We bevinden ons in een jonggezellenkamer in de Fleetstreet. Het is ’s morgens tien uur, van een klaren herfstdag, en de zonnestralen weerkaatsen in de kamer op allerlei wapenen en gereedschappen, die er uitgestald zijn.
Zware Indische tapijten, luipaarden en tijgervellen bedekken den vloer. Geweren van zeldzamen vorm, pistolen en messen waarvan het handvat met kostbare edelsteenen is ingelegd, hangen aan den wand. Overal verspreid staan afgodsbeeldjes, vazen en allerhande vreemde spullen.
Men zou zich haast verbeelden in een museum te zijn; als niet één voorwerp storend werkte op den kunstzinnigen beschouwer: tegen een der wanden van de kamer staat een groote ijzeren brandkast.
Voor een elegante schrijftafel, aan den tegenover liggenden kant van het vertrek zit een man. Hij draagt een Indischen slaaprok, rijk met goud opgestikt, en een grauw onderkleed van den laatsten smaak.
Juist heft hij zich met een ruk op en werpt woedend een brief weg, dien hij tot op dit moment met groote opmerkzaamheid had gelezen.
Nu eerst is zijn gezicht goed op te nemen. Een paar kleine, schitterende oogen in een vaalgeel gelaat, geven de aanvankelijk elegante, flinke verschijning iets terugstootends. Een breed litteeken, van den rechterslaap tot den mondhoek, doet hem ons aanstonds herkennen als de man, die in het kamertje van den stervende was geslopen, om den geheimzinnigen ring te stelen.
„Gelooft die schelm werkelijk, dat ik mij door hem zal laten verschalken,” siste hij, vol haat.
Op dit moment deed zich een eigenaardig geruisch hooren.
John Brown—zooals wij hem maar zullen blijven noemen—ijlde naar een decoratief, naast de brandkast. Hij schoof een Indisch tapijt, dat als ondergrond diende voor verscheidene wapens, terug en drukte op een veer.
Als door een onzichtbare hand aangeraakt, schoof het decoratief geluidloos een halven meter naar achter; alleen de wapens tikten even zacht tegen elkaar.
Door de op deze wijze ontstane smalle opening kwam een zeldzaam figuur naar voren. Op een dwergachtig klein lichaam, dat door een grooten bochel nog meer ontsierd werd, zat een naar verhouding bespottelijk groot hoofd, met een stekeligen vuurrooden haardos.
Met een grijnslach knikte de binnenkomende John Brown toe, en sloot dan met een korten ruk de geheime deur.
Aan de manier waarop hij dat deed was duidelijk te zien, dat hij niet voor de eerste maal dezen geheimzinnigen weg gekomen was.
„Goeden morgen, John. Je hebt me laten roepen, vriend, en hier ben ik nou.”
Met deze woorden bood de dwerg John zijn verminkte hand, waar de wijsvinger aan ontbrak.
Ietwat dralend drukte onze gastheer de hand van den roode. [8]
Een spotachtig lachje trok over diens jenevergezicht.
„Wees maar niet bang. Je kent die hand toch wel? Die heeft het toch aan jou vriendelijkheid te danken, dat hij vandaag niet heelemaal compleet is. Maar wat is er aan de hand, my boy. Daar moet toch iets bijzonders wezen, dat uwe Lordschap mij zoo snel hierheen ontbiedt.”
Zich makkelijk neerzettende op een ottomane, haalde de bochel een pijpje te voorschijn, stak er den brand in, en keek John aan, benieuwd wat er komen zou.
Deze nam het voorlaatste nummer van de „Times” van zijn schrijftafel, trok een stoel bij en vroeg aan den bochel:
„Is je aandacht gisteren niet gevallen op een zeldzame advertentie van een mooie vondst, Jim?”
Deze trok zijn gezicht weer in een grijns, terwijl hij antwoordde:
„Je weet toch, dat gevonden voorwerpen me dan alleen interesseeren, als ik ze zelf gevonden heb, en dan adverteer ik ze niet.”
Met een knorrenden lach gaf Jimmy dit, naar zijn meening zeer geestige antwoord.
Zijn metgezel sloeg er geen acht op, doch las met een sonore, welluidende stem de volgende annonce:
GEVONDEN
gisteravond een kostbare manchetknoop. De eigenaar wordt verzocht een nauwkeurige beschrijving daarvan aan het onderstaand adres op te zenden. Als die beschrijving klopt, zal den eigenaar het gevondene aanstonds worden teruggebracht, daar de vinder geen belooning wenscht. X. E. 10 Postkantoor 3.
Toen John uitgelezen had, keek hij vol verwachting den bochel aan.
Deze deed alsof hij niets merkte; hij besteedde al zijn opmerkzaamheid aan het schoonmaken van zijn pijpje.
„Nu, Jim, wat zeg je daarvan?”
„Waarvan?”
„Wel, van deze advertentie?”
„Wat zal ik daarvan zeggen? Dat moet een vreeselijke ezel van een vent zijn. Dat vindt een kostbaren knoop, gaat dat dan gauw adverteeren om hem weer kwijt te raken, en wil niet eens een belooning hebben. Maar heb je me daarvoor met zoo veel haast ontboden, om me wat uit een oude krant voor te lezen?”
„Neen Jim, maar met die advertentie hangt een zeer merkwaardige gebeurtenis samen, die me een beetje ongerust maakt. Ik had eergisteravond nog een klein zaakje op te knappen. Je weet, hoe of ik op ouderwetsche versierselen verlekkerd ben. Nu, om kort te gaan, ik was in de gelegenheid om een ouden ring machtig te worden.”
De bochel knikte John vergenoegd toe, met dichtgeknepen oogjes.
„Het is maar goed, my boy, dat je zegt „machtig te worden.” Als je gezegd had, ik was in de gelegenheid, den ring te koopen, dan zou ik je in je gezicht uitgelachen hebben, want ik weet genoeg, hoe jij je kostbaarheden „machtig wordt.””
„Schei toch uit met die flauwiteiten”, zei John nijdig. „Wij weten best wat we aan elkaar hebben, en jij kan je je geestige opmerkingen sparen.”
„Allright, my boy, zoo als je wilt,” bromde Jim en hield zich weer druk bezig met zijn pijp.
„Dus zoo als ik zei, op mijn wandeling— —”
„Wandeling is goed,” grijnsde Jim.
„Staak toch eindelijk dat vermaledijde spotten en luister liever,” riep John nu woedend.
„All right,” murmelde Jim.
„.… dien avond verloor ik een van de manchetknoopen, die gij ook kent. De pyramide van briljanten met de kleine slang, het teeken mijner waardigheid als grootmeester van onzen bond.”
„Arme boy,” grinnikte. Jim boosaardig, „Je weet toch, wat Schiller gezegd heeft: „Und fällt der Mantel, muss der Herzog nach.” Nu was het wel een manchetknoop, doch je kunt niet weten.…”
„Je kunt je geestige opmerkingen wel voor je houden, en mij liever raad en hulp geven.”
„Op welke manier, my boy? Zal ik den knoop gaan zoeken? Dan moet je me eerst vertellen, waar ge dien fameusen ring „gekocht” hebt,” hoonde de bochel.
„Wees toch eindelijk verstandig, en laat me uitpraten. Ik heb den knoop al weer terug.”
„Nu dan, mijn liefje wat wil je nog meer?”
„Toen ik gisteren de krant doorlas, viel die advertentie mij dadelijk op. Ik twijfelde geen oogenblik, of het was mijn manchetknoop. Ik schreef dus dadelijk een hoffelijken brief, met een nauwkeurige beschrijving, en verzocht den vinder bij mij te komen. In plaats daarvan echter krijg ik van morgen met den eersten post een brief met aangegeven waarde. Ik doe dien open, en vind, tot mijn groote vreugde, den verloren manchetknoop.”
„Aha, nu kom ik er eindelijk achter,” aldus onderbrak de bochel hem, „nu heb je me gauw laten halen, [9]om met een ouden vriend deze blijde gebeurtenis te vieren, onder een lekker fleschje wijn.”
Zonder op dit gesnap te letten, ging John voort:
„Behalve den zorgvuldig verpakten knoop vond ik in het pakket een briefje, waarvan de inhoud me om verschillende redenen zeer heeft verontrust.”
John stond op, liep naar de schrijftafel en nam den brief op, dien hij bij het binnentreden van den bochel had weggeworpen.
„Luister. John Brown Esq.”
„Alle duivels,” klonk het uit den mond van den bochel, die opsprong, alsof hij door een adder gebeten werd.
Zonder hier acht op te slaan, ging John voort:
„John Brown Esq!
Uit dit opschrift, dat zeker oude herinneringen bij u opwekt, zult ge begrijpen, dat ik weet, wie mister John Blakhorst, als hoedanig gij u voorstelt, vroeger was. Ik weet echter nog meer … Uw manchetknoop zend ik u heden terug, onder mededeeling echter, dat ik mij daarvoor den Indischen ring als vindersloon zal inruilen. Ik moet dat wel zelf doen, want het is bezwaarlijk te verwachten, dat gij hem mij zult zenden.
John C. Raffles.”
John liet de hand, waarin hij den brief hield, zinken, en sloeg den indruk gade, dien de inhoud er van op Jim gemaakt had.
Deze stond, de handen in de broekzakken, te overpeinzen en kauwde op zijn pijp. Langzaam zijn hoofd oprichtende trok over zijn gezicht weer dat half satanische, half goedmoedige grinniken.
„Well, my boy, ik geloof wel, dat je dat dwars zit. Hoe komt die meneer aan de wetenschap van jou vroegere pseudoniem? En wie is die meneer?”
„Wie?” snauwde John, „weet ge niet wie Raffles is? Ge hebt toch zeker wel van den gentleman-dief gehoord, die kortelings den geweldigen diefstal van het paarlencollier heeft opgeknapt, en die door zijn raadselachtige inbraken gansch Scotland Yard in beweging houdt. De pers zelfs verkneukelt zich er over, dat alle pogingen van de politie, om den dief te vangen, mislukken.”
Een knorrend gelach deed de bochel hooren.
„Alle duivels, natuurlijk! Ik heb ook al zoo om hem gelachen, maar de naam was mij ontschoten. Dat moet een fameuse kerel zijn; dien wou ik wel leeren kennen.”
„Nu, wie weet, mijn brave Jim, of je daarvoor niet heel gauw gelegenheid hebt, al is het de vraag, of je er dan nog zoo mee ingenomen bent. Thans kondigt dat heer mij zijn bezoek aan. Ik denk de politie om haar bescherming te vragen.”
„My boy, dat deed ik in jou plaats nu liever niet,” wierp de bochel tegen. „Wie, als gij, een paar donkere bladzijden in zijn levensboek heeft, die moet niet zoo de aandacht van de politie op zich vestigen.”
„Wie zal mij wat maken? Ik ben als een rijk man bekend, leef van mijn renten en verzamel oudheden. Mijn vroegere kleine zaakjes gaan niemand wat aan. Maar nu ter zake. Je bent toch nauwkeurig bekend met de ijzeren kist, die in den muur gebouwd is bij het altaar in onze z.g. Grot der Verdoemden. Ik weet, dat ik me volkomen op je verlaten kan. Hier is een briefje, dat je het woord noemt, waarmee je het letterslot van de kist kunt openen. Nu neem je dit kleine pakje, gaat naar den geheimen ingang, die behalve aan Wabson alleen aan jou bekend is, en zet het pakje in de groote kist. Ik ben zeker, dat die verduivelde schoft, die Raffles, zijn woord houdt en terug zal komen, om me te bestelen. De ring zal hem echter niet in handen vallen, al zou hij er hemel en aarde voor bewegen.”
Met deze woerden opende John Blakhorst, zooals wij hem met zijn eigenlijken naam maar noemen zullen, de brandkast, en nam er een klein pakje uit, dat hij Jim overhandigde.
Deze liet het pakje achteloos in zijn rechter broekzak glijden.
Zorgvuldig sloot Blakhorst de brandkast en legde den sleutel in een vak van zijn schrijftafel.
Toen hij zich omkeerde, zag hij den bochel nog altijd op dezelfde plaats staan, met een lucifer in zijn pijp peuterende.
„Wat sta je nu nog hier? Ga heen, en doe nu precies, wat ik je gezegd heb.”
„Nu niet zoo driftig, my boy,” grinnikte de bochel. „Je weet wel, dat ik je graag van dienst ben, en dat jij je op mij verlaten kunt. Als je echter zeer ver loopen moet, dan krijg je dorst onderweg, en het zakgeld, dat je mij zoo vriendelijk gegeven heb, is op.”
Somber fronste Blakhorst zijn wenkbrauwen.
„Pas eergisteren heb ik je vijf pond gegeven, en nu heb je weer geen geld?”
„Ja, my boy, dat is gisteravond alles in Hesterstreet er aan gegaan.”
„Kan je dan dat vervloekte spelen niet nalaten?” foeterde Blakhorst „Als ik me niet zoo absoluut op je verlaten kon …”
„En als je,” onderbrak Jim hem grijnzend, „niet [10]zoo erg mijn stilzwijgendheid noodig had, dan was het anders.”
Met een halfgesmoorden vloek wierp Blakhorst den bochel twee guinea’s, ƒ 25, toe.
„Wel wat weinig, my boy!”
„Maak, dat je weg komt!”
„Nu, nu, my boy, nu niet zoo zenuwachtig. Raffles staat nog niet op den drempel,” hoonlachte de bochel, terwijl hij op de veer van de geheime deur drukte.
Eenige oogenblikken later was hij verdwenen, en vertoonde de kamer weer haar gewone voorkomen.
Aan de middelste deur werd geklopt.
Blakhorst stond op, en deed open. Het vriendelijke gezicht van een oude vrouw vertoonde zich.
„Wel, wat is er, Betsy?” vroeg Blakhorst.
Zijn huishoudster hield hem een zilveren presenteerblad voor, waarop een keurig visitekaartje lag, en zei daarbij, op den luiden toon, aan doove menschen eigen:
„Mr. Blakhorst, deze heer wenscht u te spreken.”
Op het kaartje stond: John Babberton.
Blakhorst kon zich niet herinneren, ooit dien naam gehoord te hebben en zei daarom kortaf:
„Laat mijnheer binnen komen.”
De huishoudster trok af, om vlak daarop met den bezoeker terug te keeren, wien zij de deur opende.
In elegant visite-toilet, heelemaal een gentleman, trad John Babberton over den drempel. Om zijn mond speelde een vriendelijk lachje, toen hij zich voor Blakhorst boog, en zei:
„Ik moet u uitdrukkelijk mijn verontschuldiging aanbieden, dat ik u zoo maar lastig kom vallen. Waar ik echter meen, u een dienst te kunnen bewijzen, hoop ik dat daarmee mijn indringen geëxcuseerd zal worden.”
„Ik ben tot uw dienst,” zeide Blakhorst, een beetje koel, terwijl hij zijn gast een zetel toeschoof.
Even neigende, dankte Babberton en liet zich in den fauteuil neder. Met een enkelen oogopslag, zonder onbescheiden te lijken, nam hij toch scherp zijn heele omgeving op.
Toen de heeren beiden plaats hadden genomen, vroeg Blakhorst, terwijl hij den inhoud van zijn cigarettenkoker zijn gast offreerde:
„En waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Babberton nam een cigaret, maakte dan met de hand een afwerende beweging en zeide:
„Laat mij u vertellen, wat mij hierheen brengt. Voor eenige dagen hoorde ik in mijn club van uw kostbare verzameling Oostersche wapens en oudheden. Ik zelf ben ook een groote vriend van zulke antiquiteiten, en zou graag eens uw verzameling willen zien. Daar zoo’n verlangen van een vreemdeling misschien wat zonderling schijnt, zoo veroorlooft gij mij zeker wel dat ik mij van te voren voor de vriendelijkheid erkentelijk toon.”
Met deze woorden haalde Babberton een pakje uit zijn zak. Toen hij het los gemaakt had kwam een klein gouden Indisch afgodsbeeldje te voorschijn.
Blakhorst was kenner genoeg, om de aanzienlijke waarde hiervan dadelijk op te merken. Met begeerlijke oogen keek hij naar het kunstwerk.
Babberton, die hem scherp in de gaten hield, en dat heel goed merkte, reikte Blakhorst het afgodsbeeldje met een triomfantelijk lachje over.
„Ik zie tot mijn vreugde, dat deze kleinigheid uw belangstelling wekt, en ik verzoek u daarom, het een plaatsje te geven in uwe verzameling.”
„Maar mr. Babberton, hoe kan ik van u, die mij tot nog toe een onbekende waart, zulk een kostbaar geschenk aanvaarden?”
„Voor mij beteekent het geen verlies, zooals gij misschien gelooft,” antwoordde Babberton, „want ik bezit nog een tweede exemplaar. Ik zal mij verheugen, als gij mij bij gelegenheid de eer van uw bezoek wilt aandoen, om u dan ook mijne verzameling te laten zien.”
„Maar met het grootste pleizier. Misschien kan ik u op eenigerlei wijze erkentelijkheid toonen. In ieder geval aanvaard ik dankbaar dit kostbaar stuk, en hoop mijn revanche te zullen nemen,” zei Blakhorst, wien de hebzucht te pakken had.
„Mag ik u nu mijne verzameling toonen?” Met deze woorden wilde hij opstaan.
Babberton echter legde de hand op zijn arm en zeide:
„Ik verzoek u, mij nog een oogenblik te willen aanhooren. Waar wij éénzelfde liefhebberij er op nahouden, durf ik mij nog een gewichtig verzoek te veroorloven.”
„Spreek gerust, waarde heer, ik ben geheel tot uw dienst.”
„Het is een zéér delicate zaak, die mij bezighoudt,” ving Babberton aan.
Hij sprak langzaam en met nadruk, schijnbaar zijn aandacht verdeelend tusschen zijn cigarette en zijn vingertoppen, maar inderdaad scherp het gelaat van Blakhorst bestudeerende.
„In de Club, waar ik van uw kostbare verzameling [11]hoorde, werd mij ook door een goeden vriend, dien ik niet noemen kan, verteld, dat gij ook in nadere betrekking staat tot een kring, welks bestaan door den een wordt ontkend, door den ander volgehouden.”
Blakhorst verbleekte lichtelijk.
„Ik weet werkelijk niet, welke vereeniging gij meent, ik behoor tot verscheiden clubs.…..”
„Nu, mr. Blakhorst, ik wil voorop stellen, dat ik steeds een groote vriend ben geweest van geheime vereenigingen, en dat ik bereid ben, elk gevraagd geldelijk offer te brengen. Ik bezit in Indië groote diamantmijnen, en ben in de gelegenheid om uw verzameling nog met menig kostbaar stuk te verrijken. Ik verzoek u daarom zeer, mij de middelen en de wegen aan te geven, hoe ik in de „Vereeniging der broeders van den duivel” kan worden opgenomen. Ik geef u mijn woord, dat ik van uw inlichtingen niets jegens mijn vrienden zal loslaten.”
Blakhorst speelde zenuwachtig met de kwast van zijn crapaud. Op zijn gelaat las men duidelijk een tweestrijd in zijn binnenste.
Na een kleine pauze begon Blakhorst:
„Ik weet heusch niet wat ik doen en zeggen moet. Gij zijt zoo vriendelijk tot mij gekomen.…”
„En ik zal uw goedheid nooit vergeten, als gij mijn verzoek wilt inwilligen.”
Blakhorst stond op en liep met groote schreden heen en weer in de kamer. Dan zeide hij:
„Overmorgen, Donderdag, heeft een samenkomst plaats. Ik zal met de bestuurders spreken en u introduceeren. Geloof nu echter niet, dat gij veel zult beleven, want iedere nieuweling moet heel wat proefstukken afleggen.”
„Ik onderwerp mij aan alle voorwaarden.”
„Goed. Gij gaat met den trein tot Stonebridge-Park. Van het station komend gaat ge de laan door naar rechts, ongeveer twaalfhonderd passen ver. Dan komt ge aan een klein huisje. Als ge aanklopt, doet een oude vrouw open, en die zal vragen, wat ge verlangt. Dan legt ge den wijsvinger van uw rechterhand op uw hart, en zegt: Goddam.
„Dan zult ge binnen gelaten worden. Ge loopt twee kamers door, en klopt dan driemaal op den rechterwand van de laatste kamer. Het verdere zult gij dan wel merken.”
Babberton was opgestaan en reikte Blakhorst de hand.
„Ik dank u zeer. Gij zult zien, dat ik uw vriendelijkheid niet vergeet en ze reciproceeren zal. Hoe laat moet ik Donderdag naar dat huisje in Stonebridge Park gaan?”
„Tegen negen uur ’s avonds.”
„Dank u zeer. Mag ik u nu nog vragen, om mij uw verzameling te laten zien?”
Blakhorst liet eenige wapens en gevesten zien, en vertelde er een en ander bij. Na eenige minuten echter, zei Babberton:
„Ik zie in uw verzameling niet die producten van goud en edelgesteenten, die in Indië zoo mooi gemaakt worden.”
„O, toch,” antwoordde Blakhorst lachende, „die zijn er ook.”
Hij ging naar zijn schrijftafel en haalde uit de geheime lade den sleutel van de groote brandkast.
Op het oogenblik, dat hij zich voor de brandkast keerde, pakten twee sterke armen hem van achteren beet, en voor hij tot bezinning kwam, voelde hij een prop in den mond en een doek werd over zijn gezicht geworpen.
Een eigenaardige, zoete lucht werd in de kamer merkbaar.
„Chloroform,” steunde Blakhorst,—en meteen zonk de sterke kerel in elkander.
Triumfeerend keek Babberton naar hem:
„Zoo, mijn jongen, nu weet ik alles, wat ik weten, wilde. Dus in Stonebridge Park ben je te vinden. Eindelijk heb ik dan het spoor van die woeste bende, de Broeders des Duivels. Daar je zelf zoo vriendelijk waart, mij de sleutels tot de kostbaarheden te geven, zal ik zoo vrij zijn, er een ruim gebruik van te maken. Om te beginnen zullen wij het afgodsbeeldje weer meenemen, je hebt het gezien, vriendlief, en dat was genoeg.”
Met den sleutel, dien hij Blakhorst ontnam, opende hij zonder moeite de deur van de brandkast en nam er alles uit wat er aan kostbaarheden en baar geld te vinden was.
Toen de brandkast leeg scheen, zocht hij zenuwachtig verder in alle hoeken.
„Waar is de ring?” vroeg hij zich eindelijk moedeloos af. „Ik heb mijn beschermelinge beloofd, hem terug te brengen, en moet mijn woord houden.”
Daar alle zoeken in de kluis vergeefsch was, ging Babberton een kijkje in de schrijftafel nemen. Hij doorzocht iedere lade, elken hoek. Vergeefs! Onder de papieren trok een brief, dien hij in de geheime lade gevonden had, zijn opmerkzaamheid. Hij vloog hem snel door. Groote verbazing teekende zich op zijn gelaat [12]af. Eindelijk stak hij het schrijven met een tevreden lachje in den zak en zei halfluid:
„Mijn beschermelinge, de kleine Ellen, kan zich verheugen. Kan ik haar vandaag ook den ring niet brengen, zoo weet ik toch, waar haar moeder te vinden is.”
Op de schrijftafel lag een stuk papier. Babberton nam plaats, en schreef er de volgende woorden op:
John Brown!
Heb ik ook vandaag den ring niet gevonden ik zal verder zoeken. Ik kom terug, en zàl hem vinden, op mijn woord van eer!
JOHN C. RAFFLES.
Toen haalde hij den nog immer bewustelooze den prop uit den mond, stak de geroofde kostbaarheden in de zakken van zijn overjas en verliet, alsof er niets gebeurd was, de kamer. [13]