[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

EEN OVERROMPELING.

John Raffles en Charly Brand kregen weer dezelfde kamers. De twee vrienden waren naar den schouwburg gegaan, en kwamen eerst om één uur ’s nachts thuis.

John Raffles draaide het electrisch licht in de kamer op en keek met scherpen blik in de kamer rond. Plotseling bleef hij staan en Charly Brand zag, dat zijn vriend op een zwarte vlek in het heldere tapijt staarde, in de nabijheid van het raam. Dadelijk boog Raffles zich voorover, betastte het plekje met de vingers, verhief zich dan weder snel en zei tot Brand:

„Wij zullen nog een sigaret rooken.”

Zij gingen bij den schoorsteen zitten en rookten.

„Wat zag je daar op het tapijt?” vroeg Charly Brand.

„O! niets,” antwoordde Raffles, glimlachend, „ik dacht een kleinen diamant, dien ik vanmorgen verloren heb, terug te vinden.”

„Ah! zoo,” antwoordde Brand, „ik verwonderde mij al, wat je op den grond zoo kon interesseeren.”

Nadat hun sigaretten opgerookt waren, wenschten zij elkaar goeden nacht, en de Groote Onbekende ging in de aangrenzende kamer. Er verliep bijna een uur, en de jonge secretaris sliep al rustig, toen zich een licht geritsel aan het venster hooren deed. Het was, alsof iemand een mes tusschen het raam stak, en het opende. Een zacht geluid deed zich hooren, toen het venster opensprong en in het volgende oogenblik sloop de zwarte gestalte van een man in de kamer en beluisterde de rustige ademhaling van den slapende. Dan sloop de zwarte geluidloos naar het bed, boog zich voorover, en trok een breed mes, zooals de cowboys dat in de West gebruiken, uit den zak.

De inbreker hield het mes tot den stoot gereed, en fluisterde:

„Gij zijt de medeplichtige van dien hond, die mij den diefstal in den Pullmann-trein onmogelijk maakte. Nu heb ik jullie ontdekt, en de duivel zal mij halen, als het jullie nog eens gelukken zou, mij, den beroemden Denver Jack, te bedotten. Daar hebt gij uw loon!”

Juist wilde hij het fonkelende staal in de borst van Charly Brand stooten, maar voor hij de daad kon verrichten, vloog Denver Jack, door een vuistslag getroffen, ter aarde. In het volgende oogenblik knielde Raffles bij den desperado neer en knevelde hem; Charly Brand sliep gedurende deze scène rustig door.

Eerst toen Denver Jack geheel gekneveld op den grond lag, maakte hij zijn vriend Charly wakker. Slaapdronken richtte zich de jonge man op en vroeg wat er aan de hand was.

De Groote Onbekende draaide het licht in de kamer op en hield Charly het mes voor dat hij Denver Jack een oogenblik geleden had ontrukt.

„Je leven was eenige minuten geleden geen duit meer waard,” sprak hij, „wij hebben visite gekregen. De desperado, dien wij in den Pullmann-trein onschadelijk maakten, heeft ons spoor ontdekt, en wilde zich wreken. Daar ligt hij.”

Denver Jack, een kerel als een athleet, knarste met de tanden, en zag met een uitdrukking van doodelijken haat naar Raffles, die hem spotachtig lachend bekeek. [12]

„Gij verstaat uw vak niet, misschien hebt gij nu de kunst om een goeden vuistslag te geven geleerd.”

„Vervloekte hond!” tandenknarste de bandiet weer.

„Hoe heb je dien kerel ontdekt?” vroeg Charly Brand.

„Heel eenvoudig,” antwoordde Raffles; „deze man heeft, vóór wij thuis kwamen, onze kamers doorzocht en heeft vergeten, zijn laarzen uit te trekken.

Ik bemerkte dicht bij het venster, waardoor hij gekomen was, een afdruk van zijn vuilen laars, en vermoedde, dat er een nachtelijk bezoek van dien kant zou komen. Het is niet moeilijk hier in deze kamer te sluipen, hoewel wij op de vierde verdieping wonen, want langs ons raam loopen de voorgeschreven brandladders. Ik wachtte dus achter mijn kamerdeur, tot deze heer binnen stapte en toen hij jou met een vrijkaartje naar de andere wereld wilde helpen, ontwapende ik hem.”

Charly Brand was intusschen opgestaan en bekeek eveneens den geknevelde.

„Wat zullen wij met hem doen?” vroeg hij.

John Raffles lachte en zei:

„Ik kon hem aan de politie uitleveren. Dan zou hij zijn metgezel aan de galg opvolgen; maar ik kan hem ook na dit lesje laten loopen.”

Hij wendde zich tot Denver Jack, en zei:

„Waaraan geeft gij de voorkeur, mijn vriend?”

De desperado richtte zich op en zei:

„Gij kunt naar goeddunken handelen.”

„Dat bevalt mij,” knikte de Groote Onbekende, „ik zie, dat gij een verstandig man zijt, en niets onmogelijks verlangt. Zonder twijfel zal ik doen, wat mij goeddunkt. En daar ik, voor jou en je soort niet bang ben, zal ik je ketenen weer los maken, en je verzoeken, weer naar buiten te gaan.”

Met het mes dat hij den bandiet afgenomen had, sneed hij de touwen door, en beval op heerschenden toon, naar het venster wijzend:

„En nu, ga!”

Met schuwen blik sloop Denver Jack weg. Nog eens echter wendde hij zich tot Raffles, en riep:

„Dit is de eerste keer in mijn leven, dat er zoo met mij gespeeld wordt. Gij zijt de eerste mensch, die er zich op beroemen kan, Denver Jack te hebben gekneveld.

Een gewoon mensch, zooals de meeste anderen, zijt gij niet en ik wil u eerlijk bekennen, dat ik voor uw vuistslag en uw handigheid respect heb gekregen. De duivel zal mij halen, als gij niet een meester in mijn vak zijt!”

John Raffles bekeek den schelm met een gemoedelijk lachje en stak langzaam een andere sigaret op.

„Welnu, my boy”, antwoordde hij, „gij hebt een beroep, waar ik geen bijzondere sympathie voor gevoel, maar gij schijnt het niet beter te kunnen en denkt, dat er ruw geweld voor noodig is, om den menschen hun eigendom afhandig te maken. Ik zal u een goed lesje mee op uw weg geven.

Niet de revolver maakt den man, maar de man, die achter de revolver staat, geeft den doorslag. En nu, maak dat gij wegkomt.”

„Wij zien elkaar nog eens terug”, bromde Denver Jack, en stapte uit het raam.

Hopelijk in uw voordeel”, lachte hem Raffles na.

Daarna sloot hij het venster en zei tot Brand:

„Het is niet meer de moeite waard te gaan rusten. Over anderhalf uur gaat de eerstvolgende trein naar Pottsville. Mijn werk in Chicago is voorloopig afgeloopen en ik verheug er mij op, met Brown in zakelijke verbinding te treden.” [13]