De laatste stralen der ondergaande zon vielen in een bekrompen dakkamertje in een huurkazerne in Whitechapel, een der armste buurten van Londen.
Op een armzalige legerstede, in den hoek nevens het venster lag een man, die zich steunend van de eene op de andere zijde keerde.
Hoewel de heele inrichting groote armoede verried, heerschten toch netheid en orde in de enge ruimte.
En wat aan verwarmende kleedingstukken voorhanden was, was benut om het den zieke zoo draaglijk mogelijk te maken in bed.
Een leege kist was naast de sponde gezet en daarop stond, in een gebroken waterglas, een kleine bouquet van viooltjes.
Een lichte beweging aan de deur schrikte den zieke plotseling op, doch alles bleef rustig, en teleurgesteld legde hij zijn hoofd weer op het kussen.
„Nog altijd niets”, mompelde hij, en hevige angst om zijn kind, dat onbeschermd in de straten van Londen dwaalde, kromp zijn hart samen.
In zijn verbeelding zag hij zijn boven alles geliefde Ellen door de straten gaan, om met de kleine winst, die zij met den verkoop van bloemen maakte, het leven van haar vader te verlengen. En dubbel groot stelde hij zich in zijn koortsfantasieën de gevaren voor, waaraan een jong meisje in de straten van Londen bloot staat.
Dan weer trok een glimlach over de ingevallen wangen van den kranke. De liefelijke geur der viooltjes herinnerde hem, hoe zijn dochter, ondanks kommer en ellende, altijd wel middelen vond om hem een bewijs van haar liefde mee naar huis te brengen.
Hij ademde zwaar en onregelmatig, zijn oogleden waren vast gesloten.
Daar werd zachtkens de deur geopend, en in het donker schitterden een paar zwarte oogen, die op het armzalige bed bleven rusten.
Zoetjes, haast onhoorbaar kwam iemand binnen, wiens gestalte door een langen zwarten mantel geheel bedekt werd. Een breedgerande hoed verborg het gezicht, dat door een vollen baard omringd werd en alleen de duivelsch-flikkerende oogen zetten de spookachtige gestalte leven bij.
Langzaam bewoog de vreemde zich naar het bed, den zieke scherp in het oog houdende.
Plotseling flikkerde een lichtstraal, en bescheen het gezicht van den kranke.
Bij het licht van de electrische zaklantaarn kon men [2]duidelijk een groot litteeken zien op het gelaat van den onheilspellenden gast, dat van den rechterslaap tot den mondhoek toe doorliep.
Eén kort oogenblik was voldoende; de vreemdeling had genoeg gezien. De dood wierp reeds zijn schaduw op het ingevallen gezicht.
„Zoo, loopt het eindelijk op het eind,” siste de huiveringwekkende kerel. „De duivel zij geprezen! Ik kom nog op het goede oogenblik!”
Hij keek even om zich heen, om zich te overtuigen, dat hij werkelijk alleen was, en boog zich toen over den kranke heen.
Een smartelijk steunen ontglipte dezen, alsof hij de nabijheid van zijn vijand voelde.
Bliksemsnel bukte de veemdeling in den hoek, aan het hoofdeinde van het bed.
Krampachtig stiet de zieke uit:
„Ellen, kom, kom gauw; het loopt op een einde.”
Bijna onhoorbaar stierven de laatste woorden weg en rochelend zonk zijn hoofd tegen den vochtigen wand.
Na weinige oogenblikken kwamen de geheimzinnige schaduwen weer uit het duister.
„Hij moet toch hier zijn. Waar heeft hij hem nu verborgen?”
Onder het uitspreken van deze woorden voelden de vingers van den onbekende over de vermagerde handen van den zieke, die koortsachtig bevend op een ouden, als deken dienenden mantel lagen.
„Niets!—Niets!—Doch ik moet hem hebben, al zou ik hem het hart uit het lijf moeten scheuren!”
Op dit oogenblik verried het kraken van de wormstekige trap, dat iemand naar boven kwam.
Met een grooten vloek sprong de vreemdeling naar de deur en was meteen in het donker van het portaal verdwenen.
Een moment later sloop een jong meisje het vertrek binnen, ging op het ziekbed af en knielde daarvoor neder.
„Vadertje, lief vadertje, hoe gaat het met u?”
Halfluid maar sprak ze, en drukte een kus op de vermagerde hand.
De zieke ontwaakte geheel uit zijn koortsachtigen sluimer en zijn bevende rechterhand liefkozend leggend op het hoofd van het jonge meisje, fluisterde hij:
„Steek licht op, kind; dan kan ik nog eenmaal je lieve oogen zien, want het loopt gauw af.”
„Neen, vadertjelief, je mag mij niet verlaten.”
„Steek licht op, het is zoo donker.”
Met een onderdrukten zucht stond het meisje op, en stak het eindje kaars aan, dat in een hoek in den hals van een flesch stond.
Bij dien flikkerenden schijn kon men haar gestalte nu waarnemen. Van middelbare grootte, slanke en toch flinke figuur, scheen ze ongeveer zeventien jaar te zijn.
Haar gelaat verleende haar groote bekoorlijkheid. Een ovaal gezichtje, een kleine mond, een golf van zwarte lokken, en bovenal een paar groote, diepblauwe oogen met lange wimpers. Van teint was ze eenigszins donker.
Terwijl het meisje licht opstak, probeerde de zieke zich op te richten, maar onder smartelijk steunen viel hij weer terug.
Schielijk snelde Ellen naar het bed, en smeekte:
„Blijf toch liggen, vaderlief. Ga nu wat slapen, dat zal u goed doen. Ik zal bij u waken. Kijk, hier heb ik iets voor u, dat u helpen zal.”
Met deze woorden maakte zij een pakje open, dat zij bij het binnenkomen op de tafel had gelegd, en nam daar een flesch wijn uit.
„Kind, Ellen, hoe kom je daartoe? Je zult toch niet de weinige shillings, die je verdient, hieraan wegmaken? Ik gebruik toch niets meer, want met mij loopt het af. En nu nog wel wijn, kindje, hoe is dat toch mogelijk?”
„Vaderlief,” antwoordde Ellen, „ik heb u toch gisteren verteld van dien heer, welke mij in Oxfordstreet vroeg, waarom ik zoo treurig was, en die mij al mijn bloemen afkocht, toen ik hem van uw ziekte vertelde. Vandaag kwam hij terug, en informeerde zoo vriendelijk naar u, en zei dan, dat ik den wijn zou meenemen, voor versterking van u. Toen gaf hij mij deze flesch, en vroeg of wij een dokter hebben. Toen ik hem vertelde, dat reeds drie dokters, ondanks al ons smeeken, geweigerd hadden te komen, werd hij zeer kwaad. Hij vroeg ons adres en beloofde, nog vandaag u te zullen bezoeken en een goeden dokter te zenden. Och, vader, wat ben ik gelukkig; nu zult u bepaald weer gezond worden!”
Zacht schudde de vader zijn hoofd.
„Kindlief, ik bid je, wees voorzichtig. Wat weet je van dien vreemde. Geloof mij, de rijken bekommeren zich niet zoo maar om ons armen. Als zij wat geven, dan verlangen ze ook wat terug. Daarom, wees toch voorzichtig!”
„Vadertjelief,” fluisterde Ellen, „als gij den vreemdeling zult zien, dan zult ge hem vertrouwen.”
„Nu, ik hoop dat het zoo zijn zal, mijn kind. Ik [3]ken je, en ik weet, dat je ook alleen den goeden weg vinden zult. God moge je behoeden, want ik zal het binnenkort niet meer kunnen doen.”
„Beste vader, spreek toch niet zoo. Gij breekt me het hart met zulke woorden.”
Onderwijl had Ellen de flesch opengetrokken, en een waterglas voor de helft gevuld. Met veel zorg liet ze haar vader eenige slokken drinken.
„Ik dank je zeer, mijn lieveling. Nu zal ik ook wel krachtig genoeg zijn, om je het geheim toe te vertrouwen, en mijn schuld aan je af te doen.”
„Gij vaderlief, een schuld aan mij? Gij, de beste en edelste van alle menschen?”
„Kom, Ellen, ga aan mijn bed zitten, en luister goed naar mij.”
Onregelmatig en zwaar haalde de zieke adem; en hoestbuien onderbraken zijn spreken, zoodat Ellen met moeite het verhaal van haar vader volgen kon, dat hij langzaam aanving:
„Op een Junidag van het jaar 1875 verliet een jongmensch, voormalig Duitsch officier, met een stoomboot Europa, om in de Nieuwe wereld een ander leven te beginnen. Lichtzinnigheid had hem zoover gebracht, dat hij ’s konings rok moest uittrekken. Van jongsaf al niet gewoon met geld om te gaan, had hem de speelduivel bovendien in schulden gebracht, die door woekerrenten zoo aanwiesen, dat hij het hoofd er bij verloor.
„Volgens de in zijn kringen gebruikelijke opvatting van eer had de jonge man zich een kogel door den kop moeten jagen, maar daarvoor was hij te verstandig. Hij ging naar den vreemde, met het vaste voornemen door eigen kracht de middelen te verwerven, om zijn schulden te kunnen afbetalen.
„Mijn kind, dat jonge mensch was ik, uw vader—Werner von Eichstädt—niet George Warner, zoo als je tot nu toe meende.”
In ademlooze spanning luisterde Ellen naar deze bekentenissen van haar vader, en gaf hem nog een teug wijns tot versterking.
Na een korte pauze begon de oude man opnieuw:
„Op het schip leerde ik een jongen man kennen. Ook hij trok naar den vreemde. Wij waren beiden even oud, en daar hij een vroolijke, goedmoedige kerel leek, die tevens hetzelfde doel had, sloot ik mij bij hem aan.
„Ik zal je niet het lijden en de ontberingen schetsen, die ik in de eerste jaren aan den overkant van den Oceaan moest doorstaan.
„Genoeg, het noodlot hield mij met mijn reisgezel bijeen, hoewel hij een lage natuur was, en van woesten hartstocht. Hij noemde zich John Brown, hoewel ik later gemerkt heb, dat hij anders heette.”
Een hoestbui onderbrak den zieke. Zwaar ademhalende, viel hij op zijn leger terug, en fluisterde:
„Ik zal mij moeten bekorten, want spoedig, ik voel het, spoedig—”
Weenend kuste Ellen haar vader den mond.
Mr. Warner, of liever gezegd, Werner von Eichstädt, vertelde verder:
„John Brown, zoo zal ik hem verder noemen, haalde mij over, met hem naar Europa terug te keeren. Hij bracht mij eerst naar Amsterdam, in zijn ouderlijk huis. Zijn vader, een diamantslijper, Was uit harteleed om zijn mislukten zoon gestorven. Zijn bedaagde moeder viel den verloren zoon, weenende van geluk, om den hals, in de meening dat hij als een beter mensch was teruggekomen. Gauw genoeg zou zij ervaren, dat dit niet het geval was. John had mij onderweg dikwijls van een zuster verteld, die hij mij als hatelijk en boosaardig afschilderde. Een mij onverklaarbare haat sprak steeds uit zijn woorden, als hij over haar vertelde.
„Ik was dus zeer verbaasd, in het jonge, nauwelijks zeventienjarige meisje een volwassen schoonheid te ontmoeten.
„Eenige weken bleef ik daar aan huis, en dat was genoeg dat wij beiden, dat meisje en ik, elkander oprecht leerden beminnen.
„Wij vroegen haar moeder om haar zegen. De oude vrouw schrok heftig, en verzocht mij, haar in een andere kamer te willen volgen. Daar vernam ik uit haar mond de volgende romantische geschiedenis:
„De vader van mijn bruid, die een zeer groote diamantslijperij had bezeten, had jaren geleden handelsrelaties met Indië. Op zekeren dag bezocht hem een bevriend gezagvoerder, wiens koopvaardijschip juist in de haven binnengeloopen was.
„In zijn gezelschap bevond zich een groote, opvallend knappe man, van sprekend exotische type.
„De scheepskapitein vertelde, dat zijn metgezel een prins uit den stam der Yemenisten was.
„Bij een der toenmalige oorlogen met de Turken was zijn stam uiteengejaagd en van al zijn goederen beroofd geworden.
„Bij zijn vlucht voor den vijand uit, was ook zijn vrouw gedood. Slechts zijn eenig kind, een dochtertje van weinige maanden oud, had hij aan de woede den [4]vijanden kunnen onttrekken. Na veel gevaren was het hem gelukt den kapitein te treffen, met wien hij lange jaren handels- en vriendschapsbetrekkingen had onderhouden. De kapitein bood zich aan, om den Prins en zijn dochtertje mee naar Europa te nemen en voor beiden te zorgen. Hij verzocht thans den diamantslijper en zijn vrouw, het kindje bij zich te willen nemen, om het op te voeden.
„Beiden verklaarden zich daartoe bereid. Daarop trok de Prins een ring van zijn vinger en gaf dien het slapende kind in de hand. Het was een breede gouden ring, met vreemde letters ingegraveerd, een rond schild je toonde den kop van een Indiër met een tulbandachtig hoofddeksel.
„De Prins verklaarde bij monde van den kapitein, dat hij door dit geschenk voor de toekomst van het kind en haar pleegouders rijkelijk zorg droeg, want dat de ring de sleutel was van een geheim. Hij hield de opgave in van de plaats, waar zich een onmeetlijke schat, aan edelgesteenten en goud bevond, dien de Prins voor zijn vlucht verborgen had.
„Om nadere mededeelingen gevraagd, wilde hij juist voortgaan met spreken, als hij plotseling ineenzonk. Een hartverlamming had een einde gemaakt aan zijn leven, en hij nam het geheim mede in het graf.
„Het kind bleef bij ons, en wij beleefden er veel genoegen van, zoo voer de oude vrouw met haar vertelling voort. Daar het ons steeds goed ging, hebben wij het geheim van den ring nooit nagevorscht. Mijn man en ik kwamen echter overeen, dat Mary, zooals wij het kind lieten doopen, bij haar huwelijk het geheim van haar ring zou vernemen. Nu kunt gij het zelf uitmaken.
„Mary werd daarop in de kamer geroepen en kreeg, met den zegen harer moeder op onze verbintenis, ook den ring als een gedachtenis haars vaders;—zij dacht hierbij alleen aan den diamantslijper, want het geheim van haar geboorte had men haar, op mijn wensch, nog niet onthuld.
„Deze Mary nu, die ik tot dat oogenblik voor John Browns zuster had gehouden, was uw goede moeder.
„In de zonnige dagen van ons jonge geluk dachten wij niet aan het geheim van den ring.
„Er was echter iemand anders, die daar geen vrede mee had: dat was John. Hij had het gesprek tusschen zijn moeder en mij afgeluisterd, en kende in zijn hebzucht geen ander doel meer, dan zich van het bezit van het kleinood te verzekeren, en het geheim uit te vorschen.
„Mary droeg het aandenken aan haar vader, den ring, aan een zwart snoer om den hals.
„Op iedere mogelijke manier trachtte John zich van het versiersel meester te maken. Ook na ons huwelijk zat hij ons voortdurend op de hielen, en bezocht ons dikwijls in ons huisje, dat ik in Muiden gekocht had.”
De zieke zweeg een poos; hij haalde zwaar adem.
Na eenige oogenblikken ging hij, met stokkende stem, verder:
„Nu kom ik tot het moeilijkste uur mijns levens: Eens op een avond keerde ik onverwachts van een reis voor zaken terug, en vond John, dien ik in Amsterdam waande, die trachtte in onze slaapkamer te sluipen. Zinneloos van woede greep ik een mes, en stiet blindelings op John in. Een vreeselijke kreet, en hij stortte op den grond. Op het alarm toegesneld, kwam uwe moeder in de kamer. Als zij den verwonde zag, wierp zij zich over hem, en schreeuwde: „Werner, wat hebt gij gedaan”?
„De bezorgdheid, die uit deze woorden sprak,—die echter uit haar goed hart welden—schenen mij bewijs genoeg voor haar ontrouw te zijn. In mijn blinde ijverzucht joeg ik haar in nacht en ontij naar buiten. Om John, die bloedend en steunend op den grond lag, bekommerde ik mij niet verder.
„Ik tilde jou uit je bedje, nam den ongelukkigen ring, die aan alles schuld droeg, mee en ijlde heen, naar den spoorweg. Nu weg, weg van hier. Dat was mijn eenige gedachte.
„Ik voer nog denzelfden nacht met jou over naar Londen. Het huisje in Muiden liet ik door een notaris verkoopen. Daardoor vernam ik, dat men John met een wonde, die recht door zijn wang ging, gevonden had. Hij had echter iedere inlichting geweigerd, hoe hij die verwonding had opgeloopen.
„Ik trachtte, thans voor de derde maal, in Londen een nieuw bestaan te vinden. Helaas, wat ik ook aanvatte, niets wilde gelukken. Uit elke betrekking werd ik weer verjaagd. Branden ontroofden mij mijn zwaar verdiende kleine bezittingen, aanklachten waren er op berekend mij mijn eerlijken naam te doen verliezen. Wanneer ook later de ongegrondheid der aanklachten bleek, zoo hadden ze mij toch altijd reeds mijn positie gekost. Op zulk een manier werd mij het leven tot een hel.
„Ik weet zeker, dat John de geheime drijfveer van al deze vervolgingen was; hij alleen is aan al het ongeluk schuld. Sinds ik hem in dien nacht met het mes geteekend heb, hechtte hij zich aan mij vast en [5]zocht mij te verderven. Hoe goed hem dat gelukt is, toont een blik op onze omgeving. Ellendig en arm sterf ik thans en moet u, mijn lieveling, zonder bescherming achterlaten. Slechts één ding heb ik nog gered; zie hier.”
Met zijn laatste krachten richtte zich de stervende op, en greep met bevende hand in den stroozak, waaruit hij een pakje te voorschijn haalde. Nadat hij het omhulsel had verwijderd, kwam er een glinsterend voorwerp te voorschijn.
„Dat is mijn erfenis. Gij weet nu, dat uw arme moeder misschien nog leeft. Zij is niet, zooals ik u immers zei, in Holland gestorven.
„Toen ik na mijn vertrek weder tot bezinning kwam, en mij bij nadenken de onschuld van uw moeder immer duidelijker werd, deed ik alles om haar verblijfplaats te ontdekken; maar haar spoor was en bleef verloren.
„Tot op het laatste oogenblik heb ik nog gehoopt, dat ik mijne Mary zou terugvinden, om haar vergiffenis te kunnen afsmeeken. Die hoop werd niet vervuld, maar mijn verlangen bleef ongestild.
„Daarom bid ik u, mijn kind, thans in mijn stervensuur, zoek uw moeder en verwerf haar vergiffenis voor mij. Deze ring zal het teeken zijn, waaraan de moeder haar kind herkent; draag hem daarom steeds.”
Met bevende hand stak de vader den ring aan den wijsvinger van de rechterhand zijner dochter.
In huilen uitbarstende wierp Ellen zich over hem en kuste zijn voorhoofd.
De hand van den stervende rustte zegenend op haar hoofd. Stokkend en kuchend ging de ademtocht, en het scheen, als zocht hij met zijn laatsten blik haar gansche gestalte te omvatten. „Luister, mijn kind. Het geheim van dezen ring heeft goed geluk mij doen vinden. Ik weet thans, dat gij rijk zult zijn, en ik bid u daarom nogmaals: zoek uwe moeder! Geld opent alle deuren, en het zal u tot haar brengen. Toen ik vandaag mijn heele leven voor mijn geest liet voorbijgaan, beschouwde ik ook dezen ring. Mijn rechterhand gleed over den kop van den Indiër en plotseling—”
Een trilling voer door het lichaam van den stervende, met een zucht zonk hij op het bed terug en zijn oogen sloten zich voor immer. Het geheim van den ring nam hij mede in de eeuwigheid!
Ellen schreide luid. Had ze tot nog toe nimmer een doode gezien, zoo voelde zij toch, dat hier een trouw vaderhart had opgehouden te kloppen. De opwinding van het laatste half uur was te sterk geweest voor Ellen; een weldadige onmacht kwam over haar.
Plotseling opende zich de deur en de spookachtige gast, die door Ellens opkomen verjaagd was, trad binnen.
Een duivelsche lach plooide zijn gelaat. Bloedrood teekende zich het litteeken af in John’s gezicht,—want hij was het, die binnentrad.
Met één sprong was hij bij de sponde van den doode. Een snelle greep haar Ellen’s rechterhand, en met brutaal geweld rukte hij den ring van den vinger der bewustelooze.
„Eindelijk dan gevonden. Nu zijt gij mijn, en met u uw schat!”
Schielijk borg hij den ring, die voor zijn vinger te klein was, in zijn zak, zonder te merken, dat hem een schitterend voorwerp ontviel, toen hij den ring van Ellen’s vinger griste. Dan verliet hij met een boosaardigen lach deze verblijfplaats des doods.…..
Het kaarsje was opgebrand, toen Ellen uit haar onmacht ontwaakte.
Zij streek zich over de zwarte lokken, alsof zij eerst haar gedachten moest verzamelen. Dan echter, als zij het lijk haars vaders zag, brak een nieuwe tranenstroom los.
Langzaam stond zij op en trad aan het venster. Nu keerde de herinnering aan het gehoorde en doorleefde in haar zinnen terug.
In haar verlatenheid steeg als een zoete troost de gedachte aan hare moeder in heur ziel op. Zij keek naar haar hand om den ring, het aandenken, te bezien.…..
Hij was verdwenen.
Een oogenblik bezon zij zich. Ze herinnerde zich toch zeker, dat haar vader zelve haar den ring aan den vinger had geschoven; waar kon hij nu zijn?
Angstig blikte zij in de ruimte en het vermoeden van verlies snoerde haar de borst ineen. IJverig zocht zij in alle hoeken en gaten. Steeds duidelijker werd haar, dat de ring verdwenen was.
„Nu zal ik hem wel nooit meer vinden!”
In naamloze smart klonken deze woorden van haar lippen.
Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.
Ellen deed open, en binnen trad een flink gebouwde, elegante heer, van middelbaren leeftijd. Hij droeg een kleine snor, en had een paar goedige oogen.
„Nu, miss, daar ben ik, zooals ik beloofd heb,”—dat waren de eerste woorden van den binnentredende.
„Heel gauw zal ook de dokter komen. Ik ben maar vooruitgegaan, wijl ik wist, dat gij zeer bezorgd waart over uwen vader, en ik u het goede nieuws snel wou [6]overbrengen. Ik hoop, dat het den zieke wat beter gaat?”
Met de linkerhand bedekte Ellen de oogen, om den tranenstroom te weren; met de rechter wees zij op het doodsbed.
Langzaam naderde de vreemdeling; één blik zeide hem genoeg. Zacht legde hij zijn hand op haar hoofd, en zeide:
„Beste miss, uw smart is zeer begrijpelijk, want het is menschelijk, als wij treuren over hen, die van ons worden weggenomen. Bedenk echter, dat hij nu verlost is van een zwaar lijden, en van veel ontberingen. Gun hem den vrede! Voor de toekomst kunt gij onbezorgd zijn. Ik zelf neem natuurlijk de zorg voor de begrafenis en voor alle noodige schikkingen op mij. En als ik u soms ergens mee kan helpen, zeg het mij gerust, het zal geschieden.”
„Hoe zal ik er u voor danken,” bracht Ellen eindelijk onder snikken uit, „dat gij u de verlatenen zóó aantrekt?”
„Hier is mijn adres,” zeide de vreemdeling en legde zijn kaartje op de tafel.
„Als gij een of anderen wensch hebt, zoo schrijf mij, of zend mij een boodschap; ik zal dan aanstonds tot uw dienst zijn. Voor het meest dringende verzoek ik u deze kleinigheid van mij aan te nemen.”
Met deze woorden nam de vreemdeling twee bankbiljetten van 5 pond sterling uit zijn portefeuille en legde die op tafel.
„Neen, mijnheer,”—Ellen wierp een korten blik op het kaartje, waarop in sierlijke letters stond John Babberton,—„dat kan ik niet aannemen.”
„Ik verzoek er u nogmaals om. Beschouw het als geleend geld, en geef het mij later weerom.”
Mister Babberton bood Ellen de hand. Zij greep deze en boog zich, alsof zij er een kus op wilde drukken; maar snel onttrok hij haar zijn hand.
„Kan ik in dit oogenblik nog iets voor u doen, beste Miss?”
„Ja, mijnheer, ik bid u dringend om raad en hulp. Ik ben nog ongelukkiger dan gij vermoeden kunt. Eén uur geleden hoorde ik van mijne moeder, die ik dood waande, dat zij nog leeft. En op denzelfden tijd, in hetzelfde uur, heb ik haar met mijn vader verloren.”
„Ik begrijp u niet goed, vertel mij toch alstublieft wat u meent.”
Door krampachtig snikken onderbroken vertelde Ellen alles, wat haar haar vader had toevertrouwd.
Met nieuwe meer stijgende verbazing volgde Babberton Ellen’s verhaal. Toen zij geëindigd had, haalde hij een electrische zaklantaarn te voorschijn, en zeide:
„Nu, miss Ellen, wij zullen eens zoeken, of de ring niet te vinden is”.
Samen begonnen zij, schrede voor schrede, den vloer, af te zoeken. Plotseling bukte Babberton zich en hief een glanzend voorwerp op, dat dicht bij een tafelpoot lag.
„Wat is dat nu?”
„Hebt u den ring gevonden?” vroeg Ellen, en blijde hoop klonk uit haar toon.
„Neen, niet den ring,” antwoordde Babberton, „maar iets anders, doch ik kan nauwelijks aannemen, dat het u behoort”.
Met deze woorden legde hij een manchetknoop op de tafel en liet het licht van de zaklantaarn daarop vallen.
Een zee van licht scheen van den knoop uit te gaan, Het leek een pyramide uit briljanten bestaande, waarom zich een slang kronkelde, uit de prachtigste saphieren samengesteld. Twee schitterende robijnen moesten de oogen van het reptiel voorstellen.
„Deze knoop vertegenwoordigt een klein vermogen,” riep Babberton uit. „Hoe komt die dan hier?”
„Ik heb er geen begrip van. Nooit heb ik zoo iets schoons gezien,” antwoordde Ellen met de grootste bewondering.
Een triomfantelijke lach ging over het gezicht van onzen menschenvriend.
„Nu meen ik het verloop te begrijpen. Wilt gij toestaan, miss Ellen, dat ik dezen knoop voorloopig behoud? Hij zal ons goeden dienst doen. Ik geloof u thans beslist te kunnen verzekeren, dat gij binnenkort uw ring terug zult hebben. Hier, in het aangezicht uws gestorven vader zweer ik u, dat ik zijn lijden wreken zal op de schurken, die het veroorzaakten.
„Ik beschouw het als mijn levenstaak een helper van armen en ellendigen te zijn, en de schurken te straffen, die zich vetmesten van het bloed en zweet der armen. Vertrouwt gij mij?”
„Mr. Babberton, gij zijt zoo goed. Ik leg mijn lot geheel in uwe hand.”
„Goed, lieve miss Ellen, en gij zult u daarover niet berouwen. Ga nu mee, ik zal u in een goed hotel brengen, dan behoeft gij dezen nacht niet met den doode te samen te zijn.”
„Ik dank u van harte, maar ik ben niet bang. Hier is mijn plaats.” [7]
Met deze woorden trad Ellen op het sterfbed haars vaders toe.
„Dan wensch ik u goeden nacht!”
De deur viel achter Babberton in het slot. Snikkend zonk het meisje bij het lijk haars vaders neder.