[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

IN HET HOL DER VERDOEMDEN.

Toen John Raffles het Huis van Blakhorst verlaten had, sprong hij in een cab, en gaf den koetsier zijn adres in de nabij gelegen Oxfordstreet, waar hij onder den naam van mr. Babberton op kamers woonde.

Binnen eenige minuten was hij thuis. Zijn vriend Charly, met wien hij samenwoonde, liep in den salon ongeduldig heen en weer.

Toen hij Raffles zag aankomen, opende hij hem zelf de deur.

„Gauw, Charly,” riep John Raffles, haastig binnenstormende, „mijne vermomming, die ik voor de Hesterstreet gebruik. Maak voort, we moeten zoo gauw mogelijk hier vandaan.”

De secretaris zocht gauw het noodige bijeen, en Raffles verkleedde zich vlug. Onderwijl vertelde hij zijn vriend, wat hem gebeurd was.

„Eindelijk, Charly, weet ik waar die schurken, die Broeders des Duivels, hun schuilhoek hebben. Al heb ik voor het oogenblik ook niet meer bereikt, dan dat ik weet waar die vossen hun hol hebben, dat is toch al heel wat. Wij zullen de schoften verder scherp in de gaten houden. Bij deze expeditie zal ik echter dringend uw trouwe hulp noodig hebben. Luister nu goed. Ik moet in ieder geval den eersten trein naar Stonebridge-Park pakken. Als me dat lukt, dan ben ik een heel eind. Want je kunt op je vingers uitrekenen, dat Blakhorst, als hij weer bij komt en begrijpt, wie hem met een bezoek vereerd heeft, dadelijk naar Stonebridge zal gaan, om de portierster te vertellen, wat er aan de hand is. In geen geval kan hij den eersten trein echter halen, en daardoor heb ik twee uur voorsprong. Dat is genoeg.

„Gij pakt intusschen al onzen rommel in en stuurt die naar het station. Knap het zoo op, dat gij in twee uur alles klaar hebt en volg mij in een vermomming met den volgenden trein.

„Als ge dan soms Blakhorst ontdekt, verlies hem dan niet uit het oog. Ge moet in elk geval in de buurt blijven van het huisje, dat ik u beschreven heb, want ik denk, dat ik uw hulp zal noodig hebben. Wat er verder gebeuren moet, dat zullen we dan moeten zien, maar ik verlaat mij vast op u!”

„Dat kunt ge ook,” antwoordde Charly. „Ik zal alles gereed maken en stipt op tijd in Stonebridge-Park zijn.

„Dan Good bye, mijn jongen!”

Met deze woorden ging John Raffles de deur uit, en niemand had in dat misdadigerstype den eleganten gentleman gezocht, die tien minuten geleden met een cab was voorgereden.

Tot den hoek van de straat slenterde hij langzaam door, alsof tijd geen geld voor hem was, maar onderwijl keek hij toch scherp uit naar een leeg rijtuig. Juist kwam er een om den hoek, en Raffles wenkte hem, te stoppen.

De koetsier was met dit vrachtje, dat hem weinig beloofde, maar matig ingenomen. Maar toen deze hem een vijf-shillingstuk in de hand drukte, klaarde hij in eens bij.

„Zoo hard als je rijden kunt naar het Westend-station. Als je daar binnen tien minuten bent, dan zit er een goede fooi op.”

Met deze woorden verdween de Groote Onbekende in het rijtuig. De koetsier nam de zweep op, en in dolle [14]vaart ging het op het Westend-station toe. Vlak voor het station sprong Raffles met groote handigheid uit het nog in volle vaart doorgaande rijtuig, wierp den koetsier, die zoo gauw zijn paarden niet kon inhouden, twee shillings toe, en verdween in het station.

Snel als de wind kocht hij zich een spoorkaartje, stormde de stationstrap op, en kwam nog juist bijtijds om in een leege coupé te kunnen springen. De locomotief floot, en langzaam zette de trein zich in beweging.

„Dat is net gesnapt”, hijgde hij ademloos en ging makkelijk in een hoek zitten.

In Criclewood kwam nog een oude vrouw in de coupé, die er echter in Willsden weer uitging, zoodat Raffles het laatste traject alleen bleef. Kort vóór de aankomst van den trein in Stonebridge-Park overtuigde hij zich nogmaals of hij zijn Browningrevolver, het fleschje met chloroform en de electrische zaklantaarn bij zich had. Daar alles in orde was, mompelde hij tevreden:

Allright, het spel kan beginnen; laten we hopen, dat bet een blijspel zal wezen.”

Ter plaatse gekomen, wandelde hij aanstonds de laan in, hem door Blakhorst uitgeduid, en telde oplettend zijn voetstappen.

In zijn begrijpelijke opwinding had hij zeker te groote passen genomen, want binnen tien minuten had hij een klein huisje bereikt, dat goed in de verf zat. Vriendelijk lag het daar met een kleine veranda in een aardigen tuin.

Niets opvallends was er aan te bemerken; stil en vredig lag het daar en geen geluid stoorde de stilte.

„Zou ik verkeerd gegaan zijn?” mompelde Raffles.

„Blakhorst zei twaalfhonderd schreden. Ik heb er pas duizend afgelegd, maar het naaste huis ligt minstens even ver hier vandaan, als dit van het station. Wij zullen het dus maar eens probeeren.”

Gauw besloten ging de Groote Onbekende het hek door en liep snel door den kleinen voortuin.

De huisdeur vertoonde niets wat op klopper of schel leek, en daarom gaf Raffles met een sleutel, dien hij uit zijn zak haalde, eenige slagen op de deur.

Sloffende voetstappen kwamen langzaam naderbij. Een vrouw van gevorderden leeftijd opende een kleine, bijna onzichtbare klep. in de deur. Zij monsterde den vreemde wantrouwig, en vroeg, wat hij wenschte.

Raffles legde den wijsvinger van zijn rechterhand op het hart, en sprak het wachtwoord uit, dat Blakhorst hem had verklapt: „Goddam”.

Zonder een stom woord te zeggen, schoof de oude de klep toe en opende de deur.

Het was een vrouw, ongeveer in het midden der vijftiger jaren. Het gezicht verried de liefhebster van den drank, en maakte een terugstootenden, brutalen indruk, dien haar kleine, valsche oogen nog verhoogden.

De oude bekommerde zich, nadat ze de deur gesloten had, heelemaal niet meer om den binnengekomene. Zij zette zich weer in haar leunstoel, en verdiepte zich in de lectuur van een rooverroman, van tijd tot tijd de jeneverflesch, die naast haar stond, aansprekende.

Naar de hem verstrekte aanwijzingen liep Raffles de twee rechts gelegen kleine kamers door.

De inrichting daarvan verried door niets, voor welk bijzonder doel zij eigenlijk dienden. Alles maakte een welgestelden en soberen, eigenlijk kleinburgerlijken indruk. Voor de vensters witte gordijnen, en daarvoor wat bloeiende planten. Een regelmatig tikkende klok op den schoorsteen bracht heelemaal een huiselijke stemming te weeg.

Toen Raffles de achterste kamer binnengetreden was, die zich weinig van de andere onderscheidde, zag hij zich voor den geheimzinnigen wand geplaatst. Hoofdschuddend bekeek hij dien. Hoe hij zijn oogen, die toch aan het speuren gewend waren, ook inspande, hij kon aan dit eenvoudig grauw-groen behangsel niets bijzonders zien. Twee oude schilderijen, blijkbaar familieportretten, in ovale vergulde lijsten, hingen aan den wand. Het eene portret stelde een heer voor in zwarten rok gekleed, naar het model van het midden der vorige eeuw. Het andere vertoonde het borstbeeld van een vrouw, waarvan alleen de helroode keelbanden opvielen.

Nadat Raffles zich overtuigd bad, dat hij alleen was, betastte hij voorzichtig met de handen bet behangsel; hij vond echter niets bijzonders.

Ontstemd trad hij eenige passen terug, om dan den wand nogmaals aan een scherp onderzoek te onderwerpen. Daar dit ook geen resultaat had, nam hij zijn revolver in zijn rechterhand en gaf met zijn linker drie krachtige slagen tegen den wand.

Al zijn zenuwen waren in actie. Hij wachtte eenige minuten in de grootste spanning. Maar vergeefs; niets verroerde zich.

Juist wilde hij het kloppen herhalen, toen eenige doffe slagen op de buitendeur klonken.

Hij hoorde, hoe bet oude wijf brommend en mopperend opstond en naar de deur slofte. [15]

Met een sprong als een kat dook hij achter een leuningstoel, dien hij eerst zoo had neergezet, dat hij er achter vandaan tot aan de huisdeur zien kon.

Het oude wijf had intusschen de deur geopend, en naar binnen tuimelde.… onze vriend de bochel.

„Nu Jim,” knorde het wijf, „je bent weer in een fijnen toestand.”

De bochel deed zijn bekend gegrinnik hooren.

My dear, schimp niet, geef me liever een zoen.” Met deze woorden liep Jim op de oude toe, met uitgebreide armen, en bracht zijn jenevergezicht bedenkelijk dicht bij het hare.

„Kom mij niet weer te na, oude zuipschuit,” bromde het wijf en gaf Jim een flinken por, zoodat zijn zwakke beenen onder hem wegschoven. Vloekende viel bij op den grond.

„Kom, kom, wees toch niet altijd zoo ruw,” suste Jim, terwijl hij langzaam weer opkrabbelde. Het wijf keek niet meer naar hem op, terwijl Jim zijn pijp opscharrelde en dan met een verlegen uitdrukking zich tot de vrouw keerde.

„Zeg eens, je moet den baas niet verklikken, dat ik … Het was zoo heet, en de weg is lang—je weet toch, hoeveel,—hoeveel of ik van je hou.”

Jim legde zijn verminkte hand op het hart, en stond zwaaiend voor het oude wijf.

„Laat me met rust, en loop naar den duivel,” schreeuwde zij woedend.

„Dat zal ik doen,” antwoordde Jim en begaf zich langzaam, overal een steuntje nemende aan de meubelen, naar de achterkamer.

Raffles had een en ander natuurlijk met groote belangstelling gehoord. Toen hij bemerkte, dat Jim dronken was—hij kende hem uit de boevenkroeg in Hesterstreet, waar hij hem meermalen in zijn tegenwoordige vermomming had aangetroffen—was zijn plan gauw gemaakt. Hij zette zich languit in een stoel, sloeg de beenen over elkaar, en stak een cigaret op.

„Holah, kreupele Dick,” riep Jim, als hij Raffles in de gaten kreeg.

Dan, plotseling een oogenblik nuchter, vroeg hij schuchter: „Dick, heeft de baas je hierheen gestuurd, om mij na te gaan? Hij kan gerust wezen. Ik heb zijn ring goed bewaard, en zal hem juist gaan opbergen. Je mag het zelf zien.”

John Raffles keek of hij een oorvijg kreeg? Wat bedoelde hij toch met dien ring? Zou Jim in het bezit van het Indische kleinood wezen? En was Blakhorst dan „de baas”? Deze en andere gedachten vlogen hem bliksemsnel door het brein.

Ondertusschen was Jimmy het venster genaderd. Hij opende den rechtervleugel van de opstaande ramen, en tastte met zijn verminkte hand langs de kozijnen.

„Wel verdoemd! Nou kan ik den knop heelemaal niet vinden. Blijf daar niet zoo sloom zitten, en help me liever een handje,” mopperde Jim tot Raffles.

„Ik geloof,” zei Raffles, „dat je zoo dronken bent dat je niet eens weet, wat je met den knop doen moet.”

„Hoor zoo’n groen! Ik weet alles.”

„Nou ja, vriendje, laat dan eens hooren.”

„Men draait den knop naar rechts, en drukt dan op de schroef beneden,” kletste Jim.

„Prachtig, bravo! Nu zie ik toch, dat je nog niet zoo bezopen bent, als ik dacht,” lachte Raffles, en sloeg den bochel familiair op den schouder.

„Zie je wel. En zeg nu niets aan Blakhorst er van, dat ik een borrel te veel gehad heb. Ik ben rooden Juning tegengekomen. Die had een goeden slag geslagen, en wou een spelletje doen; daardoor is het een beetje laat geworden.”

Raffles werd onderwijl toch wel wat onrustig. De tijd ging voorbij, en nog had hij niets bereikt. Daarom zei hij tot Jim:

„Het wordt laat, en jij moet den ring nog opbergen.”

„Je hebt gelijk, hartsvriend. Wees zoo vriendelijk, mijn jongen, en maak den boel open.”

De dronkeman wees met zijn hand naar het venster.

Raffles volgde de aanwijzingen, die den bochel hem zoo even gegeven had.

Nauwelijks had hij de schroef neergedrukt, of het ingewikkelde mechanisme zette zich in beweging, en de heele wand zonk in de diepte weg.

Met verbazing merkte Raffles het op, maar hij zette natuurlijk een gezicht, alsof hij het honderd keer gezien had.

„Nou, ga mee, my boy,” grijnsde de bochel, en trad door de opening in een kleine kamer, die er heel gewoon uitzag. De Groote Onbekende volgde hem.

„Zullen we den boel niet eerst weer in orde brengen,” vroeg Raffles, wien het er vooral om te doen was, het mechanisme precies te leeren kennen, want hij had eenig vermoeden, dat hij hier vandaag niet voor den laatsten keer zou zijn.

„Als jij zoo’n ordelievend mensch bent, doe het dan zelf maar.” [16]

„Ja, beste Jim, maar je weet dat ik niet zoo sterk ben als jij.”

Gevleid grinnikte de bochel. Met zijn zalvende stem zei hij:

„Ja, ja, jullie hebt geen merg meer in de beenderen. Kom, vooruit. Druk jij maar hier op den knop rechts, dan zal ik intusschen de veer vast houden.”

Nauwelijks hadden zij het gedaan, of zonder eenig geluid steeg de wand uit de diepte op, en sloot de opening weer af.

Nu wist Raffles genoeg. Hij begreep thans ook, waarom de wand aan geen van beide zijden behangen was, en waarom hij er nergens een veer of knop had gevonden.

„Zoo, mijn jongen,” grijnsde Jim, „nu heb ik jou geholpen, nu moet jij mij echter ook helpen, die vervloekte kast opzij te schuiven.”

Met deze woorden wees hij op een zware kast in den tegenover gelegen hoek staande.

Toen de kast verzet was zag Raffles met verbazing een valdeur in den vloer.

De bochel bukte zich, om die open te trekken, doch dat ging niet fortuinlijk. Zijn waterhoofd scheen te zwaar te zijn, en met een onderdrukten vloek viel hij languit op den grond.

Raffles hielp het dronken zwijn weer op, en maakte nu zelf de valdeur open.

Vloekende en razende steeg de bochel een trap af, die zich aan Raffles’ nieuwsgierigen blik vertoonde. Deze volgde den dwerg op den voet.

Plotseling ging een electrische lamp op, en verlichtte de trap zoo helder of het dag was. Jim had het licht opgedraaid.

Toen ze de trap af waren, kwamen ze aan een zware deur, die aan beide kanten met matrassen bekleed was, en toen Jim deze geopend had, betraden ze een onderaardsche gang. Aan het einde daarvan, na ongeveer 150 meter loopens, troffen ze weer een deur, evenals de eerste aan beide kanten bekleed.

Jim draaide aan een knop in het midden, en de ingang opende zich. Beiden bevonden zich nu in een vertrek, van vijf bij ongeveer vier en een halven meter. De zoldering was geverfd, en er hing een kroon van af.

Midden in het vertrek stond een zwarte doodkist.

Door een lichtschijn aangetrokken, wendde Raffles nieuwsgierig het hoofd.

Tegenover den ingang, die zich geluidloos zelf gesloten had, was een transparant aangebracht.

En daaronder—Raffles verstijfde van ontzetting—was een rij glazen met een verschrikkelijken inhoud. De Groote Onbekende had sterke zenuwen, maar wat hij hier zag was hem toch te sterk.

In ieder van de met spiritus gevulde glazen zat een menschelijke wijsvinger.

Waarschuwend schenen deze den beschouwer toe te roepen:

„Wees voorzichtig!”

Onthutst stond Raffles te kijken, en hij kon den blik niet van die glazen met hun afschuwelijken inhoud afwenden.

Daar klonk achter hem de grommende stem van den dronken bochel:

„Wel, my boy, je zoekt zeker mijn vinger? Daar bovenaan, de zesde van rechts, dat is hem.”

Onwillekeurig keek Raffles naar de rechterhand van den bochel. Deze strekte z’n hand uit, en grijnsde:

„Zou je het wel gelooven, dat die mooie vinger daar eenmaal gezeten had. Maar laat hem maar waar hij is, hij heeft het er goed. Den heelen dag zit hij in de spiritus en de rest van den vent moet zich zijn positie zien te krijgen door een glaasje brandy.”

Met walging keerde Raffles den praatjesmaker den rug toe. Deze scheen in zijn dronkenschap die beweging verkeerd uit te leggen. Hij sloeg Raffles tenminste op den schouder, en zei:

„Nou hoef je niet zoo groot te doen, my boy, omdat jij je vinger nog hebt? Wie zal zeggen, hoe lang dat nog duurt? Ik zeg je, het gaat verdoemd snel, en onze baas verstaat geen gekheid. Drink je eens een glaasje te veel, en kan je dan je mond niet houden—dan ben je je vinger zoo kwijt. Ik zeg je, het was een beroerde geschiedenis, toen ze me gekneveld hier naar binnen sleepten.”

De bochel wees op een tweede deur.

„Het bestuur was feestelijk bijeen, en zou uitmaken, welke straf ik verdiend had, en welke van de drie organen, die ik, evenals ieder toegetredene, den bond had gezworen hem toe te behooren, den wijsvinger, de tong of het hart, ik zou moeten afstaan. Ik kan je zeggen, my boy, dat het me niet wel te moede was; mijn hart klopte, alsof het uit mijn lijf springen wou, en mijn tong ging heen en weer, alsof ze zich voor altijd uitgepraat hield.

Daar werd uitgemaakt, dat ik onder een goeden dronk alleen van ons eedgenootschap gesproken had, maar geen van onze verzamelplaatsen of eedgenooten [17]had genoemd, stelde de baas zich voor ditmaal tevreden met den vinger. Ik zeg je, het is toch maar een puik middel. Je wordt er voortdurend aan herinnerd, wat je gedaan hebt; zelfs het teeken van het verbond kan ik slechts met het stompje van mijn vinger maken.”

Zwijgend had Raffles deze uitweidingen aangehoord. Vloekend begon de dwerg nu zijn zakken te onderzoeken.

„Waar heb ik nu dien vervloekten ring? De baas heeft mij toch het sleutelwoord voor het geheime slot opgeschreven. Ik kan het ding niet vinden.”

Zoo schimpende naderde de bochel de deur op den achtergrond, die hij met den voet openstootte.

De Groote Onbekende, die hem gevolgd was, zag een helsch donkere diepte voor zich. De bochel drukte op een knop en meteen schitterende een electrisch licht.

Het was een buitengewoon groot vertrek, met acht groote nissen. Drie kronen verlichtten het, en wierpen hun schijnsel op een uitbouw, die er uitzag als een altaar en aan de voorzijde waarvan een schilderij, voorstellende den Duivel, die een heerlijk schoone vrouw in den arm houdt, terwijl hij haar met zijn rechterhand het hart uit het lijf scheurt.

Achter het altaar stond, op een verhooging, een zetel, langs welks leuningen zich ringslangen kronkelden, hun opengesperde afschuwelijke muilen naar den toeschouwer keerende.

In de acht nissen bevonden zich lage, Oostersche rustbedden, die in hun verlokkende molligheid een eigenaardig contrast vormden met de gruwzame omgeving.

Op den achtergrond van het vertrek stond een groot hakblok. Een bijl, een scherp geslepen dolk en een tang, die voor het uitrukken van de verkeerde tongen diende, lagen daar gekruist overheen.

Terwijl Raffles een en ander opnam, probeerde Jim een zware ijzeren kast te openen, die in den muur naast het altaar stond.

„Dick, kom toch hier, en help mij,” riep hij eindelijk tot Raffles, „ik kan dat vermaledijde slot niet openkrijgen.”

Hij gaf hem het briefje, dat hij van Blakhorst gekregen had en dat het geheime woord voor het slot bevatte.

„Rechts Erna, links Fakir,” las Raffles.

Vlug had hij het slot ingesteld, en zonder moeite ging de kast open.

„Daar, Dick,” neuriede Jim, „leg er nou den ring in, en maak dan de kast weer toe; mijn pijp is weer uitgegaan.”

En zich makkelijk neervleiende op een der rustbedden in een der nissen, wijdde Jim zijn aandacht aan zijn pijp, die weer eens, tot zijn verdriet, niet trekken wou.

Zoo vond Raffles gelegenheid, om onbemerkt den ring uit het etui te nemen. Eén oogopslag had hem overtuigd, dat de ring die van Ellens vader was.

Zijn oogen straalden van triomf; zijn hoofddoel, had hij bereikt. Hij liet den ring in zijn zak glijden. Snel greep hij een notitieboekje, rukte daar een blad uit, waarop hij eenige woorden geschreven had, en legde dat in de kast.

Graag had hij den verderen inhoud ook eens bekeken; maar Jim, die zijn pijp weer in orde had gemaakt, stond op, en kwam op hem toezwaaien.

„Nu, my boy, jij bent ook niet gauw klaar. Ik wou hier graag vandaan. Mijn keel is droog, en in dit vervloekte hol kan je niet eens brandy krijgen.”

„Alles is net klaar, Jim,” zei Raffles, terwijl hij het deksel van de kast dichtwierp.

Het viel den beschonkene niet op, dat de kast niet gesloten werd. De Groote Onbekende had met voordacht het slot niet versteld, in de hoop, onbemerkt den verderen inhoud van de kast te kunnen inspecteeren.

„Vooruit, vooruit, my boy,” drong Jim aan. „De tong kleeft aan mijn verhemelte.”

Raffles, die geen mogelijkheid zag, om nu onbemerkt bij den geheimen schat te komen, wendde zich naar de deur, waardoor beiden waren binnengekomen.

„Hallo, boy, niet daaruit. Ik weet een korteren weg.” Grinnikend wenkte Jim Raffles. „Daar je me zoo prachtig geholpen hebt vandaag, zal ik je iets verklappen, wat ik zelf nog maar pas ontdekt heb. Hier achter dien stoel is een kleine deur, die naar een kleine trap voert. Wij komen daar uit direct in een kreupelbosch, en zijn dan maar vijf minuten van de herberg van Peter Patt. Die heeft fijne brandy. Kom mee, ik houd je vandaag vrij, want jij bevalt me, boy.”

Onderwijl hadden beiden zich naar den stoel met de slangenkoppen begeven.

Toen de deur geopend was, werd een kleine trap zichtbaar, die door een ijzeren valdeur afgesloten werd.

„Hier moet je eens flink helpen,” zei Jim. „Op de deur liggen graszoden, en die moeten wij er af gooien.”

Raffles zette zijn sterke schouders onder de deur en hief die zonder al te groote moeite in de hoogte. [18]

Nauwelijks waren Jim en Raffles uit de donkere gevangenis gekropen, of ze ontdekten in de laan van Wellesder Green, die daar vlak langs liep, een automobiel, die in razende vaart naderde.

„Verdoemd,” riep de bochel, en dook op den grond, „daar heb je Blakhorst. Ik ken dien groenen wagen precies. Gauw, gauw, Dick, wij moeten weer naar beneden, opdat de baas niet merken zal, dat wij den geheimen uitgang kennen.”

Met een vlugheid, die men den bochel in zijn beschonken toestand niet zou hebben toegeschreven, was hij weer in de diepte verdwenen. Raffles stond als geboeid stil. Hij volgde met zijn oogen de in razende vaart naderende automobiel.

Zijn scherpe blik had bemerkt, dat iemand zich achter den automobiel had vastgemaakt. Bliksemsnel schoot het hem in de gedachte: „Dat is Charly.”

Met bezorgdheid zag hij toe: die ging zoo zijn ondergang tegemoet. Een kreet van schrik kwam over zijn lippen. De gestalte maakte zich plotseling van den automobiel los en verdween in de dichte stofwolken.

Onwillekeurig was Raffles eenige schreden vooruitgehold, alsof hij den gevallene helpen wilde. Hierdoor stond hij nu op een open grasvlakte. Hij zag dat de gevallene opstond en snel op Raffles, die hij had opgemerkt, toeliep. Het was Charly, die zijn vriend naderde.

„Ik heb alles gezien,” riep Raffles hem toe. „Wacht hier op me! Maar oogen en ooren open!”

Met deze woorden verdween hij in de diepte, en bevond zich weinige oogenblikken later weder bij Jim.

Dit alles wat we hier vertellen, was bliksemsnel gebeurd.

„Doe gauw de deur dicht,” riep Jim.

Raffles zei, dat het gebeurd was, maar zoowel de valdeur als de deur achter den stoel had hij open gelaten. Hij stond tusschen het altaar en den stoel, een weinig in de schaduw, zoodat Blakhorst, die juist den hoofdingang instormde, hem niet opmerkte.

Schuimbekkend van razernij vloog deze op den bochel toe.

„Waar is de ring? Is hier een vreemde geweest?”

Zonder antwoord af te wachten, vloog hij op de kast af. Die opentrekkende, greep hij met sidderende handen naar het etui. Een kreet van woede klonk van zijn lippen: het was leeg!

Met van ontroering heesche stem las hij halfluide het briefje, dat hij in het etui gevonden had:

John Brown!

Ik heb den ring en den schat!

John C. Raffles.

Half waanzinnig van woede wierp Blakhorst zich op den bochel.

„Hond! Verdoemde! Dat heb ik aan jou te danken. Hier, dat is voor jou!”

Hij greep den scherpgeslepen dolk, die op het blok lag, wierp zich op den bochel en stootte hem het staal in de borst.

Met een rochelend geluid zonk Jim op den grond.

Zich omkeerende werd de moordenaar plotseling de figuur van den Grooten Onbekende gewaar, die onbewegelijk toegezien had naar wat zich daar bliksemsnel voor zijn oogen had afgespeeld. Met een dierlijk gehuil wilde Blakhorst zich op Raffles storten; de dolk schitterde in zijn hand.

„Terug!” donderde Raffles hem tegen, de revolver in zijn linkerhand.

Blakhorst lette niet op die waarschuwing, maar stormde verder. Een welgemikte boksstoot maakte hem onschadelijk.

„Voor jou soort is de kogel zonde.”

Met deze woorden en een onuitsprekelijk verachtelijken blik keerde Raffles het „Hol der Vervloekten” den rug toe. Bij de geheime deur gekomen, keerde hij zich nogmaals om en riep waarschuwend:

„Geloof niet, dat uw straf u geschonken wordt. Voor vandaag heb ik wat beters te doen, maar ik kom terug, om met u, menschelijke hyena, eens en voorgoed af te rekenen!”

Daarna ging hij snel naar den uitgang.

Hij vond er Charly op hem wachtende.

„Vooruit, Charly, waar is de auto?”

„Daar voorbij die bocht wacht hij.”

Beiden liepen er heen. Voorzichtig voortsluipende, wierp Raffles zich plotseling op de zitplaats van den chauffeur, en gaf dezen een slag tegen den slaap.

Charly ving den bewustelooze op, samen legden zij den man in het gras, en trokken hem zijn jas uit. Toen ze hem den stofbril afnamen, ontsnapte Raffles een uitroep van verbazing:

„Wel, wel, zijn goede vriend Wabson! Jij en Blakhorst zijn elkaar waard, en zullen je straf niet ontgaan.”

Vlug had de Groote Onbekende de kleeren van Wabson aangetrokken, en niemand herkende in den [19]chauffeur den armoedigen schooier, die het huis aan de voorzijde was binnengegaan.

Raffles en Charly bestegen de auto, en voort ging het, de laan uit en naar Londen.

Als ze nog eens omkeken, zagen ze Blakhorst verschijnen, die zeker van zijn bezwijming bekomen was. Met een van woede vertrokken gelaat en gebalde vuisten staarde hij de vluchtenden na.

Charly liet een lustig „tuf-tuf” hooren, en Raffles wenkte vriendelijk met de hand zijn verslagen vijand een afscheidsgroet toe. [20]