[Inhoud]

Een Duivels-dozijn.

UIT DE HERINNERINGEN VAN EEN DETECTIVE.

Tijdens een zomer, die zich door groote slapte in zaken kenmerkte, en waarin de fabrikanten door het geheele rijk zich beklaagden, zoo bedroefd weinig afzet te hebben, was op een mooien dag de eigenaar van een in de nabijheid van Harwick gelegen wolfabriek niet weinig verrast, toen de post hem een bestelling voor een bedrag van circa achtduizend pond sterling bracht. Deze firma was om de duurzaamheid van haar fabrikaat algemeen bekend, en nog kort geleden had zij circulaires rondgezonden, waarin zij berichtte, dat zij ten gevolge van slapte in zaken en grooten voorraad haar fabrikaat tegen verminderden prijs uitverkoopen wilde. Zoo slecht waren echter de zaken, dat ook deze verlokkende aanbieding geen noemenswaardig gevolg had, want overproductie had allen kooplust weggenomen. Ook het jaargetijde was niet zonder invloed; het is bekend, dat de zomer geen geschikte tijd is voor wollen goederen.

Toen nu de firma bij het openen van de eerste post deze lang niet onbeduidende opdracht, die een groot gat in haar voorraad moest maken, ontving, meesmuilden de eigenaars en dachten zich gelukkig te mogen rekenen.

Deze bestellingsbrief was in volmaakt zaakkundigen stijl geschreven en kwam van

PETER GREGSON & Co.
Commissie en Exportzaak,

Moseley Street,
Manchester.

Daar de heeren Peter Gregson & Co. tot nog toe niet in zakelijke verbinding met de firma hadden gestaan, gaven zij als referent op de Union Bank te Manchester en de heeren Wistanley & Co., agentuurzaak in de Fountainstreet te Manchester. Deze bepaling was nog gemaakt, dat de waren binnen acht dagen geleverd moesten zijn, daar zij voor export bestemd waren.

Als fatsoenlijke kooplieden sloegen de eigenaars der firma allereerst het handelsadresboek van Manchester op, waarin zij dan ook de firma’s Peter Gregson & Co. en Wistanley & Co. vonden.

Dit zag er reeds eenigszins betrouwbaar uit; om echter veilig te zijn, gaven zij hun vertegenwoordiger opdracht, bij de bank in Manchester, die als informatie was opgegeven, inlichtingen in te winnen. En daar de uitspraak der bank in ieder opzicht bevredigend was, toog men onverwijld aan de uitvoering van de opdracht en binnen het gestelde tijdsverloop werden de goederen verzonden en Peter Gregson & Co. daarvan verwittigd. Met de volgende post werd genoemden heeren een wissel ter accept op korten termijn toegezonden. Omgaand kwamen ook de papieren, geaccepteerd, terug, en de Harwicker fabriek was er van overtuigd, goede zaken gemaakt te hebben, waarmede zij, de bij voortduring slechte tijden in aanmerking genomen, niet weinig verheugd waren.

Toen echter de wissel vervallen en den heeren Peter Gregson & Co. ter betaling voorgelegd werd, hielden deze heeren vol, van de geheele zaak niets af te weten, en verklaarden de onderteekening voor vervalscht. Heel beslist loochenden zij het, de waren besteld en ontvangen te hebben.

Dit bericht trof de Harwicker firma als een donderslag, [23]en wanneer Gregson en Co. de waarheid sprak, dan liet het geen twijfel, of zij waren het slachtoffer van een even drieste als behendig aangelegde afzetterij geworden, waarbij de bedriegers twee maanden voorsprong hadden, die zij wel voor de vlucht zouden benut hebben. Het bedrogen huis verloor geen tijd, om alle middelen aan te grijpen en verzocht telegraphisch om mijn bezoek.

Bij mijn aankomst vertelde men mij, wat ik hier reeds mededeelde; men toonde mij de briefwisseling, overhandigde mij den vervalschten wissel en smeekte mij noch kosten, noch moeite te sparen, om de misdadigers aan de straffende gerechtigheid uit te leveren.

Reeds dadelijk was ik overtuigd met doortrapte bedriegers te doen te hebben. Het was geheel buiten gesloten, dat zulk bedrog door een enkele persoon was gepleegd; daar er dus meerdere handlangers moesten zijn, zoo was ik tamelijk zeker dat ik de misdadigers in handen zou krijgen, al dacht ik ook niet de gestolen goederen ooit weer terug te krijgen. Want zulke uitgeslapen dieven zouden wel geen oogenblik langer dan hoog noodig was, zulk een grooten voorraad waardevolle goederen in hun bezit houden.

Mijn inlichtingen bevestigden den goeden roep, waarin Peter Gregson & Co. stond. Het was weliswaar slechts een kleine firma, maar zij stond bekend als hoogst solide en respectabel, wat zij ook werkelijk was. Ik kwam ook te weten, dat zij wel voor 20,000 pond en voor nog meer zelfs goed was,

Eenige dagen, nadat de wissel van de Harwicker firma vervallen was, werden Peter Gregson & Co. nog andere wissels gepresenteerd, maar eveneens afgewezen, omdat zij vervalscht waren. Er viel nu niet meer aan te twijfelen, dat men te doen had met een systeem van reusachtige zwendelarijen en dat goederen, waarvan men de waarde wel op dertigduizend pond schatte, uit alle deelen van Engeland, op den naam van Gregson & Co. opgelicht waren.

Natuurlijk baarde deze geschiedenis in handelskringen groot opzien en men meende algemeen, dat het niet moeilijk zijn kon, de goederen terug te vinden, en de misdadigers te ontdekken. Toen echter de proef op de som werd genomen, kwam aan het licht dat de publieke opinie ditmaal onrecht had. De bedriegers hadden hun netten goed uitgeworpen en het zoo aangelegd, dat alle goederen ter zelfder tijd, geleverd waren; daar nu echter eenige wissels na twee, andere weer na drie maanden betaalbaar waren, hadden de dieven volop tijd, het gestolene aan den man te brengen. Het viel niet te loochenen, dat de geheele zaak er zeer geheimzinnig uitzag: ik wilde echter dit geheim oplossen en de zaak terug brengen, tot wat zij was—namelijk een doortrapte afzetterij.

Ik vroeg mij af, waarom de bedriegers juist het oog op Peter Gregson & Co. hadden laten vallen. En ik gaf mij zelf tot antwoord: Eerstens omdat het een kleine firma is en de zaken die zij afsluit, niet zoo algemeen bekend worden als die van een groot huis met vele verbindingen. Daarom konden ook goederen voor Gregson & Co. besteld worden, zonder dat dit in de handelswereld bekend werd. Wanneer men echter van deze bestellingen niet sprak, bleef de firma zelf daarvan in onwetendheid, tot haar de wissel voorgelegd werd.

Verder hadden de afzetters juist deze firma gekozen, omdat zij, of iemand die met hen in relatie stond, precies op de hoogte waren van de omstandigheden van Peter Gregson & Co.

Nadat ik dit met mijzelf eens was, zocht ik de eigenaars der firma op. De zaak bestond eerst sedert drie jaar, en de oudste chef was Peter Gregson, een oude heer van bijna zeventig jaar. Twee zoons en drie neefs van hem waren de andere bezitters. Zij hielden zich hoofdzakelijk met export bezig en hun geheele personeel telde niet meer dan vijftien koppen. Zij hadden relaties met de Union Bank, maar daar men zich in zaken dikwijls bij een bankzaak inlichtingen verschaft, zoo viel het de Union Bank niet bijzonder op, dat er zoo dikwijls naar Gregson & Co. geïnformeerd werd

Hoe stond het echter met de andere, als referent opgegeven firma Wistanley & Co., agentuurzaak? Wat waren dat voor menschen? Zij moesten in Fountainstreet wonen en daarheen begaf ik mij dus. Zooals ik reeds vermoed had, bestond de firma Wistanley & Co. heelemaal niet. Meer dan een jaar geleden had een heer, John Wistanley genaamd, in een gebouw in de Fountainstreet, de kelderverdieping gehuurd.

Deze bestond uit twee groote kelders waarvoor een jaarlijksche huur van 80 pond werd betaald. Mijnheer Wistanley vertelde, dat hij zich zelfstandig wilde vestigen als agent nadat hij verscheidene jaren in een agentuurzaak was werkzaam geweest. Nauwelijks was het huurcontract onderteekend, of hij liet ook reeds een zeer opvallend uithangbord aanbrengen, waarop geschreven stond: Wistanley & Co., agentuurzaak. Ook in het adresboek werd de naam der firma opgenomen, [24]maar geen der buren scheen te weten, welke zaken de firma Wistanley & Co. deed. De firma werd waargenomen door drie kranige jongelieden.

Ik deed nu moeite om eenige klanten of correspondenten van deze firma uit te vinden, wat mij echter niet gelukte.

Tot de heeren Wistanley zelf kon ik mij helaas, niet wenden, daar zij evenals de drie kranige jonge menschen verdwenen waren. Daar de huur tot het einde van het jaar betaald was, zoo had, volgens Engelsche wetten, niemand het recht, binnen te gaan of het uithangbord te verwijderen. Deze omstandigheid versterkte mij in het idee dat er verscheiden handlangers op zeer zaakkundige manier gewerkt hadden. Waarom echter hadden de Wistanley’s zich van den naam Gregson & Co. bediend? En hoe wisten zij dat deze met de Union Bank in relaties stond? Eén antwoord kon men slechts op deze vragen geven, namelijk die, dat iemand, die de intieme, omstandigheden van Gregson & Co. wist, deze aan Wistanley & Co. had medegedeeld.

Nu de goederen! Het was niet moeilijk ze tot in Wistanley’s kelders te volgen. Deze ondernemende firma had zich paard en wagen aangeschaft en als koetsier zekeren Alfred Gamble genomen, iemand die in zijn jeugd bijna niets geleerd had en slechts met moeite zijn naam kon krabbelen. Hij had bijna niets te doen, dan balen en kisten van de verschillende stations af te halen. Hij was al vijf-en-zestig jaar en daarbij zeer dom, reden, waarom zijn chefs hem tot koetsier hadden genomen, want van hem hadden zij niet de vraag te duchten, waarom goederen aan Gregson & Co. geadresseerd, door Wistanley & Co. afgehaald werden.

Toen ik dezen Gamble ontdekte, bemerkte ik uit zijn spreken, dat hij het zeer goed bij zijn chefs had gehad.

Hij had er een salaris van 2 pond per week, maar meestal werden hem nog eenige shillings meer uitbetaald.

Deze vrijgevigheid maakte natuurlijk de bewondering van den heer Alfred Gamble gaande, zoodat wanneer men hem naar zijn chefs gevraagd had, hij met veel lof over hen zou gesproken hebben. In mijn onderhoud met hem bemerkte ik spoedig, dat hij met leedwezen op deze gelukkige tijden terug zag en toen ik in den loop van het gesprek iets zeide, dat naar de meening van den heer Gamble een slecht licht op zijn vroegeren principaal wierp, werd hij boos en riep:

„Zoo iets moogt gij niet zeggen; het was een brave man en menigen shilling heeft hij mij geschonken.

Het getal der „shillings”, die hij van den heer Wistanley gekregen had, had zulk een diepen indruk bij hem achtergelaten, dat het mij spoedig duidelijk werd, dat dit het eenige was, wat hem in het geheugen was gebleven. Slechts dit kon ik nog uit hem krijgen, dat de goederen, van de stations afgehaald naar den kelder in de Fountainstreet gebracht werden. Verder reikte zijn kennis niet.

Nu kwam de vraag: Wat was er met die goederen gebeurd? Dit was niet gemakkelijk uit te vinden, maar het gelukte mij toch en zoo ontdekte ik, dat door Wistanley & Co. van verschillende spoorstations een groot aantal kleine pakken weggezonden werden en dat deze colli’s dan op enkele uitzonderingen na, werden verzonden aan

Den Heer Eugène Blouet,
Parijs, Noorderstation. Restante.

Nu werd het zaakje ingewikkeld en ik vreesde, dat Parijs het monster zijn zou, dat onze hoop op goeden uitslag zou verslinden, zooals het de gestolen goederen verslonden had. En wie was deze mijnheer Blouet? In hem zag ik slechts een hersenschim, d.w.z. het was een verzonnen naam en als deze Blouet niet Wistanley zelf was, dan was hij toch zeker een handlanger van hem, die zich stellig de grootst mogelijke moeite had gegeven, ieder spoor, dat tot zijne ontdekking kon leiden, uit te wisschen.

Toen mijn onderzoekingen zoover waren, wilde ik natuurlijk ook iets naders weten van den ondernemenden heer Wistanley, voor hij Wistanley & Co. werd; ook zou ik gaarne iets te weten gekomen zijn van die drie dappere jongelui.

Het eerste wat ik bewerkte was van de politie verlof te krijgen tot het binnengaan in de door Wistanley & Co. gehuurde localiteiten. De firma was zoo voorzichtig geweest, eenige meubelen achter te laten, die naar mijn schatting niet meer dan twintig pond konden opbrengen. Verder vond ik er nog oud, waardeloos pakmateriaal, een waterkaraf met eenige glazen, een koperen ketel, een heelen stapel briefpapier en rekeningformulieren met den naam der firma. Alle schrijflessenaars waren leeg. Geen brief of kaartje werd gevonden, die tot een spoor van ontdekking had kunnen leiden.

Hoewel deze huiszoeking zonder resultaten was, toch was ik nog niet ontmoedigd. Ik wist dat ik met een goed georganiseerde bende van doortrapte misdadigers te doen had; mijn ervaringen als criminalist hadden mij echter geleerd, dat zelfs de knapste en [25]voorzichtigste bedriegers zichzelf door een of andere domheid of kleine nalatigheid verraden. Ik twijfelde er daarom niet aan, of ik zou toch nog een spoor ontdekken dat ik volgen kon. Iets was tenminste al bereikt, nl. dat ik wist, dat de goederen naar Parijs waren gezonden, en ik verheugde mij er reeds op twee à drie weken in deze heerlijke stad te kunnen doorbrengen. Intusschen liet ik in alle dagbladen van Manchester de advertentie plaatsen, dat een ieder, die bij Wistanley & Co., Agentuurzaak, voorheen Fountainstreet, als jonge man, of in welk opzicht ook, werkzaam was geweest, beleefd werd verzocht, zijn adres den heeren Gregson & Co. mee te deelen. Voor een zekere mededeeling die de persoon in quaestie wel in staat zou zijn te verstrekken, zou hem vijftig pond uitbetaald worden.

Hoewel deze annonce een volle week dagelijks geplaatst werd, kwam er niemand opdagen. Dit had ik ook wel verwacht, want ik begreep dat die drie kranige jongelieden in betrekking tot den heer Wistanley stonden, omdat anders zoo’n ver vertakt systeem van bedrog niet uitvoerbaar ware geweest.

Nu richtte ik mijn volle opmerkzaamheid op het personeel van de heren Gregson & Co., want ik kon de gedachte maar niet van mij afzetten, dat de verrader in de zaak zelf school.

De oudste chef en zijn twee zoons verleenden mij allen mogelijken bijstand, maar zij konden niet gelooven, dat iemand, bij hen werkzaam, zich met Wistanley & Co. zou ingelaten hebben; hun geheele personeel van den loopjongen tot den procuratiehouder, genoot het grootste vertrouwen.

Ik stelde vast, dat de correspondent, door wiens handen alle brieven gingen, negen en twintig jaar oud was. Hij was geboren Franschman, woonde echter reeds lang in Engeland. Hij heette Adolph Sigris en bezat een verbazende talenkennis; behalve zijn moedertaal schreef en sprak hij Engelsch, Duitsch, Italiaansch en Spaansch, daarom reeds was hij, behalve zijn zakelijke degelijkheid, bij de chefs der firma zeer gezien.

Op mijn vraag, of ik dezen heer eens spreken kon, kreeg ik ten antwoord, dat hij kort te voren was getrouwd, en op zijn huwelijksreis was. Hij zou met zijn jonge vrouw naar Parijs gaan, om daar familie te bezoeken, in zijn laatsten brief deelde hij de firma mede, dat hij ook nog een reis door Zwitserland wilde maken.

Deze bijzonderheden wekten een meer dan voorbijgaande belangstelling voor den heer Sigris bij mij op. Ik hield het voor mijn plicht nog meer van dezen heer te weten te komen maar vermeed zorgvuldig tegen de heeren Gregson ook maar iets te zeggen, wat hen aan de rechtschapenheid van hun degelijken correspondent had kunnen doen twijfelen. Ik wilde eerst zeker van mijn zaak zijn en de verdenking, die ik tegen den heer Sigris kon uitbrengen, was slechts daarop gerond, dat deze heer een Franschman was en dat de goederen naar den heer Blouet in Parijs waren gezonden. Ik vroeg mij af, of misschien, Blouet en Sigris dezelfde persoon konden zijn?

Ik kwam tot de ontdekking, dat de heer Sigris vóór zijn huwelijk in een voorstad van Manchester, Cheetham Hill, gewoond had en daar hij eerst enkele weken getrouwd was, kon ik mij het genoegen niet ontzeggen een bezoek in zijn vorige woonplaats af te leggen.

Het was een zeer fatsoenlijk huis, en zijn hospita kon zich in een rijken kinderzegen verheugen; de huisheer was werkzaam in een groot handelshuis.

Van de huisjuffrouw hoorde ik, dat Sigris ongeveer een half jaar bij hen gewoond had, dat zij slechts weinig van hem wisten, daar hij zeer terughoudend was geweest, maar dat zij hem voor een fatsoenlijk braaf man hielden. Toen ik verder vroeg, waarop zich hunne meening grondde, kreeg ik ten antwoord, dat hij altijd stipt zijn huur had betaald. Dit standpunt kan nu bij mij niet zoo zwaar wegen als bij de huisjuffrouw. Verder werd ik gewaar, dat Sigris tot zijn terugkomst zijn woning aangehouden had en op mijn vraag kreeg ik ten antwoord, dat er nog eenige kisten van hem stonden.

Het viel mij lang niet gemakkelijk, de waardige juffrouw over te halen, mij de kamer te laten doorzoeken, maar ten slotte gelukte het mij toch. Het waren gemoedelijke, prettig ingerichte kamers, die Sigris bewoond had. Slaap- en woonkamer waren door een deur verbonden. De kisten, waarvan de juffrouw gesproken had, bestonden uit een grooten koffer, een kleine ijzeren en een nog kleinere houten kist.

Ik kan niet verhelen, dat ik brandde van verlangen, om den inhoud van de ijzeren cassette te doorsnuffelen, maar ik moest mijn ongeduld beteugelen.

Verder was er niets bijzonders in de kamer te zien. Er stond nog een kast in, maar die was leeg. Sigris had, vóór hij op reis ging, alles in den koffer gepakt. In de kleerkast ontdekte ik een gekleede jas, twee of drie pantalons en enkele kleinigheden. De hospita [26]deelde mij mede, dat zij deze kleederen voor den heer Sigris ten bate van het dienstmeisje mocht verkoopen.

Reeds had ik de deur gesloten en stond op het punt mij te verwijderen, toen een plotselinge ingeving mij noodzaakte, nogmaals de kleerkast te openen en mijn hand in de zakken van de oude kleedingstukken te steken. De gekleede jas was veel gedragen en de glans op de mouwen bewees, dat dit kleedingstuk ook in de zaak gedragen was. Ik voelde in den binnenzak, die gescheurd was. Ik stak mijn hand door een gat, zonder de minste hoop op een vondst, des te meer verrast was ik dus, toen ik onder in de voering een blaadje papier voelde. Het was een saamgevouwen brief, die er vuil en smerig uitzag, en al lang in den zak had gezeten. Ik vouwde hem open en mijn hart sloeg sneller, toen ik in fraai koopmansschrift het volgende las:

Goederen worden vandaag verzonden. Bericht Blouet.

Ik kon bij deze ontdekking nauwelijks een kreet van vreugde onderdrukken, want ik wist, dat ik eindelijk op het goede spoor was. Geen naam, geen adres, geen onderschrift, geen datum, niets stond er op het blad papier.

Maar juist, omdat dit alles ontbrak zag de zaak er zoo verdacht uit. Sigris mocht dan al of niet Blouet zijn, in den zak van zijn jas had ik toch de aanwijzing gekregen, dat zekere goederen ergens heen gezonden waren en Blouet daarvan op de hoogte moest worden gebracht. Nu was de heer Sigris een Franschman. Hij was juist gehuwd en met zijn jonge vrouw naar Parijs gegaan. Dit geval sloot echter niet uit, dat de bruidegom naar Frankrijks hoofdstad was gereisd, om den heer Blouet te bezoeken, als deze heer tenminste bestond, en zoo niet, om de goederen zelf in ontvangst te nemen, en zich daarbij voor den heer Blouet uit te geven.

In ieder geval wilde ik meer van dezen interessanten heer te weten komen; daarom wendde ik mij tot de politie om verlof te krijgen, de kisten te openen en ze te mogen doorzoeken. Hiervoor waren echter enkele formaliteiten noodig en daar er juist een Zondag tusschen kwam, verstreken drie dagen vóór ik de toezegging kreeg. Toen ik mij weer in de Cheetham Hill vervoegde, werd mij door de hospita verteld, dat er, daags na mijn bezoek, een telegram van den heer Blouet uit Parijs was gekomen met verzoek, zijn koffers dadelijk naar Cordova in Spanje te zenden, het geen zij nog dienzelfden avond had gedaan.

„Cordova in Spanje” overlegde ik. „Dat wil zeggen, dat de gelukkige bruidegom naar een land gevlucht is, waar hij zeker weet, niet uitgeleverd te worden. Sigris was echter Wistanley niet, evenmin als een der kranige jongelui, en ik wilde nu ook weten in welk gedeelte van onze aarde zij zich ophielden.

Maar nu kwam de vraag: waar moest ik hen zoeken? Hierop was slechts één antwoord en dat luidde: In Parijs! Ik was er in ieder geval van overtuigd dat, als ik ooit het spoor zou vinden, ik het slechts daar vinden zou. De goederen waren naar de Fransche hoofdstad gezonden en men kon met de grootste waarschijnlijkheid aannemen, dat de dieven het gestolen goed achterna gereisd waren.

Ik kende Parijs heel nauwkeurig; ik had er eenige jaren gewoond. Bij mijn aankomst informeerde ik dadelijk aan het goederenbureau van het Noorderstation, of hen een zekere heer Blouet bekend was. En zooals ik verwachtte, werd mij gezegd, dat er een groote menigte colli’s en kisten voor een heer van dien naam aangekomen waren.

„En hebt gij hem die koffers gezonden?” vroeg ik vol spanning.

„Neen. Zij zijn door een voerman op zijn kar meegenomen, de vrachtbrieven luidden:

„Aan den heer Blouet, of order.”

„En gij weet ook niet waarheen de goederen gebracht zijn?”

„Neen, absoluut niet.”

Dat was een teleurstelling. Parijs is groot, en onder de drie millioen inwoners nu iemand te vinden, van wien men niet eens goed weet, hoe hij er uitziet, dat was een opgave, die menigeen ontmoedigen zou. Maar mij ontzonk in zulke gevallen niet zoo de moed, want jarenlange ervaring had mij geleerd, het schijnbaar onmogelijke als het allerwaarschijnlijkste aan te zien.

Het papier, in Sigris’ zak gevonden, luidde: Goederen worden heden verzonden. Bericht Blouet. Dezen naam dacht ik als slechts voor dit doel aangenomen, want ik kon er mij niet in denken, dat de ontvanger der goederen in Parijs zoo dom zou zijn, zijn werkelijken naam op te geven. Toen ik nu dit briefje nog eens, in het licht mijner jarenlange criminalistische ervaringen, herlas kwam ik tot de volgende overtuiging:

1e. Een zekere heer zich noemend Blouet was een goede bekende van de spitsboeven, want anders zou [27]men hem zoo’n waardevolle goederenzending niet toevertrouwen.

2e. Men had daarom Sigris verzocht „Blouet te berichten”, omdat deze Sigris correspondent in vreemde talen en daarbij Franschman van geboorte was.

3e. De schrijver van dit briefje, Wistanley of een van zijn drie jonge lieden kende geen Fransch en moest daarom den heer Sigris de correspondentie overlaten. Deze gevolgtrekkingen brachten mij tot de slotsom, dat een geheele bende van zwendelaars in dit bedrog betrokken waren, die op verschillende plaatsen woonden en tot verschillende nationaliteiten behoorden.

De eenige beschrijving die ik van den heer Wistanley had, was, dat hij groot en slank was, een voornaam uiterlijk en aristocratische manieren had, ongeveer zestig jaren telde, een frissche gezonde gelaatskleur had, een bijna witten baard en een kaal hoofd, dat hij elegant gekleed was, twee à drie ringen droeg en het Engelsch met een nauwelijks merkbaar Amerikaansch accent uitspraak.

In deze persoonsbeschrijving lag niets opvallends.

Daar ik nu had begrepen, dat ik in Parijs niet veel ontdekken zou, besloot ik zuidelijker te gaan, en Cordova te bezoeken, waarheen zooals ik gehoord had, Sigris, met zijn jonge vrouw, hunne schreden gewend hadden. Had ik het geluk met dezen heer kennis te maken, dan zou ik zeer zeker gewichtige dingen van hem te weten komen. Ik begreep heel goed, waarom Sigris juist deze mooie, oude Spaansche stad tot zijn verblijf had gekozen. Tusschen Groot-Britannië en Spanje bestond geen uitleveringsverdrag.

Spanje was dus het paradijs voor alle mogelijke bankroetiers en misdadigers. Het was echter nog mogelijk, dat ik mij in het geval van Sigris vergiste en dat zijn huwelijksreis je naar Cordova slechts een deel van het programma uitmaakte. Maar ik had mij nu eenmaal voorgenomen erheen te gaan en was dus spoedig op weg. Uit licht begrijpelijke beweegredenen, deed ik mijn best mij onkendbaar te maken, en daar het juist zomer en in het reisseizoen was, kleedde ik mij als toerist. Ik droeg een opvallend, bont pak, daarbij een helroode das, de onvermijdelijke verrekijker hing aan een riem over mijn schouder, een stroohoed met witten sluier bedekte mijn hoofd en met een reisboek in de hand was ik het type van een toerist.

In Cordova, één der interessantste steden van Spanje, stapte ik voorloopig in een klein hotel af. Er waren zeer veel vreemden in de stad en Engeland was goed vertegenwoordigd.

Daags na mijn aankomst maakte ik tochten door de stad; een groote blauwe bril, die mij schijnbaar voor de gloeiende stralen der zon beschutten moest, in werkelijkheid echter mijn kleeding volmaken, had ik voor de oogen. Zooals iedereen, die Cordova bezoekt, richtte ook ik mijn schreden naar den dom. Onophoudelijk stroomde de menigte in en uit den dom. Geloovigen en kijklustigen waren het, personen van alle nationaliteit.

Ik zie gaarne kerken, toch moet ik bekennen, dat al de pracht en heerlijkheid van deze kerk geen indruk op mij maakte, want met den grootsten ijver monsterde ik de gezichten van de voorbijgangers en mijn ooren spanden zich in om te luisteren, want ik hoopte, dat misschien een woord, dat ik bij toeval hooren zou, mij in mijn navorschingen kon helpen. Maar ik zag niet één gezicht, dat mij interesseerde en ik hoorde niet één woord, dat mij belang inboezemde. Van den dom uit wandelde ik door de stad en toen het te warm werd, ging ik naar mijn hotel terug, om wat uit te rusten en mij wat te verfrisschen. Toen de zon onderging, ging ik opnieuw op weg en volgde de menigte, die naar het park trok, waar ’s avonds een militaire kapel speelde.

In dezen tuin zoekt iedereen ’s avonds uitspanning. Hier, onder den oranjeappel en den olijfboom, in een atmosfeer, die van de zoete geuren van ontelbare bloemen bezwangerd is, door de muziek in zoete droomen verzonken, kan men heerlijke rust genieten en daarbij zijn uitgedroogd verhemelte met ijskoude dranken bevochtigen; het vroolijke gelach en gekout van de veelkleurige menigte mag men beluisteren en daarbij een wijle vergeten, dat de wereld vol hartstocht en slechtheid is.

Door de bekoorlijkheid van mijn omgeving ingepalmd, probeerde ik te vergeten, dat ik een „speurhond” was, dat plicht en noodlot mij dwongen, hen te vervolgen, die tegen de wetten gezondigd hadden. In een leunstoel uitgestrekt, liet ik dwarrelende kringetjes uit mijn heerlijke sigaret opstijgen, terwijl ik af en toe mij met een slokje Sherry Cobler verfrischte.

De zon ging onder en een korten tijd scheen de hemel een prachtig mozaïek van goud en rood, amethysten en paarlen. Spoedig echter verdwenen de kleuren en de sterren verschenen aan den donkeren hemel, de atmosfeer werd zwoel en zwaar van den geur der oranjebloesems, die een uur voor en na zonsondergang het sterkst geuren. Ik meende te droomen, want dit tooneeltje was werkelijk poëtisch. [28]

Muziek, een Spaansche atmosfeer, toiletten vol kleurenpracht, helder gelach, mooie vrouwen, schilderachtig gekleede mannen, de geur van bloemen! Kon men nu in zulk een omgeving aan ellende en slechtheid denken, die in de harten school onder deze betooverende kleeding? Zoo’n oogenblikje en in zulk een omgeving mag zelfs een detective eens droomen.

Door de zware bloemenlucht klonk plotseling een helder vrouwenlachen in mijn oor en dit wekte mijn opmerkzaamheid; het klonk als de klank van een zilveren klokje, het verried kinderlijke onschuld, een onschuld, die van de listen en lagen der wereld geen flauw begrip had.

Ik keek in de richting, vanwaar het lachen kwam. Slechts eenige meters van mij verwijderd had een klein gezelschap van toeristen aan een tafeltje plaats genomen, en bij hen stond een kellner om de bestellingen op te nemen. In het schemerachtig licht, kon ik het gezelschap niet goed zien, slechts zóóveel zag ik, dat het vier heeren en vier dames waren. Allen schenen in de beste stemming en hadden schijnbaar het plan een genoegelijken avond met elkaar te vieren. Mijn belangstelling was verdwenen en ik wilde reeds weder mijn phantasieën vrij spel laten, toen de dame, wier lachen mij opgevallen was, uitriep:

„O! maar ik vind dit juist heel elegant.”

De stem was zeer melodieus, de uitspraak echter onmiskenbaar Amerikaansch.

Het hooren van mijn moedertaal bracht mij met een sprong uit de romantische droomerijen naar de werkelijkheid terug en ik herinnerde mij den plicht, die mij hierheen had gevoerd. Ik begon er over na te denken, hoe de dame met het lieve stemmetje er wel zou uitzien. Jong, dat moest zij wel zijn, want haar stem klonk jeugdig. Was zij mooi? Was zij gehuwd of een jong meisje? Welke positie nam zij in het leven in? Zij scheen wel gelukkig te zijn; had zij anders zóó kunnen lachen?

Ik stak een nieuwe sigaret op, en stond op. Juist was het orkest begonnen een vroolijk walsje te spelen. Ik slenterde wat rond, ging ook het tafeltje waaraan het voorwerp van mijn belangstelling zat, voorbij en hoewel ik in het halfduister geen gezichten onderscheiden kon, hoorde ik in ’t voorbijgaande volgende woorden van de dame met haar Amerikaansche tongval en het zilveren stemmetje:

„Adolph, schat, wat bent je toch onbeholpen!” (Dit klonk zeer verdrietig.)

Ik zag, dat Adolph uit onachtzaamheid een glas champagne had omvergeworpen en den inhoud daarvan in den schoot der dame was geloopen. Zij sprong op, schudde haar japon uit, en veegde ze met haar zakdoek af, terwijl haar begeleider hartelijk lachte. Maar het was niet dit intermezzo, dat mij belang inboezemde, maar de vermelding van den naam Adolph, en oogenblikkelijk werd de detective weer in mij wakker. Was niet de voornaam van den heer Sigris ook Adolph? En ik dacht: „Zou het mogelijk zijn, dat zij, die ik zoo ijverig zoek, zich onder deze vroolijke luchthartige menschen bevinden?”

In ieder geval oefende deze naam op mij dezelfde werking uit als het geluid van een trompet op een stervend oorlogsros hebben moet. Ik was weer geheel nuchter geworden en was van plan deze lieden zóó lang te vervolgen, tot ik iets meer van hen te weten was gekomen.

Meer dan een uur verloor ik hen niet uit het oog. Toen speelde het orkest het laatste stuk en het publiek verliet het park. Tot mijn groote vreugde stond eindelijk ook mijn gezelschap op en maakte aanstalten, om te vertrekken. Ik zag, hoe Adolph teeder een kanten doekje om den hals der dame sloeg, op wier japon hij de champagne gemorst had, en ik meende, dat slechts een minnaar of bruidegom zoo oplettend kon zijn. Zij gingen heen en ik volgde hen. Zij liepen geruimen tijd door tot zij eindelijk voor een helder verlicht café kwamen.

Nu kon ik voor de eerste maal duidelijk hun gelaat zien en ik twijfelde nu ook niet langer, of het waren die menschen, waarnaar ik zoo vurig verlangde.

„Adolph” was Adolph Sigris. Ik herkende hem van de beschrijving, die men mij bij Gregson & Co. van hem gegeven had.

De jonge dame, die zoo liefdevol aan zijn arm hing, was zijn vrouw. Zij had een mooi, lief gezicht, een sierlijk figuurtje, een rooskleurige gelaatskleur en dik, goudblond haar. Twee der andere dames waren eveneens jong en niet minder mooi dan de jonge vrouw; zij waren, naar de gelijkenis te oordeelen, zeker zusters. De vierde dame was reeds over de vijftig en had een waardig voorkomen, zij was tamelijk corpulent en droeg het grijze haar over het voorhoofd gekamd, zij had een Spaansche kanten doekje zeer smaakvol om het hoofd geslagen. Ook zij zag er gezond en lief uit, en ik veronderstelde, dat zij de moeder der beide jonge meisjes en de vrouw van dien grooten slanken heer was, die om en bij de 60 jaar mocht zijn, een frissche gezonde kleur had, en een witten baard. En dat deze [29]heer Wistanley was, daarop zou ik hebben kunnen zweren. De twee andere heeren van het gezelschap waren jongelui van omstreeks vijf-en-twintig jaar. Zij waren elegant gekleed en schenen tot de familie te behooren.

Aan één der tafeltjes, die buiten het café stonden, nam het gezelschap plaats en bestelde porties ijs. Terwijl zij daar zoo in het volle licht zaten, kon ik hun gezichten onuitwischbaar in mijn geheugen prenten.

Een vol uur bleven zij zitten. Toen sloegen zij langzaam den weg in naar het „hotel du Soleil” waar zij, naar ik vermoedde, hun intrek hadden genomen. Zeer bevredigd over mijn ontdekkingen, begaf ik mij, daar het intusschen laat was geworden, naar mijn hotel, en sliep dien nacht heerlijk. Den volgenden morgen verhuisde ik, en wel naar het „hotel du Soleil” en vóór de dag verstreken was, wist ik, dat zich onder de hotelgasten de heer en mevrouw Sigris, uit Parijs, de heer en mevrouw Wistanley, de heer George en de heer Adam Wistanley en de dames Wistanley, allen uit Boston, bevonden.

„Zoo, zoo,” lachte ik in mijzelf, „zij behooren dus toch tot dezelfde familie, en die heeren George en Adam Wistanley zijn twee van de drie kranige jongelieden, die in het bureau van den heer Wistanley in Manchester werkzaam waren; ieder man met oogen in het hoofd moet dadelijk zien, dat mevrouw Sigris een zuster is van de dames Wistanley.

Sigris had dus één van Wistanley’s dochters getrouwd; Sigris was correspondent bij Gregson & Co., waardoor hij in staat was, het bedrog met goed gevolg door te zetten, want alle brieven gingen door zijn handen. Daardoor was hij voor zijn toekomstigen schoonvader van onschatbare waarde geworden, en nu leefden zij samen van de opbrengst van hun bedrog.

Ik zeg samen, want was er nog eenige twijfel, dat de overige leden van de familie niets van het voorval zouden weten. Voor Wistanley moest het bepaald onmogelijk geweest zijn, zulk een systeem van bedrog uit te voeren, zonder dat zijn vrouw en dochters er van op de hoogte kwamen. Slechts met weerzin kon ik deze jonge, voorname dames voor bedriegsters houden, maar het moesten wel bedriegsters zijn, hoe moeilijk het ook vallen mocht, zooveel schoonheid en slechtheid in zich te vereenigen. Ik was helaas machteloos iets te doen, wat mij in staat stelde deze menschen in hechtenis te laten nemen. Zoo lang zij op Spaansch grondgebied waren, waren zij veilig, maar ik troostte mij met de gedachte, dat zij er niet altijd konden blijven. Gelukte het mij dan, slechts enkele van hen achter slot en grendel te brengen, dan zouden de anderen wel genoodzaakt worden, tenminste een deel van hun onrechtmatig verworven goed in den steek te laten.

Nadat deze interessante familie, een volle week lang, geld met volle handen had uitgegeven, weelderig geleefd en veel champagne gedronken had, alle bezienswaardigheden gezien had en dikwijls had gereden, werd hun gezelschap met vijf personen vermeerderd. Hun aantal bedroeg nu dertien, een „duivelsdozijn”, zooals men dat noemt. Onder de nieuw aangekomenen was ook een jonge man, die zeer zeker een broeder van de beide jonge Wistanley’s en derhalve de derde dappere jonge man was. Ook was er een jonge dame, een Amerikaansche en naar ik hoorde was dit de jonggetrouwde vrouw van den jongsten Wistanley. De drie andere personen waren de ouders van het jonge vrouwtje, die zich als de heer en mevrouw Gage uit Georgia in het vreemdenboek inschreven, en een opgedirkte oude juffrouw, een zuster van den heer Gage.

Dit tweede groepje der familie was in Madrid geweest. Ik was overtuigd, dat deze dertien personen niet van plan waren, zich voorgoed in Spanje te vestigen. Hierin had ik mij niet vergist, want in den loop der daaropvolgende week vertelde mij de oberkellner, dat een deel van het gezelschap naar Parijs en het andere naar Sevilla wilde gaan. Ik brandde van nieuwsgierigheid, om te weten te komen, welke der personen naar Parijs zouden afreizen; ik moest echter een paar dagen wachten, vóór ik mijn nieuwsgierigheid bevredigen kon. Wie beschrijft echter mijn vreugde, toen ik vernam, dat de heer Wistanley, diens twee zoons George en Adam en de heer Sigris, op het punt van vertrekken stonden en ik begreep terstond, dat deze reis in verband stond met de gestolen goederen. Daarbij was ik nog te weten gekomen, dat Wistanley geen Fransch sprak; dus moest Sigris hen als tolk dienen.

De morgen van vertrek brak aan, en in denzelfden trein, waarin het gezelschap zat, zat ook ik.

In Parijs aangekomen, namen zij een rijtuig en reden naar Hotel Continental. Nadat ik mij vergewist had, dat zij er hun intrek hadden genomen, nam ik in een ander hotel een kamer, om geen argwaan te wekken. Het eerste echter wat ik deed, was de Parijsche politie bericht zenden, dat de zwendelaars, die ik zocht, in Hotel Continental woonden.

Eenige beambten werden dadelijk met het toezicht belast.

Den volgenden dag was ik in aller vroegte in de omgeving [30]van het hotel en nadat ik een tijdlang gewacht had, zag ik een open landauer van het hotel wegrijden. Daarin zaten de drie Wistanley’s en Sigris.

Met twee van mijn Fransche collega’s sprong ik in een voorbijrijdend huurrijtuigje en beval den koetsier, den landauer te volgen. Deze reed naar het zuidelijke deel der stad, ging den Pont-Neuf over en reed den Boulevard Saint-Germain op.

De vier inzittenden stegen uit het rijtuig en betraden het huis. Ook wij verlieten ons voertuig en begaven ons naar de loge van den concierge. Ik begon met den ouden man een gesprek en vroeg hem terloops, of hij de heeren kende, die naar boven waren gegaan.

Drie van hen waren vrienden, meende hij, Engelschen of Amerikanen; de vierde was de heer Blouet, die een half jaar geleden een étage gehuurd had; hij was juist gekomen, om schikkingen te treffen over het meubilair.

De Fransche wet veroorlooft het, iemand op een enkele mondelinge beschuldiging gevangen te nemen. Wij hadden dus in dit geval geen bevel tot inhechtenisneming noodig. Mijn collega’s en ik klauterden naar de zesde verdieping. Ik belde aan, waarop de oude Wistanley de deur opende en vóór hij zich van de verrassing die ons verschijnen teweeg bracht, herstellen kon, waren wij binnen gedrongen.

In een kamer, voor de helft met balen en collis opgevuld, vonden wij Sigris alias Blouet en de beide jonge Wistanley’s. Sigris doorzag terstond den toestand en werd vaalbleek. Snel als de bliksem trok hij een revolver uit den zak en schoot op mij. De kogel echter miste zijn doel en drong in den muur, maar vóór hij tijd vond ten tweeden male te schieten, had ik mij op hem geworpen, de revolver ontrukt en gekneveld. Ook de drie andere gevangenen knevelden wij. Een van de Fransche beambten bleef achter om de woning te bewaken en met behulp van den ander bracht ik onze gevangenen naar den dichtbijzijnden politiepost.

Urenlang scheen Sigris buiten zichzelf van smart, vertwijfeling en schaamte, en toen hij in mij iemand herkende, dien hij reeds in Cordova had gezien, smeekte hij mij, zijn vrouw niet met zijn inhechtenisneming in kennis te stellen, terwijl hij daarbij plechtig verzekerde, dat zij volkomen onschuldig was en geen vermoeden van het bedrog had gehad.

Ik beloofde hem, haar zijn gevangenneming zoo lang mogelijk geheim te houden en ik verzuimde ook niet, hem er op te wijzen, dat men zijn zaak veel gunstiger zou beoordeelen, wanneer hij van de gestolen goederen zooveel als mogelijk terug gaf. Dat wilde hij ook doen en vreeselijk ging hij tekeer op zijn schoonvader en beide zwagers, die hem op dezen slechten weg gevoerd hadden. Op zijn smeeken telegrafeerde ik zijn vrouw, dat hij voor zaken dadelijk naar Engeland terugkeeren moest, en daar, zooals te voorzien was, langen tijd zou moeten blijven.

Na verloop van verscheiden weken, nadat de noodige formaliteiten waren vervuld, mocht ik mijn gevangenen naar Engeland overbrengen en langzamerhand kwam ik alle bijzonderheden van hun reusachtig en opzienbarend bedrog te weten. De Wistanley’s waren allen, met uitzondering van Nelly, een geniale bedriegersfamilie. Als Amerikaansche burgers hadden zij zoo lang van bedrog en zwendel geleefd, tot de grond er te heet onder hunne voeten werd. Toen hadden zij hun veld van werkzaamheid naar Manchester verlegd, waar zij met Sigris kennis maakten, die op de dochter, die van al deze bedriegerijen niets afwist, verliefd werd. Sigris had een zwak karakter en daar hij Nelly hartstochtelijk lief had, viel, het den Wistanley’s niet zwaar, zich van hem als werktuig te bedienen.

Nadat men het eens was geworden, om deze zwendelarij uit te voeren, was Sigris naar Parijs gegaan, had daar op den naam Blouet de woning waarin hij gevat werd, gehuurd, en was met een kennis overeengekomen, de goederen bij hun aankomst in Parijs in ontvangst te nemen en ze naar de woning over te brengen. Goederen, voor een waarde van verscheidene duizend ponden waren reeds in Frankrijk aan den man gebracht en Sigris en de Wistanley’s waren nu van Cordova naar Parijs gekomen, om de rest der goederen te verkoopen. De derde zoon van Wistanley, Richard, was tegelijk met Sigris in het huwelijk getreden. Zijn vrouw was een juffrouw Gage en ofschoon ik deze familie niet bepaald van een misdaad beschuldigen kon, scheen het toch, dat zij in de Verenigde Staten veel op hun kerfstok hadden.

Ik had oprecht medelijden met Sigris. Hij was klaarblijkelijk slechts een offer van de Wistanley’s, deze doortrapte zwendelaars. Hij volgde mijn raad op, en gaf al het geld, dat hij nog bezat, over. Het waren ongeveer drie duizend pond en hij gaf ons ook inlichtingen, die het ons mogelijk maakten, een aanzienlijk deel van het gestolen goed weer terug te krijgen. Daardoor gelukte het mij, het verlies van mijn lastgever tot een, naar verhouding, klein bedrag te beperken. Op Sigris’ herhaald smeeken, reisde ik nogmaals naar Cordova, [31]om zijn vrouw voorzichtig met het voorgevallene in kennis te brengen. Eerst was zij als verdoofd van schrik, en ik vreesde, dat zij er niet van zou opkomen. Maar ik redeneerde met haar en het gelukte mij ook, haar te bewegen met mij naar Engeland terug te keeren. Hier wilde zij zoo lang teruggetrokken leven, tot haar man weder op vrije voeten zou zijn; dan wilden zij ver weg gaan en in een ander land een nieuw leven beginnen. Toen de Gages en haar broeder hoorden, dat ik Nelly met mij mede nemen wilde, waren zij woedend, maar hun schelden en razen deerde mij niet, en ik bracht het arme, jonge vrouwtje naar Engeland.

Op roerende wijze vertelde zij mij, dat zij zich meermalen er over verwonderde, waar haar vader en broeders de middelen tot hun levensonderhoud vandaan haalden. Men had haar altijd gezegd, dat zij „Commissionairs” waren; hun geheele doen en laten had altijd iets geheimzinnigs gehad, maar aan oneerlijkheid of misdaad had zij nooit gedacht. Deze onthulling trof haar zóó hard, dat zij zwaar ziek werd.

Verbazende dingen kwamen er bij de verhandeling tegen de Wistanley’s en Sigris aan het licht; daaruit bleek, dat de Wistanley’s al geruimen tijd van bedriegerijen leefden en zich een groot vermogen bijeen gezwendeld hadden.

De verklaringen, die ik in staat was te geven en het feit, dat hij ons geholpen had een groot deel van het gestolen goed terug te krijgen aan den eenen kant; aan den anderen kant de goede getuigen, die zijn vroegere chefs, de heeren Gregson & Co. van hem gaven, bewerkten, dat Sigris er met de geringe straf van zes maanden gevangenisstraf af kwam. De Wistanley’s werden tot tuchthuisstraf veroordeeld; de vader tot tien, de beide zoons ieder tot zeven jaar. De andere leden van deze interessante familie verzekerden zich van hunne vrijheid, door in Spanje te blijven.

Ten slotte wil ik nog mededeelen, dat, toen Sigris uit de gevangenis kwam, zijn vrouw herstellende was.

Op mijn voorspraak leende een als weldadig bekend staande dame hun een som gelds waarmee zij naar Nieuw Zeeland vertrokken. Na een paar jaar hoorde ik, dat zij onder een anderen naam een zaak hadden opgericht, die zeer goed ging en dat zij drie kinderen hadden, die zij hun best deden, tot eerlijke, rechtschapen menschen groot te brengen.