[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN MEESTERSTUK.

Den volgenden dag had de politie in Chicago de handen vol.

In Pottsville had men, vroeg in den morgen, het verdwijnen van John Raffles en Charly Brand ontdekt, en in den kouden smeltoven een naamkaartje gevonden, waarop geschreven stond:

„Mijn groet aan de heeren van Pottsville. Maakt goud met keukenzout en bluft, zooals

JOHN RAFFLES, de goudmaker.”

„Lyncht hem”, schreeuwden de bedrogenen.

„Naar het eerste telegraafbureau.”

Het ergste raasde Brown. Hij was eenige millioenen armer geworden en kreeg van alles de schuld. Ook verlangde men de teruggave der door ieder gestorte 1000 dollar. En bang voor de dreigende vuisten en woedende gezichten, bleef hem niets anders over, dan de oproerigen te bevredigen. Daarop reisde hij met den eerstvolgenden trein naar Chicago en spoedde zich naar het politiebureau, om met behulp van detectives te probeeren den goudmaker het geroofde afhandig te maken.

De Groote Onbekende echter had zich opnieuw zijn uiterlijk veranderd, en had als de koopman Smith uit New-York in het Central Hotel kamers gehuurd. Reeds den eersten dag ging hij naar Mayer en betaalde hem de gevraagde millioen dollars voor de vrachtwagens. Het was slechts twee dagen voor den termijn, waarop Geis en zijn vrienden hun graan naar New-York gezonden wilden hebben.

Den volgenden dag kwam mijnheer Geis op het bureau van de Pacific Spoorweg Mayer opzoeken, om met hem over het vervoer van graan te onderhandelen.

Met een merkwaardig lachje ontving hem de chef en antwoordde:

„Het doet mij leed, dat ik aan uw wensch, om vrachtwagens te leveren, niet kan voldoen.”

„Gij zijt niet goed bij het hoofd,” schreeuwde de graankoning, „of hebt gij te veel whisky gedronken? Ik wil graan naar New-York zenden en heb wagens noodig.”

Het ironische lachje verdween niet van het gelaat van Mayer toen hij antwoordde:

„Ik meen noch gek, noch dronken te zijn en herhaal, dat de Pacific Spoortrein u voor deze maand, [20]en waarschijnlijk nog langer, geen vrachtwagens verhuren kan. Gij hadt er eerder voor moeten zorgen. Alle wagens zijn nu besproken.”

Geis meende nog altijd, dat Mayer zich een scherts veroorloofde; toen hij echter nog eens de bevestiging kreeg, schreeuwde hij:

„Wat drommel, moet ik mijn graan soms 2000 mijlen door de lucht laten vliegen?”

Mayer haalde de schouders op.

„En waarom niet? Gij kunt een luchtschip nemen. Met den trein gaat het niet, mits gij u tot den pachter der vrachtwagens wendt, zekeren Smith. Hij woont in het Central Hotel en laat misschien met zich onderhandelen.”

Plotseling was het den graankoning, of alles met hem ronddraaide. Hij begreep nu den geheelen toestand.

„Dit is een gemeene streek,” raasde hij er op los. „De duivel hale u en Rockefeller en de geheele Pacific-spoorweg erbij.”

Een vloed van leelijke schimpwoorden volgde en Mayer moest hem bijna met geweld van het kantoor verwijderen. Als een woedende stier kwam Geis in het Central Hotel aan en riep dadelijk zijn deelgenooten bij zich. Verschrikt zagen zij zijn van woede vertrokken gezicht, dat zij zich echter verklaren konden, toen hij riep:

„Wij zijn beetgenomen, men heeft ons een strik om den hals gelegd.

De duivel hale Rockefeller. Wij hebben ons graan voor niets verbrand, en het graan dat wij over hielden, kunnen wij hier in Chicago laten verrotten, want Rockefeller kan het met zijn trein niet vervoeren!

„Drommels. Die hond moest opgehangen worden.”

„Ik begrijp het niet,” antwoordde Lobeck.

„Maar ik wel,” raasde Geis verder, „al de vrachtwagens van den Pacific spoorweg heeft Mayer, de hoofddirecteur van Rockefeller, aan zekeren Smith verpacht. Het is een gemeene, een vervloekte, duivelsche streek!”

Zijne deelgenooten keken Geis strak aan en verbleekten, terwijl Geis een gevulde champagneflesch nam en die in zijn woede in een spiegel slingerde. Daarop rende hij de kamer uit, terwijl hij zijn metgezellen toe riep:

„Volgt mij.”

Zij spoedden zich naar de kamers van Smith en traden dezen als woedende stieren tegemoet.

Nog voor de Groote Onbekende iets kon zeggen, brulde Geis:

„Gij aartsschelm, gij gemeene hond, gij wilt ons een strik spannen. De duivel zal u halen.”

Koelbloedig lachend keek Lord Lister naar den razende en rookte gemoedelijk zijn sigaret erbij. Hij wist, dat hij de schelmen in den zak had.

Nadat Geis uitgeraasd was, zei John Raffles op kalmen toon:

„Wat wenscht gij van mij?”

Met bloeddoorloopen oogen zag de graankoning hem aan en schreeuwde:

„Wagens om ons graan naar New-York te vervoeren, wil ik.”

„Het spijt mij dat ik u niet van dienst kan zijn.”

„En waarom niet?” vroeg Geis.

„Dat is mijn zaak,” antwoordde Raffles.

„Wilt gij ons voor den mal houden? Wij hebben vrachtwagens noodig voor ons graan,” raasde de graankoning door, „zeg ons, hoeveel gij voor de wagens hebben moet?”

Raffles bestudeerde eenige seconden den rook van zijn sigaret, nipte de asch in den haard en antwoordde: „Gij zult mij den prijs voor de wagens niet kunnen betalen.”

„Vervloekte hond, dat dacht ik wel. Wat belet mij dat ik je wurg!”

Hij maakte aanstalten, zich op den Grooten Onbekende te werpen, vloog echter verschrikt terug, toen hem de loop van een Browningpistool werd voorgehouden.

Nu trad Lobeck Geis in den weg en schoof hem op zij. Hij wilde het met goede woorden probeeren.

Koud lachend hoorde Raffles zijn wenschen aan en antwoordde:

„Gij hebt vier weken geleden met uw eigendom, uw graan, gedaan waartoe gij, als bezitter, het recht hadt.

„Nu doe ik met mijn vrachtwagens wat ik wil. Gij hebt voor vier weken in de haven van Chicago een kostbaar vuurwerk afgestoken en hooptet daardoor prachtige zaken te doen. Gij hebt echter buiten den waard gerekend. Ik heb het niet kunnen verhinderen en zorgen, dat de wereld eens goedkoop brood te eten kreeg, maar ik kan wel verhinderen, dat gij profijt van uw schelmenstreek trekt.”

„Wij zitten in de val,” schreeuwde Geis, „met zoo iemand moet men met de revolver praten.”

„Wat mij heel aangenaam zou zijn,” lachte de [21]Groote Onbekende. „Gij ziet, ik heb reeds een ter hand genomen.”

„Wilt gij vervoeren of niet?” riep Lobeck, „ik ben bereid u een hoogeren vrachtprijs uit te betalen dan aan den Pacifictrein. Maar ons graan moet weg.”

„Ik zei het u reeds,” antwoordde Raffles altijd op rustigen toon, „dat hangt geheel van mij af en slechts op zekere voorwaarde ben ik bereid, uw graan naar New-York te vervoeren.”

„Welke voorwaarde?” schreeuwde Geis.

„Gij betaalt mij een millioen honderd vijftig duizend dollar en verplicht u daarbij, het graan te verkoopen tot den prijs, die er voor vier weken voor betaald werd. Ik maak er u opmerkzaam op, dat ik slechts voor dezen prijs graan uit mijn vrachtwagens aan New-Yorker handelaars afgeven zal.”

Met een heeschen kreet wilde zich Geis op Raffles storten, maar werd door zijn metgezellen daarin verhinderd.

„Wij zullen de zaak overleggen en u binnen twee uur antwoord zenden.”

„Overlegt niet te lang,” antwoordde Raffles, „want het zou kunnen, dat ik mijn voorwaarde ook nog eens overdacht en uw graan heelemaal niet meer wilde vervoeren.”

Vloekend verlieten de heeren de kamer, en begaven zich naar de conversatiezaal, om daar te overleggen.

Daar wachtte hen Brown, die uit Pottsville was gekomen, om den voortvluchtigen goudmaker te vervolgen.

„Ik heb millioenen verloren,” schreeuwde hij Geis toe. „Die hond van een Raffles heeft ze mij onder het masker van een alchimist afgenomen.”

„Drommels,” antwoordde Geis, „als men door zoo’n domheid zijn geld verliest, heeft men wat iemand toekomt. Maar ik en mijn vrienden, wij zijn in ons bedrijf door een uitgeslapen speculant voor millioenen benadeeld en de duivel mag weten, wie die schurk is.”

„Wij moeten eens rustig overleggen,” zei Lobeck, „wat uit deze speculatie nog te redden valt.”

„In het geheel niets,” antwoordde Brauer, „en ik stel voor, dat wij, voor wij dezen mensch het geld voor de vrachtwagens betalen en hij zich over ons amuseert, ons graan nog heden in Chicago verkoopen.”

Dit plan vond algemeenen bijval. Zij snelden naar de Beurs en verkochten daar hun graan voor den gewonen prijs. Vijftien millioen dollar kostte hun dit zaakje.


Toen Raffles in den namiddag hoorde, dat de graankoningen hun graan verkocht hadden, zeide hij tot Charly Brand:

„Het graan is goedkoop gebleven, mijn kunst als alchimist heeft dit tot stand gebracht. Nu zullen wij naar Engeland terugkeeren. Je ziet, dat mijn reis naar Amerika van algemeen nut is geweest.”

Toen hij met Charly Brand in den Pullmann-trein naar New-York stapte, schreeuwden de courantenverkoopers:

„Raffles als goudmaker in Pottsville!” „De bedrogen Koperkoning!” „Nieuwste berichten: de bedrogen graankoningen!”

Raffles kocht een courant en las daarin, alsof hij zich van de daden van een wildvreemde op de hoogte wilde stellen. Daarna gaf hij het blad aan Charly Brand en zei:

„Leg deze krant bij mijn verzameling.”

Terzelfdertijd ontvang Geis een brief, dien Raffles hem, kort voor zijn afreis, naar het hotel gezonden had. Deze luidde:

„Mijnheer Geis!

Het verheugt mij te hebben gehoord, dat gij uw graan tot den gewonen prijs verkocht hebt. En opdat gij zult weten, wie u tot deze fatsoenlijke daad bracht, moet ge deze onderteekening u goed in het geheugen prenten. Verbrandt in de toekomst geen graan meer, alvorens eerst te raadplegen met

JOHN C. RAFFLES.”

[22]