:

„Mijn beste Charly, ik ben mijn geheele leven nog niet zoo vergenoegd geweest als vandaag. Nu heb ik die schavuiten toch nog iets in den weg gelegd. Het. oude spreekwoord wordt toch weer eens bewaarheid: Wie voor een ander een kuil graaft, valt er zelf in.”

„Ik kan uit dit zaakje niet goed wijs worden”, antwoordde Charly Brand; „ik breek mij het hoofd, waar jij op den 1en October die millioen dollar vandaan wilt halen, die je Mayer betalen moet.”

John Raffles lachte, stak een sigaret op en zei:

„Die zal ik van Brown uit Pottsville gaan halen.”

„Heel goed”, antwoordde Brand, „maar dan begrijp [11]ik toch nog altijd het plan niet, dat gij daarmee beoogt.”

„Ik heb een roede gebonden, beste Charly, een roede voor deze schelmen”, lachte zijn vriend, „weet je niet, waarom men zoo iets doet?”

En hij vervolgde:

„Morgen reizen wij naar Pottsville en daar wij voor dit doel ons masker moeten afleggen, zullen wij de kamers in het Central Hotel opgeven en weer naar hetzelfde hotel gaan, dat wij den eersten nacht in Chicago betrokken hebben.”