Geheel Pottsville was dien avond in groote opwinding.
Mertens, de werkman, had niet kunnen zwijgen, en het geheim overal rond verteld. Zoo hoorden het ook de in de nabijheid van Pottsville wonende mijnbezitters. Het ging als een loopend vuurtje rond. Iedereen sprak van den goudmaker, en dat het den heer Brown gelukt was, deelgenoot van het geheim te worden.
Dienzelfden avond verzamelden zich ten huize van den heer Hunting, Brown’s concurrent, de kleine mijnbezitters.
Zij waren allen tegenstanders van Brown en haatten hem om zijn grooten rijkdom.
Zij beschouwden den heer Hunting eenigermate als hun aanvoerder. Zij noodigden hem uit, met hen naar de bezitting van den vreemden goudmaker te rijden, en wanneer hij hen niet als deelgenooten wilde aannemen, hem te dooden.
Ook Hunting was hun meening toegedaan en niet één was er, die zijn verstand gebruikte. Zij bedachten een plan, waarnaar zij zouden handelen.
„Wij zullen ieder den vreemde 1000 dollar bieden; neemt hij het geld niet, dan schieten wij hem met onze revolvers tot murw.”
Dadelijk daarna stegen zij te paard en reden naar den smeltoven. Toevallig was Brown bij Raffles.
Toen hij de mijnbezitters in galop aan zag komen rijden, werd zijn gezicht vaalbleek.
Hij kende de zeden en gebruiken van de Westerlingen en wist ook, dat zij spoedig met hun revolvers bij de hand waren. Meer dan eens hadden zij reeds gezworen, hem te dooden.
John Raffles daarentegen beschouwde koelbloedig de van hun paard springende mijnbezitters en vroeg den heer Hunting, die tot hem trad, wat zij van hem wenschten.
„Wij willen zaken met u doen,” zei deze, „en ik hoop dat wij ons doel zullen bereiken. Wij hebben gehoord, dat gij goud kunt maken en dat de heer Brown uw compagnon is geworden. Wat Brown kan, kunnen wij ook. Wij zijn ieder bereid 1000 dollar in de zaak te geven, als gij ons het geheim mededeelt.”
Vóór Raffles kon antwoorden riep Brown reeds:
„Ik heb het geheim voor twee millioen gekocht en op de Bank gedeponeerd. Ik zou wel gek zijn, als ik u nu voor 1000 dollar per hoofd deelgenoot liet worden”.
„Schiet hem overhoop!” schreeuwde een der mijnbezitters en in ’t volgende oogenblik richtten zich een dozijn revolvers op Brown.
Raffles zag in, dat hij met deze opgewonden, naar goud hunkerende menschen niet rustig overleggen kon.
Hij wendde zich daarom tot Brown en gaf hem te verstaan:
„Windt u maar niet op en laat mij deze aangelegenheid regelen.”
Daarop wendde hij zich tot de mijnbezitters en zei:
„Doet uw wapenen weg, heeren.”
Dadelijk staken de mijnbezitters het wapen in hun gordel en Hunting zei:
„Ik wist wel, dat gij er voor te vinden zoudt zijn.”
Raffles keek lachend naar Hunting.
„Natuurlijk”, zei hij, „ik ben altijd bereid zaken te doen.”
Hij besloot hun eens goed de les te lezen en ging voort:
„Maar eerst moet ik overleg hebben met den heer Brown.”
Zonder antwoord af te wachten, trok hij den koperkoning, die zich het angstzweet van het voorhoofd veegde, mede naar binnen.
„Wat moeten wij doen?” vroeg Brown. „Deze schelmen schieten ons overhoop, als wij hun den zin niet geven”.
„Dat is uw schuld”, lachte Raffles, „door u, of door uw werkman, zijn zij achter onze zaken gekomen. [18]Nu heet het, moed houden, en hoor nu verder, wat ons te doen staat.
„Wij zullen met deze heeren naar een herberg in Pottsville gaan en in de groote zaal daar overleggen.
„Ik zal het hun duidelijk maken, dat mijn kunst om goud te maken zwendel is en slechts daarin bestond, u twee millioen afhandig te maken”.
„Dat zullen zij niet gelooven”, schudde Brown het hoofd.
„Ik moet het probeeren”, antwoordde Raffles schouderophalend. „Gij moet mij verklaren, dat gij u niet schaamt, toe te geven, dat gij voor uw domheid, door te gelooven dat men goud maken kan, de som van twee millioen aan mij hebt uitbetaald, maar dat gij u bereid verklaart mij dit geld te schenken. Begrepen?”
„Ik vind alles goed, wat gij voor goed houdt.”
„Laat ons dan gaan”, zei Raffles en ging naar de wachtende mijnbezitters.
Hij deelde hun het plan mede, naar een herberg in Pottsville te gaan, en allen verklaarden zich bereid, hem daarheen te volgen.
Daar aangekomen beklom Raffles het kleine podium, tikte tegen zijn glas en zei:
„Heeren! ik verklaar u hiermede plechtig, dat ik geen goud kan maken!”
Eén oogenblik heerschte stilzwijgen, toen barstte een storm van verontwaardiging los en allen schreeuwden door elkaar.
„Hij wil er zich uithelpen! Hij wil er ons niet hebben! Ze willen alléén van het goud genieten!”
Raffles zag met gekruiste armen de opgewonden verzameling aan en dacht:
„Wat is het toch merkwaardig, dat de menschen zich zoo gaarne laten bedriegen. In het onmogelijkste loopen ze in, net als de motten in het licht.”
Eindelijk was de vergadering wat rustiger en Hunting riep tot Raffles.
„Spreek verder.”
John Raffles stak, op het podium, eerst rustig een sigaret op en antwoordde:
„Zeer gaarne! Heeren, ik zie, dat gij u volstrekt met mij in dit oplichterszaakje wilt associeeren; allen wilt gij even dom zijn als de heer Brown, dien ik twee millioen afhandig maakte.”
Weer raasde een storm door de vergadering.
„Jawel” riepen zij, „dat willen wij ook. Eruit met het bedriegersgeheim!”
Raffles lachte en wendde zich tot Brown:
„Verklaar dezen menschen toch, dat gij weet dat ik geen goud maken kan, en dat gij er twee millioen dollar armer door geworden zijt.”
„Ja,” schreeuwde Brown, „en ik wil het ook schriftelijk geven.”
Een luid gelach weerklonk. Niemand geloofde den heer Brown. „Dat is bluf,” brulden de meesten.
„Ook goed,” riep John Raffles, „ik zie, heeren, dat gij er niet van af te brengen zijt, door mij in de kunst van goud maken onderricht te worden, en daarom zal ik u het geheele geheim onthullen.”
Hij wierp zijn stukje sigaret weg, tastte met beide handen in de zakken en in het volgende oogenblik had hij in iedere hand een pistool, dat hij op de hoofden van de verzamelden richtte.
„Hier is het geheim: Handen omhoog,” riep Raffles, „Mijnheer Brown zal als deelgenoot in het geheim het goud uit uwe zakken halen. Laat ons het verdrag sluiten.”
Eerst waren al de aanwezigen verstijfd van schrik. Zij wisten niet of Raffles het werkelijk meende. Toen riep Hunting:
„Jongens, een prachtige grap! Handen omhoog voor den goudmaker. Brown zal onzen inleg in de zaak incasseeren.”
Allen hielden de handen in de hoogte en Brown verzamelde, in een grooten, breedgeranden vilthoed, het geld dat de mijnbezitters hadden meegebracht.
Nadat dit afgeloopen was, bracht hij het zijn compagnon, die het met een ironische beweging aannam:
„Heeren, hiermede is onze overeenkomst gesloten. Van af morgen zult gij allen de kunst om goud te maken, zelf uitoefenen.”
De goudkoorts had allen aangegrepen, de verderf brengende goudkoorts, die hen naar het wilde westen had gelokt en die met revolvers den metgezel doet dooden, om zich diens geld toe te eigenen.
Toen Raffles de zaal verliet, onder den linker arm den zak met geld, trad Hunting op hem toe, en zei:
„Wij zullen morgen in de vroegte bij uw smeltoven samenkomen; nu vindt gij zeker wel goed, dat wij dezen nacht een wacht voor uw huis plaatsen opdat u niets overkomt?”
„Gij maakt u wel bezorgd om mij,” lachte Raffles, en Hunting, vergezeld van twee zijner deelgenooten, begeleidden den Grooten Onbekende naar huis.
Toen zij bij het woonhuis, dat naast den smeltoven lag, aankwamen, zeide Lord Lister tot Charly Brand: [19]
„Breng whisky voor mij en de heeren. Zij willen mij dezen nacht gezelschap houden.”
Hunting en zijne vrienden namen aan de kleine tafel plaats, maar bemerkten niet, dat Raffles uit een klein fleschje dat hij bij zich droeg, droppeltjes in de glazen deed, die hij voor zijn gasten uit de keuken had gehaald. Daarna schonk hij de glazen vol whisky en reikte ze den heer Hunting en diens vrienden.
„Op onze goede zaken”, riep Raffles en haastig dronken de mannen de whisky uit.
Toen begonnen zij te rooken en over de kunst van goudmaken te spreken. Tevergeefs kampten zij tegen een zware vermoeidheid. Hun armen vielen slap naar beneden, hun oogen vielen toe, en de goudmaker verdween voor hun blikken in een donkeren nevel.
Daarna zakten zij in een zware verdooving ter aarde.
Raffles keek lachend naar hen en zeide tot Brand:
„De menschen zijn nog niets verstandiger dan voor duizend jaar. Wanneer men hun goudbergen belooft, gelooven zij er aan. Leer dit van mij Charly, en nu zullen wij op marsch gaan. Wij hebben dezen nacht nog vier uur gaans tot het eerste spoorwegstation. Morgen vroeg om drie uur kunnen wij naar Chicago afreizen. Voor het dag wordt moeten wij weg zijn. Dit is de ongeloofelijkste zaak van alle, die ik tot nu toe heb meegemaakt.”