[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

RAFFLES HOUDT ZIJN WOORD.

Terwijl John Raffles en zijn vriend al meer en meer de Engelsche metropolis naderden, vertelde eerstgenoemde wat hij alzoo ontdekt had.

Vol afgrijzen hoorde Charly het verhaal aan van de geheimen, die het „Hol der Vervloekten” verborg.

„En gij wilt dien schurken ongestraft hun schandelijk bedrijf weer laten voortzetten?”

„Zeker niet, Charly, maar we hebben vooreerst iets beters te doen, want de ongelukkige Ellen verlangt zeer naar haar moeder. Ook zal het goed zijn, te wachten tot die schurken zich eerst weer een beetje veilig achten, dan zal ik een geheime zitting trachten bij te wonen, om mij eerst goed van den heelen omvang hunner misdaden op de hoogte te stellen. Maar thans moet in de eerste plaats het geheim van den ring worden uitgevorscht, en voor alles Ellen aan haar moeder teruggegeven.”

„Hoe wil je dat aanpakken, John? Wij weten niet eens, of zij leeft, laat staan, waar ze te vinden is.”

„Mijn waarde Charly, ik weet allebei.”

Verbaasd keek Charly hem aan, en vroeg:

„Ben je dan alwetend?”

„Neen, mijn waarde, maar ik kijk goed uit mijn oogen, en ik reken ook een beetje op mijn goed geluk. En ik moet zeggen, dat Fortuna mij vandaag al héél vriendelijk gestemd is geweest.”

John Raffles haalde uit zijn portefeuille het briefje, dat hij ’s morgens uit de geheime lade van Blakhorst’s schrijftafel had genomen, en reikte het Charly over.

Toen deze den brief gelezen had, gaf hij hem terug en zeide:

„Wat is die Blakhorst toch een schoft. Hoe roerend smeekt de moeder, toch iets van haar kind mede te deelen, als hij er iets van weet. Dat Blakhorst al lang wist, waar Ellen te zoeken was, is heel duidelijk, maar ik geloof dat hij deze vrouw eerder op een valsch spoor gebracht zou hebben, dan haar te helpen.”

„Ik ben overtuigd, Charly”, antwoordde Raffles, „dat hij heelemaal niet geantwoord heeft. Nu, in elk geval moeten wij de moeder het kind, en beiden den ring teruggeven. Laten we daarom zoo gauw mogelijk naar de moeder rijden, wier adres gelukkig in den brief staat.”

„Barking Road ligt toch bij Victoria-Docks?” vroeg Charly.

„Zeker, vooruit maar. Neen, wacht nog een oogenblik. Gij kunt nu best de auto sturen, dan zal ik in de auto den ring eens wat nader bekijken. De koekoek hale me, als ik het geheim niet zou vinden.”

Charly nam de plaats van Raffles in, en deze ging in den wagen zitten. Daar haalde hij den geheimzinnigen ring uit den zak, en bekeek hem van alle kanten. Niets bijzonders was er aan te zien. De eigenaardige steen, waarin de kop van een Indiër gesneden was, leek niet al te dik, want eenige kontoeren van het kunststuk waren doorschijnend; ook de keerzijde van den steen was geheel zichtbaar. Het goud waarin hij gevat was, scheen massief te zijn.

Raffles wilde den ring al weer in zijn zak laten glijden, toen zijn onderzoekende blik op het goudplaatje, dat onder den kop een beetje vooruitsprong, een kleine inkeeping meende te ontdekken. [21]

Met een scherpe loupe ontdekte hij nu een nietig klein pennetje, dat op het ongewapende oog den indruk van een inkeeping had gemaakt

„Als dat een pennetje is, dan moet het er ook uit te trekken zijn”, mompelde Raffles, en haalde uit een etui in vestzakformaat eenige zeer kleine werktuigen.

Maar zoo makkelijk als hij het zich voorgesteld had, ging het toch niet. Eerst na veel moeite lukte het hem, het pennetje te grijpen en er uit te trekken. Op hetzelfde oogenblik viel er iets in zijn hand: het was een rond plaatje.

Hij keerde den ring om en merkte, dat een klein plaatje, aan den onderkant van den steen, losgelaten had. Zoo dun als een blad papier was het geslepen, en zoo aan den onderkant van den steen bevestigd. Zoo gauw als het pennetje was uitgetrokken, kwam een heel klein springveertje naar buiten. Door dezen buitengewoon kunstvollen arbeid was een kleine ruimte ontstaan. Hierin bevond zich een stukje dun perkament, dat met oneindig kleine teekens en letters bedekt was.

John Raffles nam zijn loupe en zocht de teekens te ontcijferen. Met veel moeite las hij:

70.5°—12.2° Mangalur ††† 13.1.

„Mangalur,” vroeg Raffles zich af. „Dat is immers een havenplaats aan de westkust van Indië.”

Plotseling ging hem een licht op.

„Dat komt uit. 70.5 graad oosterlengte en 12.2 noorderbreedte, dat moet zoo ongeveer een eilandengroep in de Arabische zee zijn; maar laten we verder zien.”

Weder zocht hij met zijn loupe de verbleekte teekens te ontraadselen. Hij vond nog een kleinen driehoek, van waar een pijl naar links wees. Een beetje verder een punt, ontstaan door het snijden van twee lijnen.

Nadenkend staarde Raffles voor zich uit, terwijl hij het stukje perkament in zijn portefeuille borg. Dan bracht hij het kleine plaatje weer op zijn plaats, en schoof het pennetje terug. Dat ging nu heel wat makkelijker in zijn werk en zoo zag de ring na eenige oogenblikken er weer net uit als vroeger.

Daar de automobiel nu al in meer bevolkte gedeelten van Londen gekomen was, wilde Raffles, om opzien te vermijden, niet meer van plaats ruilen. Hij boog zich daarom naar Charly over, en riep hem toe:

„Ik heb het gevonden. In den ring was een stukje perkament, en dit verwijst ons—ja, waarheen denk je wel?”

„Nu, waarschijnlijk naar de plaats, waar de schat van den Indischen Prins te vinden is.”

„Precies. Wat denk je, zullen we een reisje naar Indië maken?”

Op dit oogenblik stuurde Charly de automobiel de Oxfordstreet in.

„Kijk eens, John, al die menschen voor ons huis,” riep hij.

„Je wil zeggen, voor ons vroegere huis,” antwoordde Raffles, „wees maar bedaard, mijn jongen, we zullen dadelijk eens kijken. In onze vermomming, en met die stofbrillen, herkent geen sterveling ons.”

Voor het huis, waar Raffles en Charly tot nog toe gewoond hadden was een heele menigte saamgeloopen, zoodat de auto langzaam moest rijden. Duidelijk hoorden Raffles en Charly uitroepen, als: „Wat zeg je, de beruchte Raffles woont hier?”—„Ze hebben hem!”—„Zeker, zooeven hebben ze hem gekneveld binnengebracht!”—„Hoe ziet hij er uit?” vroeg nieuwsgierig een kleine vrouw.—„Hij is rood, en niet half zoo groot als ik,” antwoordde een rijzige slagersgezel. „Hoe is ’t mogelijk,” zei het vrouwtje, „ik had hem mij groot, slank en zwart gedacht.”

Op dit oogenblik verscheen de inspecteur van politie Baxter op de vlakte.

„Is het huis omsingeld?” vroeg hij den eersten den besten agent.

Deze verklaarde van wel.

Intusschen had de automobiel zich tusschen de lieden doorgedrongen om ruimer baan te krijgen. Baxter bemerkte hem, en zei tot Marholm, die hem begeleid had:

„Is dat niet mr. Blakhorsts auto? Ik ken hem aan die opvallende groene kleur. Wat jammer, dat hij niet stil houdt. Wij konden hem dan meteen even confronteeren met dien schoft, dien Raffles, die vanmorgen vroeg bij hem ingebroken heeft. Probeer hem gauw in te halen.”

Inspecteur Baxter ging het huis binnen, terwijl Marholm zich met een zuurzoet gezicht, in beweging zette om aan den hem verstrekten last te voldoen. Ondanks zijn zwaarlijvigheid begon hij hard te loopen, en schreeuwde: „Mr. Blakhorst! mr. Blakhorst!”

Zoo’n gelegenheid liet de lieve straatjeugd zich natuurlijk niet ontnemen, en zoo brulde al heel gauw alles:

„Mister Blakhorst! mr. Blakhorst!”

Het scheen echter, of deze stokdoof was. Hoe meer menschen schreeuwden, hoe harder of de auto er van doorging, en zoo was die gauw uit het gezicht. [22]

Marholm gaf de vervolging op, en keerde hoestend en blazend terug.

Raffles en Charly hadden natuurlijk vreeselijk pleizier toen ze het geschreeuw van de menigte achter zich hoorden, en zetten hun weg ongestoord voort.

Charly, Charly, ik ben er bang voor, dat we vandaag nog opgespoord worden. In elk geval moeten we ons klaar houden voor een groote reis, als de Londensche bodem ons wat al te heet wordt gemaakt. Heb je al onze spullen aan het hoofdstation bij elkaar?”

„Alles in orde. Je weet toch, dat je je op mijn beleid verlaten kunt.”

Inmiddels was de auto Barking Road opgereden en stopte voor No. 116.

MARY WARNER

stond met groote letters boven den ingang van een kleinen winkel.

Onderwijl Raffles in zijn chauffeurscostuum naar binnen ging, bleef Charly achter het stuur. Bij het openen van de deur ging een electrisch schelletje over.

Raffles nam de zaak gauw op. Het zag er uit als het depot van een zeepfabriek. Allerlei zeepen en parfums waren uitgestald.

De deur achter in den winkel ging open om een vrouw van middelbaren leeftijd door te laten. Zij vertoonde onmiskenbare sporen van vroegere schoonheid. Het welige zwarte haar was nu sterk vergrijsd, maar vertoonde nog een schoonen glans. Groote zwarte oogen zagen den kooper vragend aan. Het heele profiel duidde onmiskenbaar op verwantschap met Ellen.

Dit alles had Raffles met een blik bespeurd, en hij was heelemaal van allen twijfel bevrijd, of hij zich tegenover Ellen’s moeder bevond.

„Waarmee kan ik u dienen, mijnheer?” vroeg zij met welluidende stem.

„Mrs. Warner”, begon Raffles, „ik kom voor een particuliere aangelegenheid. Vooruit wil ik wel zeggen, dat ik u niets onaangenaams of treurigs wil vertellen; integendeel, iets dat u veel vreugde zal veroorzaken.”

„Wat zal dat zijn, mijnheer, dat gij mij als een blijde boodschap aankondigt. Mijn leven heeft zóó weinig vroolijke uren gekend, dat ik nauwelijks meer op vreugde durf hopen.”

Raffles nam den ring uit zijn zak en legde dien zwijgend voor mrs. Warner op de toonbank. Met een lichten kreet greep zij er naar.

„Mijnheer.…..”

„Babberton heet ik”, zeide Raffles neigende.

„Mr. Babberton, hoe komt gij aan den ring? Wat weet gij van mijn kind? Leeft zij? Breng mij tot haar!”

Angstig en toch ook trillend van vreugde klonken deze woorden van de lippen der bedaagde vrouw. In haar grenzenlooze ontroering was zij op een stoel neergezonken.

Bemoedigend legde Raffles zijn hand op haar arm.

„Verontrust u nu niet, waarde mevrouw. Daar ik vandaag geen meester van mijn tijd ben, moet ik u verzoeken dadelijk met mij in mijn automobiel te gaan, en binnen het kwartier zult gij uw kind in de armen kunnen sluiten.”

Toen mrs. Warner die woorden vernam, stond zij sidderend op.

„Mr. Babberton”, bracht zij onder snikken uit, „gij zijt mij een bode des hemels. Hoe zal ik u danken voor alles, wat gij voor mij doet?”

„Door zoo gauw mogelijk met mij mee te gaan, mistress, want mijn tijd is erg krap.”

Ondersteund door Raffles, begaf zij zich naar de auto, en weinige oogenblikken later bevonden zij zich allen op weg naar het huis in Whitechapel.…..

De laatste stralen der ondergaande herfstzon vielen door het nederig dakvenster, dat wij uit het begin van ons verhaal kennen.

Ellen was juist van een boodschap thuis gekomen. Zij maakte haar avondeten gereed, waarbij tranen haar over de wangen rolden.

Het bed aan de rechterzijde van het vertrek was leeg. De vader was uitgedragen naar de plaats van eeuwige ruste.

Ellen voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Wel had de gift van haar weldoener het mogelijk gemaakt, haar vader fatsoenlijk te laten begraven, en voorzag het overgeblevene in de nooddruft van den eersten tijd. Maar wat zou er dan van haar worden? Zij martelde zich dan ook steeds af hoe zij haar moeder zou kunnen terugvinden.

Met haar vriend en weldoener zou ze daar gaarne over gesproken hebben, maar sinds twee dagen had hij zich al niet laten zien.

Hij had haar beloofd, den ring te brengen, en naar haar moeder te zoeken. Zij stelde zulk een vast vertrouwen in zijn woord, dat het haar onvergeeflijk had toegeschenen hem door haar aandrang meer aan te vuren.

Van den toren der naburige kerk klonken zeven slagen. Toen de laatste klank was weggestorven, ontwaakte Ellen uit haar gepeins. Het was intusschen heelemaal donker geworden en zij stak een klein lampje aan.

Op de buitendeur werd geklopt, Ellen opende en [23]Raffles trad binnen. Ondanks zijn automobielcostuum herkende zij hem. Verheugd en blozende reikte zij hem de hand en zeide:

„O, dat is lief, mr. Babberton, dat ge komt; ik heb zoo naar u uitgezien.”

Nauwelijks waren haar die woorden ontglipt, of zij kleurde en sloeg de oogen naar den grond.

John Raffles scheen dat niet te merken en zei: „Mijn lieve miss Ellen, ik heb beloofd u den ring weer te geven; hier is hij.”

Met deze woorden legde Raffles het kleinood voor de oogen der verbaasde op tafel.

„Vraag mij niet, hoe ik hem heb gevonden. Hier is hij; dat moet u thans genoeg zijn.”

Overstelpt van dankbaarheid, met tranen in de oogen, reikte Ellen hem de hand.

Raffles hield haar hand vast, en keek haar zacht aan.

„Mijn lieve Ellen—”

Voor het eerst liet hij het stijve „miss” weg, en zijn stem werd warm, toen hij voortging:

„Mijn lieve Elly, ik heb nog iets voor u. Ik heb u beloofd, uw moeder te zoeken—en, wees nu flink, Ellen, want ook blijdschap kan doodelijk zijn—ik breng haar tot u.”

Wezenloos staarde Ellen Raffles aan. Een lichte trilling voer door haar leden; staroogend keek zij Raffles aan.

Raffles maakte de deur open en daar verscheen, door Charly ondersteund, mrs. Warner.

„Moeder.”

„Mijn kind!”

Beiden lagen in elkanders armen.

Hoewel ze jarenlang gescheiden waren, de stem van het bloed zei haar, dat zij één waren.

Met diepe ontroering zagen Raffles en Charly toe. Eindelijk trad de eerste op de vrouwen toe, en legde zijn hand zacht op Ellens schouder.

„Wees sterk, Ellen. Ik moet u nóg iets vertellen.”

Ellen en mrs. Warner grepen Raffles’ hand.

„Ellen en mrs. Warner, ik heb ook het geheim van den ring ontdekt.”

Hij vertelde beiden uitvoerig, wat wij reeds weten, en vertoonde hen het stukje perkament. Dan ging hij voort:

„Ik geloof uit een en ander te mogen afleiden, dat de schat in Indië is. Voor ieder van u zou het te bezwaarlijk zijn, er naar te zoeken. Als gij mij wilt vertrouwen zal ik het doen, en u den schat brengen.”

„Gij hebt mij mijn kind teruggegeven, en vraagt, of ik u vertrouw? Houdt den heelen schat, als gij hem vindt, hij kan niet grooter zijn, dan die, welken gij mij heden gebracht hebt.”

„Neen, mrs. Warner, ik wil den schat zoeken voor u en uwe dochter. Opdat gij intusschen voor gebrek bewaard moogt zijn, verzoek ik u deze duizend pond sterling van mij aan te nemen als een voorschot op den schat.”

John Raffles legde een pakje banknoten in de hand der moeder. Beide vrouwen wilden weigeren, maar hij zei beslist:

„Ik verzoek u dringend, dit aan te nemen, want alleen onder die voorwaarde wil ik naar den schat zoeken.”

De vrouwen wilden hem met dankbetuigingen overladen, toen er plotseling aan de buitendeur geklopt werd, en, zonder het „binnen” af te wachten, de politie-inspecteur Baxter binnentrad.

John Raffles rukte snel den stofbril voor de oogen, en trok zich een beetje in de schaduw terug.

„Goeden avond samen. Goeden avond mr. Blakhorst”, zei Baxter tot Raffles. „Ik zag daar net zoo uw automobiel voor de deur staan. Daar ik u al één keer niet bereikte vanavond, veroorloofde ik mij, hier binnen te komen. Ik wou u alleen maar mededeelen, dat wij dien Raffles weer niet gevonden hebben. Toen wij vanmiddag aan zijn woning kwamen, was de vogel al gevlogen.”

„Dat weet ik”, zei Raffles bedaard. Onderwijl was hij ongemerkt het dakvenster genaderd en had de pennen er uitgehaald; Charly gaf hij een korten wenk. Deze begreep hem en begaf zich achter Baxter om naar het venster.

„Watblief, weet u dat al?” vroeg Baxter verbluft.

„Ja, want ik ben zelf Raffles!”

Met deze woorden wierp de Groote Onbekende den stofbril op den grond en was met een koenen sprong het venster uit, op het dak gesprongen, waarin Charly hem bliksemsnel gevolgd was.

„Leef wel, mijne vrienden, ik zal u den schat brengen”, klonk het nog van buiten.

Alsof hij een slag op het hoofd gekregen had, zoo versuft stond Baxter een oogenblik; dan sprong hij vloekende als een kat ook het venster uit, het dak op.

Het was een steil, z.g. Schotsch dak, waarop nu een wilde jacht aanving.

Raffles en Charly probeerden eerst, de dakvorst te beklimmen. Den eenen voet op twee rechthoekig [24]saamgevoegde dakpannen steunende, nam de Groote Onbekende een krachtigen zwaai. Zoo gelukte het hem, een ongeveer vijf voet boven het dak venster aangebrachte ijzeren haak vast te krijgen. Als een kat in elkaar gehurkt, met als eenigen steun deze haak onder de voeten, schoof hij pijlsnel de hoogte in. Charly volgde zijn spoor getrouw.

Baxter probeerde oogenblikkelijk denzelfden weg te nemen, van tijd tot tijd op zijn politiefluit signalen gevende. Ook hij wist de haak te grijpen.

Juist op dat moment kwam een stuk dakpan, dat onder de zwaarte van Charly’s voet bezweken was, op de hand van Baxter.

Zoo scherp als een mes, sneed het hem diep in de huid.

Door pijn verlamd, liet Baxter de haak los en rolde onder een korten gil over het schuine dak naar beneden. Tot zijn geluk was de goot sterk genoeg om een stootje te kunnen velen. De inspecteur klemde zich vast en was het volgende oogenblik weer ter been.

Toen begon de vervolging weer opnieuw. Nu een anderen weg volgende, was Baxter spoedig weer in de hoogte, maar Raffles en Charly hadden al een aardigen voorsprong gekregen.

Maar onze inspecteur was een kranig turner, en zoo kromp de afstand tusschen hem en de vervolgden al meer en meer in.

Plotseling hoorde Baxter een gedempt gerucht en de beide vervolgden waren verdwenen.

Hij spande zich in, om zoo gauw mogelijk de plaats te bereiken, waar hij hen het laatst gezien had. Daar zag hij, langs een brandladder ontkomen, beneden in de schaduw Raffles en Charly. De maan zorgde voor een gratis verlichting.

Zonder zich te bedenken ging Baxter hen achterna. Daar zag hij aan het eind van een plat dak, dat voor twee naast elkander gelegen huizen diende, iets donkers door de lucht vliegen.

Haastig ijlde Baxter voorwaarts. Nu bevond hij zich aan een kruising van twee straten.

Voor hem grijnsde, zeven tot acht meter breed, een afgrond. Ontzet staarde hij in de diepte. Waar bevonden zich de vervolgden. Het scheen immers onmogelijk, dat zij dien doodsprong gewaagd hadden. En nauwelijks vertrouwde hij zijn oogen; maar hij zag ze werkelijk een moment opduiken op een huis aan den overkant, waarna ze in de schaduw verdwenen.

Barstend van woede nam Baxter den terugweg aan, door het eerste het beste dakluik, om zoo beneden de straat te bereiken. [25]