[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

JOHN RAFFLES MAAKT GOUD.

Twee dagen later kwamen de beide vrienden in Pottsville, de stad der kopermijnen, aan.

Het was een stad, als alle Amerikaansche mijnplaatsen. Slechts weinig huizen, overwegend veel houtloodsen stonden in de straten. Verscheiden duizenden arbeiders leefden hier, en werkten voor het grootste gedeelte in de kopermijnen van den heer Brown. De geheele streek behoorde den koperkoning. Zelfs de herbergen werden voor zijn rekening gedreven, omdat daardoor het grootste gedeelte van het loon, aan de arbeiders uitbetaald, weer in zijn eigen zak terug kwam. Een mijl van Pottsville verwijderd lag zijne villa, een groot, in Spaanschen stijl opgetrokken gebouw.

Niet ver van Pottsville, naar het zuiden toe, woonden eenige kleinere kopermijnbezitters; onder hen was Hunting het meest in aanzien. John Raffles was slechts één dag in Pottsville, toen hij van een pachter voor weinig geld een kleine hoeve kocht, waarna op dit stukje grond, tot groote verwondering van de bewoners van Pottsville, een zeldzame bedrijvigheid werd uitgeoefend.

De Groote Onbekende had metselaars en pottenbakkers aangenomen en liet een smeltoven door hen bouwen. Tegelijkertijd liet hij om het geheele gebouw een hoogen muur optrekken en hulde zoodoende al zijn werkzaamheden in geheimzinnigheid.

Tevergeefs braken de bewoners van Pottsville zich het hoofd, wat de vreemdeling wel van plan was te doen.

Raffles zelf was van den morgen tot den avond aanwezig, en verliet deze plaats zelden. Na een week, toen alles gereed was, zooals hij het wenschte, ging hij naar Brown, die reeds meermalen geprobeerd had zich opnieuw met hem in verbinding te stellen.

Brown was heel nieuwsgierig; hij was van alles volkomen op de hoogte en toen Raffles bij hem binnenkwam, ontving hij hem, zonder zijn nieuwsgierigheid meester te kunnen blijven.

„Eindelijk dan komt gij eens bij mij”, zei hij verheugd.

„En wel als klant”, antwoordde John Raffles, „ik wil zaken met u doen.”

„Ik ben bereid”, antwoordde Brown, „waar handelt het om?”

Hij bood Raffles beleefd een stoel aan en liet door zijn dienaar sigaren en whiskey brengen.

Lord Lister bemerkte dat Brown het bijna niet kon uithouden van nieuwsgierigheid en zenuwachtig op zijn sigaar kauwde.

„Ik was eerst van plan, den heer Hunting op te zoeken, toen ik naar Pottsville kwam”, begon Raffles het gesprek. „Ik had eenige aanbevelingen voor hem van vrienden uit New York. Maar daar het toeval wilde, dat ik u op reis leerde kennen, spreekt het vanzelf dat ik mij het eerst tot u wend.”

De koperkoning maakte een beleefde buiging en Raffles vervolgde:

„Ik wilde u vragen, mijnheer Brown, tot welken prijs gij mij het voor uw mijnen liggende koperafval wilt verkoopen?”

De mijnbezitter trok van verbazing over deze vraag zoo’n dom gezicht, dat Raffles erom moest lachen.

Brown meende niet goed te hebben gehoord en herhaalde daarom de woorden van zijn gast.

„Gij zegt, koperafval?”

„Jawel”, antwoordde Raffles.

Maar nogmaals kwam de vraag:

„Koperafval? Maar om ’s hemels wil, wat wilt gij met dit waardelooze goed doen? Ik heb tot op heden toe nog nooit iemand gevonden, wien het de moeite waard was het voor niets te laten afhalen, om er gaten in de straat of greppels mee te vullen. Neem er zooveel van als gij wilt, maar als gij meent, dat dit afval [14]nog voor een cent koper bevat, dan vergist gij u. Ik dacht het ook eens en liet toen scheikundigen komen. Maar ieder kooltje, dat men voor dat rommeltje verbrandt, is geld dat door den schoorsteen vervliegt.”

„Allright”, zei Raffles, „dan wilt gij mij wel op schrift geven, dat ik zooveel koperafval mag laten weghalen, als ik gebruiken kan?”

Nu de Groote Onbekende met zoo’n kalmte sprak, begon Brown argwaan te krijgen. Hij overlegde eenige minuten.

Zou deze vreemdeling misschien toch een geheim bezitten, dat hem in staat stelde uit dit, tot nu toe voor waardeloos gehouden afval, geld te maken?

Hoe hij zich ook vermoeide, hij kon geen goede oplossing vinden. Het smeltproces werd zoo grondig bij hem uitgevoerd, dat het haast onmogelijk was dat dit afval nog voor een cent waarde had. En nu kwam deze vreemdeling en wilde hem alles afkoopen. Dit moest beslist van eenige beteekenis zijn en hij besloot niet zoo dadelijk op Raffles’ voorstel in te gaan.

De schouders ophalende, zei hij: „Het spijt mij, dat ik mijn woorden van straks herroepen moet, maar ik ben nu overtuigd, dat het afval voor u eenige waarde vertegenwoordigt.”

„Dat loochen ik niet, en daarom ben ik bereid, het, van u, voor een door u te bepalen prijs, te koopen.”

Brown dacht weder eenige minuten na. Hij moest het eens zien te worden met den vreemde, anders ging deze naar zijn concurrent Hunting.

Hij nam daarom een kort besluit, en noemde een prijs, half zoo groot, als dien welken hij voor een ton koper ontving, en verwachtte niet anders, dan dat zijn nieuwe zakenvriend hem zou vragen, of hij gek was.

Inplaats daarvan, haalde de Groote Onbekende met ijzige kalmte zijn portefeuille te voorschijn, nam er een biljet van duizend dollar uit, legde dit voor Brown op de schrijftafel en zei:

„Het is in orde. Neem deze duizend dollar als vooruitbetaling.”

Brown nam de banknoot, maar wist niet of hij waakte of droomde.

De vreemdeling moest bepaald idioot zijn.

Brown zou voor dit waardelooze goedje nog geen tien cent gegeven hebben en nu kwam een vreemde, en betaalde een som, die bijna even groot was, als de waarde van het koper zelf bedroeg. Nu, hij zou wel verder zien.

Hij schreef een quitantie voor de duizend dollars en gaf Raffles ook een bewijs van den gesloten verkoop van koperafval. Nu probeerde hij, te weten te komen, wat Raffles met dit afval wilde doen, maar deze antwoordde daarop slechts met een geheimzinnig stilzwijgen, zoodat Brown wel inzag, dat hij er op deze manier niet zou komen.

Reeds den volgenden dag liet John Raffles, tot groote verbazing van de bewoners van Pottsville en de werklui, verscheiden vrachten van het gekochte naar zijn smeltoven brengen. Tegelijkertijd vroeg hij den heer Brown, of deze hem niet een werkman ter bediening van den smeltoven zou willen afstaan.

De mijnbezitter beantwoordde deze vraag dadelijk toestemmend.

Niets kwam den ouden vos meer van pas. Hij had een werkman, die verscheiden jaren bij hem was, een baas, met name Jim Mertens. Hem riep Brown tot zich, en terwijl hij hem een biljet van honderd dollar in de hand stopte, zei hij: „Mertens, gij weet van het wonderlijke zaakje, dat ik gesloten heb met den vreemden scheikundige, die zich hier in de nabijheid een smeltoven heeft laten bouwen.”

De oude arbeider lachte en antwoordde: „Jawel. Alle kolenhandelaars in Pottsville verheugen zich reeds op de goede zaken, die zij met dezen gek zullen maken.

Hij kan wel tienduizend centner kolen verbranden, voor hij er ook maar één gram ijzer, koper, of welk ander metaal, uithaalt. Deze man moet niet goed bij zijn zinnen zijn.”

„Dat zullen wij niet zeggen,” antwoordde Brown. „Ik heb tijdens een overrompeling van een trein bewijzen van groote koelbloedigheid en verstand van dezen man gehad. Misschien bezit hij werkelijk een geheim, om eenig voordeel uit het afval te trekken. Wij zullen zien. De vreemdeling zoekt een werkman, en verzocht mij, hem iemand aan te bevelen. Toen dacht ik aan jou, Mertens. Er is mij veel aan gelegen, te weten te komen, wat deze vreemdeling met het goed doet. Jij gaat dus bij hem in betrekking en houdt mij van alles op de hoogte. Als belooning krijg jij van mij honderd dollar boven je weekloon, zoolang jij bij den vreemde in dienst zijt. Ik denk, met dit aanbod kunt je tevreden zijn.”

„Wel zeker,” antwoordde de opzichter, „ik heb tien kinderen te verzorgen, en kan altijd geld gebruiken. Ik zal u van alles, wat er gebeurt bericht geven. Maar niettegenstaande alle uitvindingen, geloof ik niet, dat er met dit waardelooze afval iets te winnen valt.”

John Raffles had wel begrepen, dat hij met dezen [15]arbeider een spion in huis kreeg. Hij zette hem allereerst aan het in werking brengen van den smeltoven en liet zich verdere handreikingen geven.

Verscheiden dagen werkte John Raffles reeds met smeltkroezen in den oven, maar de werkman kon Brown slechts berichten, dat de vreemdeling schijnbaar niets bereikte.

Den vierden dag maakte het de opmerkzaamheid van den arbeider gaande, dat Charly Brand uit een blikken trommel iedere vijf minuten een lepel wit zout in den smeltkroes wierp en dat zijn nieuwe chef verscheidene malen uitriep: „Het zal ons gelukken.”

Tevergeefs echter deed hij moeite van het zout iets te bemachtigen om het den heer Brown ie laten zien.

Toen Mertens dien avond den smeltoven verlaten had, zeide de jonge secretaris tot zijn vriend:

„Ik zou nu wel eens willen weten, waarom gij mij dit witte poeder in den kroes laat werpen?”

John Raffles lachte en antwoordde:

„Dat heeft slechts een beteekenis voor den heer Brown, niet voor jou.”

„Wat is het eigenlijk?” vroeg Brand verder; „je doet zoo geheimzinnig, als of het groote waarde heeft.”

„Dat komt uit,” lachte de Groote Onbekende „het is keukenzout”.

Charly Brand was stom van verbazing, zoodat Raffles schaterde van het lachen.

„Keukenzout?” herhaalde hij, „wat doe je met keukenzout in een smeltkroes?”

„Beste jongen,” antwoordde zijn vriend, en klopte hem op den schouder, „dit keukenzout is mijn bluf voor het koperafval tegenover Brown. Ken je niet de wijsheid: Strooi de menschen zand in de oogen, en zij gelooven, dat het goud regent? Dit is het geheim, hoe de millionnairs hun millioenen verdienen. Ik wed duizend dollar, tegen één pond keukenzout, dat dit toevoegsel van zout het lokaas zal zijn, waarmede ik den heer Brown de millioenen uit den zak zal kloppen. En nu zal ik nog dezen nacht eenige kettingen en ringen en horloges van de passagiers van den Pullmann-trein, versmelten en dan krijgt de heer Brown door zijn spion, zijn eigen ketting en horloge tot een stuk goud versmolten uit mijn smeltoven, terug. Hij zal zweren, dat ik uit zijn koperafval, met zout vermengd, goud heb verkregen.”

Het gebeurde zooals Raffles had voorspeld.

Den volgenden avond stormde de werkman in het kantoor van den heer Brown in de grootste opgewondenheid.

„Patroon”, riep hij. „De vreemdeling heeft iets tot stand gebracht, dat ik nooit voor mogelijk heb gehouden, en het toeval was mij gunstig. Toen ik dezen middag aan den smeltoven stond, had mij de vreemdeling juist een smeltkroes ter verkoeling gebracht, toen zijn vriend hem weg riep. Ik nam de gelegenheid waar en haalde uit den smeltkroes een stuk van de verkoelde massa. Hier is het.”

Hij trok een vingerdik stuk metaal, verscheiden centimeter lang, uit zijn kiel en legde het op de schrijftafel van zijn meester. Deze onderzocht het en met een gezicht, waarop tegelijkertijd zich schrik en zenuwachtigheid afspiegelde, riep hij uit:

„Dat is goud!”

„Juist, patroon”, antwoordde de werkman, „dat is goud.”

De koperkoning gaf bevel dadelijk zijn rijtuig in te spannen en reed naar Raffles.

Toen deze het bezoek zag aankomen, deed hij, alsof het ontmoeten van den heer Brown hem niet aangenaam was en deed hij moeite, hem den toegang te ontzeggen.

De mijnbezitter bemerkte het en overlegde wat te doen. Vastberaden begon hij:

„Ik heb uw geheim ontdekt, mijnheer Baxter. Gij zijt alchimist. Gij kunt dat niet loochenen, want ik heb de bewijzen ervan in den zak. Nu kom ik u een voorstel doen: Deel mij uw geheim mede en ik zal u millioenen ter beschikking stellen om verder te werken.”

John Raffles antwoordde lachend: „Ik zie wel; dat ik mij voor u, mijnheer Brown, niet meer verbergen kan. Wat gij zegt is waar. Ik ben goudmaker. Ik maak uit uw koperafval, met bijvoeging van een uitvinding van mij, goud.”

De oogen van Brown fonkelden van begeerigheid.

„Dat is kolossaal”, zei hij, „als ik de bewijzen er van niet gezien had, zou ik het niet gelooven.

Ik doe u dezen voorslag: Ik betaal twee millioen dollar als deelgenoot in uw zaak en geef u zooveel koperafval als noodig is. Willen wij dat notarieel opmaken?”

John Raffles schudde het hoofd.

„Neen; maar ik doe u een anderen voorslag. Overtuig u eerst, mijnheer Brown, of ik werkelijk uit uw koperafval in mijn oven goud verkrijg. Hebt gij dat gedaan, dan ben ik bereid op uw voorstel in te gaan. Kom dus morgen bij mij, dan zullen wij de proef nemen.” [16]

Toen Brown naar huis reed, gevoelde hij zich reeds als de rijkste man der wereld en werkte in zijn hersenen de meest phantastische plannen uit. Vol bewondering beschouwde hij het stuk goud, hem dezen morgen door den werkman gebracht, maar vermoedde niet dat het zijn eigen versmolten horloge en ketting waren.

Reeds den volgenden morgen kwam de millionnair om de proef te nemen. Hij zag dat Raffles het tot gruis gemalen koperafval met het witte zout in den kroes deed en dezen in den smeltoven plaatste. Wel een half uur lang liet de Groote Onbekende dit mengsel aan de hitte van den oven prijsgeven om met tusschenruimten van eenige minuten altijd weer keukenzout in de vloeiende massa te werpen. Na een uur haalde hij den smeltkroes te voorschijn en goot den inhoud in een vorm. Eenige uren verliepen vóór de massa koud was. Toen sloeg Raffles den vorm stuk en een vierkante klomp metaal van ongeveer een pond zwaarte lag voor Brown.

„Goud”, zeide Raffles. „Uw koperafval heeft zich in waarde vierhonderdvoudig vermeerderd.”

Brown staarde met wijdgeopende oogen op het voor hem liggende goud. Hij durfde haast niet adem te halen. Zoo iets had hij nooit durven verwachten.

Bijna verlegen vroeg hij:

„Mag ik dezen goudklomp ter onderzoeking medenemen?”

„Ga uw gang”, antwoordde Lord Lister, „hij heeft voor mij geen waarde.”

Met sidderende handen nam de mijnbezitter het stuk goud en woog het:

„Ik taxeer het wel op anderhalf pond.”

„Wel mogelijk”, zeide Raffles. „Voor gij u echter met dezen goudklomp uit mijn laboratorium verwijdert, moet ik u op het volgende opmerkzaam maken:

Het is nu twee uur in den middag. Wilt gij nu een contract met mij maken, om voor gezamenlijke rekening goud te fabriceeren, dan laat ik u tijd tot zes uur. Op dit uur moet gij mij twee millioen dollars in contant geld uitbetalen, d.w.z. in bankbiljetten van 1000 dollar. Komt gij deze verplichting niet na, dan stel ik mij in verbinding met den heer Hunting en beschouw onze betrekkingen als afgebroken.”

„Neen, neen”, zei de koperkoning haastig en de goudbegeerte schitterde in zijn kleine oogjes. „Ik rijd dadelijk naar de Bank en haal het geld. Ik heb slechts één voorwaarde, nl. dat gij mij het geheim van het goud maken schriftelijk toevertrouwt.”

„Dat wil ik gaarne doen,” was het antwoord; „ik maak echter, de bepaling, dat gij het geheim in een verzegeld couvert bij een Bank deponeert en slechts bij mijn dood dezen brief zult openen en gebruik van het geheim maken.”

„Daarmee ben ik het eens,” verklaarde Brown, pakte den goudklomp in een stuk krantenpapier en nam afscheid.

Niet zoodra was hij weg, of Raffles zei met een ondeugend lachje:

„Zonder er eenig vermoeden van te hebben, draagt hij in dezen goudklomp alle horloges, ringen en kettingen van de passagiers van den Pullmann-trein mede. Hij zag niet, dat ik den kroes met goud reeds gesmolten had in den oven staan en zijn kroes met afval en keukenzout in den gloed hield. Nu gaat hij met het goud naar een zaakkundige, om het te laten onderzoeken.”

Brown was ook werkelijk naar een zaakkundige in Pottsville gegaan en liet het metaal onderzoeken.

Hij deed het voorkomen, alsof deze klomp goud te koop was aangeboden.

De zaakkundige sneed den klomp door, onderzocht hem en zei:

„’t Is zuiver goud.”

„En wat is de waarde?” vroeg Brown.

De vakman ging naar de weegschaal en antwoordde na enkele minuten: „5400 dollar.”

In zenuwachtige haast nam de koperkoning het metaal weer mede en verliet den zaakkundige.

Reeds twee uur later keerde hij terug en wel in gezelschap van een notaris en een beambte van de Bank.

Laatstgenoemde droeg in een met ijzer beslagen koffer het voor Raffles bestemde geld. De notaris maakte de akte op en nadat Raffles en de koperkoning het document onderteekend hadden, betaalde laatstgenoemde de twee millioen en kreeg daarvoor in een verzegeld couvert het geheim hoe goud gemaakt wordt.

Dit couvert nam de aanwezige beambte mede naar de Bank om het te bewaren.

Verder besprak John Raffles met zijn nieuwen compagnon, welke stappen zij het eerst moesten doen, en zei, dat hij naar Chicago moest reizen, om daar nieuwe inkoopen te doen van chemische producten, die voor het maken van goud noodig waren. Hij vertelde daarbij, dat zij eerst over drie weken met de eigenlijke werkzaamheden beginnen konden.

„Ik ga met u mede,” zeide Brown daarop, want de Groote Onbekende was nu van te groote waarde, om zich zoo lang van hem te scheiden.

„Allright,” zei deze, „daar heb ik niets tegen, ga maar mee.” [17]