[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

GELUKKIG ONTSNAPT.

Verscholen in de schaduw van den gevel volgden Raffles en Charly de beweging van den inspecteur. Toen zij hem door het dakluik zagen verdwijnen, haalde Charly verruimd adem.

„Voorloopig zijn we het weer ontloopen, John. Maar wat nu?”

„Dat zullen we zien. In de eerste plaats moeten we naar beneden en zoo gauw mogelijk, naar het station. Baxter zal natuurlijk dadelijk dit blok huizen laten omsingelen om ons te arresteeren. We hebben dus niet veel tijd te verliezen.”

Onderwijl had Raffles de omgeving een beetje opgenomen.

„Edward, laten we toch gauw, net als Baxter, door een dakluik naar beneden gaan”, zei Charly een beetje angstig. De opwinding van de vlucht en de nog te verwachten gevaren hadden hem zenuwachtig gemaakt.

Lachend en rustig antwoordde Lord Lister.

„Maar beste kerel, nu merk ik toch, dat je zulke dingen nog niet veel meegemaakt hebt. Als wij door een dakluik kruipen en alle deuren gesloten vinden, wat dan? Neen, maar kijk eens, die fijne bliksemafleider, die zal ons beter van dienst zijn”.

„Aan zoo’n dunnen stang wilt ge naar beneden”, vroeg Charly onthutst.

„Zeker mijn jongen, kijk maar goed waar ik blijf, en kom me achterna”.

Raffles had zijn dikke automobielhandschoenen aangetrokken en begon naar beneden te glijden. Ontzet keek Charly hem na. Zijn hart stond stil, en hij geloofde ieder oogenblik zijn vriend naar beneden te zien storten.

Maar wat was dat? Raffles had zich met alle kracht tegen den stang aangedrukt. Een zwaai en hij was door een openstaand venster in een kamer verdwenen van de etage onder het dak.

Charly durfde zijn oogen niet te gelooven, maar daar keek Raffles al naar buiten, en riep halfluid, lachend zijn vriend toe:

„Kom, vooruit mijn jongen, kom nu!”

Charly was echter te zenuwachtig, en gleed door, het venster voorbij. Gelukkig greep een haak, die dienen moest om het venster open te houden, hem in de kleeren, en scheurde zijn broekspijp van onder tot boven toe. Gelukkig bleef hij daardoor hangen; en Raffles kon hem nog net bij den linkerarm vatten. Door den ruk was hij bijna zelf het venster uitgevlogen. Maar hij had zijn linkerschouder vast tegen het kozijn gedrukt, en daardoor vastheid gekregen. Zoo zag Raffles, dat het gevaar voorbij was, hij riep goedgeluimd, om Charly moed in te spreken:

„Niet zoo hard, mijn jongen! Je moet niet vóór mij beneden willen wezen; hier moet je door!”

Met deze woorden trok hij hem met een krachtigen ruk in de kamer en zette hem op een leuningstoel, die bij het venster stond.

„Hoe moet ik je genoeg danken; ge hebt mij het leven gered!”

„Ook nog bedanken? Wees liever niet boos, dat ik je in zoo’n gevaar gebracht heb, maar het ging niet anders. Laat mij je been eens kijken?”

John Raffles bekeek het been bij het licht van zijn zaklantaarn; het bleek leelijk geschaafd te zijn.

„Dat had leelijker kunnen afloopen, in drie dagen is het weer beter.”

„Behalve mijn broek,” antwoordde Charly lachend. [26]

„Dat zal best terecht komen, maar we moeten thans eerst eens kijken, waar we eigenlijk zijn.”

Raffles belichtte de kamer. Het was blijkbaar het slaapvertrek van een jonggezel. De deur van de aangrenzende kamer stond open en Raffles overtuigde zich dat die voor woon- en werkkamer diende.

Een paar bokshandschoenen en dictaatcahiers verrieden, dat de bewoner student was. In de slaapkamer teruggekomen, merkte Raffles dat Charly zijn beenwonde met water bekoelde.

„Goed zoo. Nu zullen we eens kijken, of hier een passende pantalon voor je te vinden is.”

In de kleerenkast vond Raffles een keurige pantalon, die Charly precies paste. De Groote Onbekende had intusschen den overigen inhoud van de kast aan een nadere inspectie onderworpen. Een elegant rokcostuum hing hij over de leuning van een stoel, en uit een hoedendoos diepte hij een fijne hoog-zijden op.

Charly had intusschen zijn kleeding weer in orde, en Raffles vermaande:

„Nu gauw, Charly, maak dat je wegkomt. Daar jij weinig bekend bent, kun jij het huis zonder gevaar verlaten. Stel je nu op straat zoo op, dat je het huis in het oog houdt. Ik moet zoowel den chauffeur als den misdadiger laten verdwijnen. Zoo gauw als ik er zóó uitzie dat ik mij in goed gezelschap kan vertoonen, kom ik naar beneden.”

Met deze woorden schoof hij Charly de deur uit en schoof van binnen den grendel erop. Dan maakte hij als de wind voort, om de kleeren van den student aan te trekken. Toen hij klaar was, keek hij in den spiegel en knikte tevreden. Geen sterveling zou in het elegante jongmensch, dat hij in den spiegel zag, nog het misdadigerstype uit Stonebridge Park of den over de daken vluchtenden chauffeur herkennen. Snel ging Raffles op de schrijftafel toe, haalde een bankbiljet van 10 pond uit zijn portefeuille en legde dit op de schrijftafel neer met een stuk papier, waarop hij eenige woorden gekrabbeld had.


Baxter was door het dakluik in een meidenkamertje terecht gekomen, dat met allerlei rommel volgestopt was. Nauwelijks kon hij er zich bewegen. Hij probeerde van binnen de schroeven, die het slot bevestigden, uit te draaien. Hij moest echter tot zijn verdriet constateeren, dat de kamer zeer goed gesloten was. Een dikke ijzeren stang zat dwars voor de deur.

Baxter kon er niet aan denken die stang te verbreken, daar hij niet één werktuig bij zich had, en hij ook onder den rommel niets vond, dat hij als breekijzer zou kunnen gebruiken.

De inspecteur bevond zich dus in een welverzekerde gevangenis.

Hij vloekte, raasde en schreeuwde. In zijn woede gooide hij een zwaar voorwerp op den grond, om door het geraas misschien de bewoners naar boven te lokken. Maar het gaf niets.

Toen hij zoo vijf minuten lang getobd en herrie gemaakt had, zag hij het vruchtelooze van zijn pogingen in en gaf hij het maar op.

„Dat lijkt hier wel een doofstommeninrichting!” vloekte hij en trachtte weer het dakluik te bereiken. Na eenige minuten was hij weer op het dak.

„Nu ben ik weer net zoo ver als eerst”, bromde hij. „Intusschen zullen de kerels wel ontsnapt zijn”.

Hij kroop naar het volgende dakluik, om daar zijn heil te zoeken. Nu had hij meer geluk. Zonder veel moeite kon hij de schroeven uit de deur halen en was in eenige oogenblikken op de trap.

Nauwelijks was de inspecteur op straat of hij liet zijn signaalfluit hooren. Van alle kanten kwamen agenten aangesneld, en Baxter gaf met veel berekening zijn bevelen.

Hij liet aanstonds naar alle richtingen telephoneeren, en in korten tijd was het heele huizenblok, waar naar Baxter’s meening de vluchtelingen verscholen moesten wezen, omsingeld.

Baxter met drie agenten zou zelf de eerste huizen onderzoeken. Juist was hij op de bovenste verdieping van een der huizen aangeland en wilde hij de trap naar den zolder opgaan, toen een deur geopend werd, en een slank gebouwd heer naar buiten kwam.

In zijn rokcostuum, met den hoogen hoed maakte deze een zeer gedistingeerden indruk. Terwijl hij de knoopen van zijn glacé-handschoenen dichtdrukte, vroeg hij Baxter:

„Wel, meneer de inspecteur, wat is hier te doen? Toch geen schoorsteenbrand hoop ik?”

„Neen”, antwoordde Baxter, den vreemde scherp opnemend. „Er zijn twee inbrekers over de daken gevlucht, die zich in een van deze huizen moeten verborgen hebben”.

„Is het mogelijk?” vroeg Raffles, want niemand anders dan hij was het, „ik heb toch heelemaal geen leven gehoord. Maar misschien komt het, doordat ik tot voor eenige minuten aan mijn schrijftafel heb zitten [27]werken. Nu, ia ieder geval wensch ik u veel succes. Good bye!”

Even lichtte hij den hoed, en ging dan naar beneden. Baxter zag op een naamplaat aan de deur staan:

PERCY OLDEN,
jur. stud.

„Zoo, zoo, een student,” mompelde Baxter, en volgde zijn luidjes, die ondertusschen den zolder hadden afgezocht—mismoedig kwam de inspecteur terug.

Op dit oogenblik kwam een blonde jonge man aan. Met verwondering zag hij de politie voor zijn deur, maar hij haalde den sleutel uit zijn zak en wilde naar binnen gaan. Tot zijn verwondering echter was het slot niet gesloten.

„Wat is dat nu?” riep hij verrast, „heeft men bij mij ingebroken?”

Die vraag werkte als een electrische schok op Baxter. Hij drong den jongen man op zij, en stormde de kamer binnen.

Midden in de kamer lag een hoop kleedingstukken. Op de schrijftafel zag Baxter een blad papier; de letters kwamen hem bekend voor. Als een panter wierp hij zich op het papier:

Waarde Heer!

Ik werd genoodzaakt, in uw afwezigheid, uw gastvrijheid in te roepen. Daar ik tot mijn spijt ook eenige kleedingstukken van u noodig had, verzoek ik u beleefd dit bankbiljet van 20 pond als vergoeding aan te nemen.

JOHN C. RAFFLES.

Met van woede bevende stem las Baxter het briefje halfluid voor. Marholm en de andere beambten, die met den jongen student waren binnengekomen, bulderden van het lachen. Met een grimmigen blik op Marholm, die zijn handen in de zijden hield van het lachen, viel hij op een stoel neer. Nu wist hij, wie hem zoo vriendelijk „goed succes” had gewenscht …


Charly was aanstonds in een tegenovergelegen bar gegaan, van waaruit hij de deur kon zien van het huis, waaruit Raffles verschijnen moest. Tot zijn schrik zag hij, hoe de politie het heele blok had afgezet, en merkte ook, dat Baxter juist dat huis binnenging.

De weinige bezoekers, die zich in de bar bevonden, stonden in de deur en vroegen zich af, wat dat politievertoon toch wel mocht beteekenen. Zoo vond Charly ongezocht de gelegenheid, tusschen hen instaande, om den huisingang in de gaten te houden.

Daar Baxter al een heelen tijd binnen was, zonder dat Raffles op kwam dagen, werd Charly bekommerd onder de zorg over zijn vriend, en hij wilde het huis weer binnengaan, om hem te zoeken. Op dat oogenblik kwam een elegant heer naar buiten, monsterde rustig den voor den ingang geposteerden agent, en sloeg dan rechtsaf.

Charly had zijn vriend herkend, en beijverde zich nu, om zonder de aandacht te trekken, de bar te verlaten.

Raffles slenterde langzaam de straat af, sloeg een, dwarsstraat in, en bleef voor een etalage staan kijken. Met volle attentie bekeek hij de uitstalling, tot Charly weer bij hem was.

„Goddank, dat je weer gezond en heelhuids hier bent”, fluisterde deze.

„Maar Charly, wat wil je toch. Ik vind zulk een kleine jacht zeer verfrisschend, bijzonder als je daarbij de gelegenheid hebt, om den sluwen Baxter daarbij een poets te spelen”.

Daar hun een leege cab passeerde, riepen zij den koetsier aan, en lieten zich naar het station rijden, terwijl Raffles onderweg zijn jongste avontuur vertelde.

„Maar nu geloof ik toch, Charly, dat het geraden is, Londen eenigen tijd te verlaten. Mij dunkt, we moesten naar Dover trachten te komen, en daar een schip vinden, dat ons naar Indië brengt. Wij moeten toch den schat zoeken. Als we een beetje geluk hebben, dan kunnen we binnen een paar maanden terug zijn, en dan kan ik mijn boezemvriend Baxter weer braaf ergeren”.

„Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik blij ben, Londen te kunnen verlaten, tenminste voor eenigen tijd. Alleen vrees ik, dat dat niet zoo gemakkelijk zal gaan. Als Baxter ontdekt heeft, dat we in dat huis zijn geweest, dan zal hij niet verder zoeken, zonder op alle stations een oog in het zeil te doen houden. Wie weet, wat deze veel bewogen dag ons nog brengt!”

„Jij bent veel te zwaartillend, Charly. Ik wil met je wedden, dat we morgen naar Calais stoomen. Natuurlijk moeten we voortmaken. Als ik me wel herinner, gaat om dezen tijd de nachtsneltrein naar Dover”.

Onder dergelijke gesprekken hadden onze vrienden het station bereikt. De dienstman gaf Charly zijn [28]bagagebiljet, maar verwonderde zich, toen hij hoorde, dat twee groote koffers als handbagage mee in het rijtuig moesten.

Intusschen had Raffles kaartjes genomen en geïnformeerd, wanneer de trein vertrok. Deze vertrok over zes minuten. Ze hadden dus net nog den tijd hun bagage te laten overbrengen, en een goed plaatsje te zoeken.

Raffles gaf den conducteur een fooi, met het oogmerk, dat deze er voor zorgde, dat geen andere passagiers in de coupé kwamen.

Nauwelijks had ieder zijn hoekje opgezocht, of de trein ging er van door.

Een zucht van verlichting kwam over Charly’s lippen; Raffles echter lachte, stak een cigaret op en zeide:

„Ik geloof, dat die fooi zijn uitwerking wel zal hebben, we zullen ongetwijfeld tot morgen niet gestoord worden. Overigens zal je gelijk hebben; Baxter zal telegrapheeren, om ons in Dover aan te houden; wij moeten dus verdwijnen”.

„Verdwijnen? Ja, dat wou ik ook wel. Maar hoe!”

„Dat zal gauw gebeuren, Charly. Help mij dezen koffer maar open maken”.

Aldus geschiedde, en Raffles haalde uit den koffer een scheermes, een schoteltje, een penseel en pasta.

„Wilt gij u thans gaan scheren?” vroeg Charly. verwonderd.

„Neen, maar ik wil jou scheren!”

Charly begreep er niets van, maar Raffles ging door:

„Ja, ja. Jou trots moet voor onze veiligheid vallen. Kom maar hier, mijn zoon”.

„Ik begrijp niet …”

„Dat is ook niet noodig; je zult voort zien”.

Als een geboren kapper schoor Raffles zijn vriend, die nu een zeer jeugdigen indruk maakte. Dan zocht hij verder in den koffer en haalde daaruit de japon voor een jong meisje, een sportpet en een kleine blonde pruik.

„Zoo, my boy, nu wordt je mijn dochter. Alsjeblieft. Ik zal je wel helpen.”

Charly brak in een luid geschater uit. Onder de geoefende hand van zijn vriend was hij alras in een allerliefst blond bakvischje omgetooverd.

De groote onbekende zelf deed zich een grooten grauwen boord aan en een dito pruik gaf hem een eerwaardig voorkomen. Zijn klare kijkers verborg hij achter een blauwen bril.

„Zie je nu, Charly, hoe goed of het is als je al je comediespullen bij je hebt,” schertste Raffles. „Wij zullen nu onze bagage een beetje verlichten en jou kleeren, evenals die van den student, weer inpakken.”

Met deze woorden opende Raffles een venster en wierp de kleedingstukken weg met de opmerking:

„Misschien vindt een arme duivel ze, die er pleizier van kan hebben.”


Toen Baxter het briefje op de schrijftafel gevonden had, overlegde hij wat hem te doen stond. Hij zond aan de politiebureaux der stations telegrammen met het signalement van Raffles als student. Dan nam hij een automobiel en ging, een innerlijke ingeving volgende, naar het hoofdstation.

Daar was zijn telegram al aangekomen en hij werd gewaar, dat zijn man twee kaartjes eerste klas naar Dover had genomen.

„Dat zijn de deugnieten!” Onder dien uitroep stormde Baxter het perron op en kon juist nog de roode lichten van den trein zien verdwijnen.

„Het lijkt wel, of die kerels een verbond met den duivel hebben,” klaagde hij. „Nu zullen ze mij echter niet ontglippen. De telegraaf is vlugger dan de spoor en nu ben ik zeker dat ze in dien trein zitten.”

Meteen maakte hij, na al de getuigen gehoord te hebben, proces-verbaal op. De rakkers zouden hem thans niet meer ontgaan.

Met opgerichten hoofde ging hij naar het telegraafkantoor om zijn diensttelegram af te geven. Alle stations waar de trein stopte werden gewaarschuwd. Uitvoeriger seinde hij naar Dover, onder mededeeling, dat hij met den volgenden trein nakwam. Hij wilde zich niet den triumf laten ontnemen, Raffles persoonlijk naar Londen te transporteeren.

Trotsch op zijn zekere overwinning en van zijn onfeilbaarheid overtuigd, ging hij naar de wachtkamer om den volgenden Dover-trein af te wachten.


Een heele drukte heerschte op het perron van de havenstad. Een groote menigte politie was langs het perron opgesteld.

Al wie gekomen was om zijn familie van den trein te halen, werd vandaag niet toegelaten op het perron: men moest achter de afsluiting blijven.

Twee inspecteurs vooral deden gewichtig en gaven de laatste aanwijzingen. Het publiek begreep niet, wat er aan de hand was, en de avontuurlijkste geruchten deden de rondte.

De een sprak van den Negus van Abessynië, een [29]ander van een vreemd dierenspel, een derde van een trein met nihilisten.

Daar klonk een langgerekt fluitje, en de nachttrein van Londen liep het station binnen.

Nog vóór de trein stilstond sprongen de agenten op de treeplanken. „Allen zitten blijven, niemand uitstappen! Deuren dicht!” klonk het overal.

De treinchef en de conducteur stegen uit en werden door één der inspecteurs in verhoor genomen. De conducteur had twee heeren gezien, die aan het signalement beantwoordden, en hij vertelde een fooi gekregen te hebben met het verzoek de heeren tot Dover alleen te laten.

De inspecteur wenkte twee man, liet zich de coupé wijzen en ging naar binnen. De coupé.…..was leeg.

Verbluft zagen de beambten elkander en den conducteur aan.

„Gij zult u in de coupé vergist hebben?” vroeg de inspecteur aan den conducteur.

„Dat is absoluut uitgesloten, mijnheer. Ik weet zeker, dat beide heeren in Londen hier zijn ingestapt.”

„Och wat, onzin, ge moet u vergissen. Ze kunnen zich toch niet onzichtbaar gemaakt hebben, of er uitgevlogen zijn? We zullen den heelen trein moeten doorzoeken. Vooruit! Drie man in den eersten wagen en drie in den laatsten, dan gaat het vlugger.”

Iedere hoek van de wagons werd nauwkeurig doorzocht. Dat was nogal makkelijk, daar het rijtuigen met zijgangen waren.

Toen de zes beambten in het midden van den trein elkander ontmoetten, constateerden zij dat het onderzoek vruchteloos was geweest. Men had niemand gezien, die aan het signalement beantwoordde.

De passagiers werden ongeduldig. Menig onvriendelijk woord werd gehoord.

Nogmaals werd de trein doorzocht, maar toen ook dat geen uitkomst gaf, moesten de inspecteurs wel, tegen hun zin, besluiten om de menschen te laten vertrekken.

De zoo lang opgehouden massa drong voorwaarts en heel gauw was het perron leeg.

Uit een van de achterste wagens stapte een jong meisje, dat een ouden heer behulpzaam was.

Deze moest wel zeer slecht kunnen zien, want hij was bij het uitstappen haast op den grond gevallen. Bereidwillig was een van de agenten toegeschoten en had hem geholpen.

„Ik dank u zeer,” zei de oude en keek naar een kruier om. Daar er geen in de buurt was, zei de agent:

„Zal ik u den koffer aanreiken?”

Zonder antwoord te wachten, was hij al in de coupé gegaan en zette den koffer op het perron, wat hem niet meeviel, want de koffer scheen nogal zwaar te zijn.

„Ik dank u nogmaals, sir”, zei de oude heer vriendelijk.

„Niet te danken”, antwoordde de agent, die met een verliefden blik naar het bakvischje keek.

Eindelijk kwamen twee kruiers, die zich met den koffer belastten. Den behulpzamen agent vriendelijk groetend, verwijderde de oude heer zich langzaam, vol zorg door zijn dochtertje geleid.

De politieman salueerde en zag smachtend het aardige meisje na.


Toen de oude heer met zijn dochter het station hadden verlaten, namen zij aanstonds een rijtuig naar de haven. Daar hoorde Raffles tot zijn vreugde, dat binnen een half uur het Fransche stoomschip „Monidol” de terugreis naar Calais zou aanvaarden. Daar er nog twee kajuitsplaatsen open waren, bespraken onze vrienden die voor zich.

„Goddank”, fluisterde Charly Lord Lister toe, „zoo ver zijn we ten minste, als het schip nu maar gauw zee kiest.”

„Eigenlijk zijn we nu al geborgen, oude jongen, want naar het volkenrecht zijn wij hier op Fransch grondgebied.”

Op dit oogenblik ontstond een groote herrie op de aanlegplaats. Men riep den kapitein, en alles wat zich op het dek bevond, begaf zich naar voren. Zoo bleven de beide vrienden onopgemerkt achter. Raffles greep Charly bij de hand en trok hem mee in de kajuit. Zijn scherpe blik had op de aanlegplaats, heftig gesticuleerend, Baxter ontdekt.

Deze was met den volgenden trein, een z.g. volgtrein, in Dover aangekomen. Toen de inspecteurs hem vertelden, dat zij niemand gevonden hadden, scheen zijn verwoedheid geen einde te zullen nemen. Zoo vast had hij nu op de overwinning gerekend. Hij maakte zijn collega’s een heftig standje, en liet doorschemeren, dat zoo iets een Londensch politieman niet zou gebeurd zijn.

Plotseling klaarde zijn gezicht op. Hij had van den kruier in Londen gehoord, dat de koffers zeer zwaar en zeer groot waren. [30]

De eene had twee gele namen, en op den andere bevond zich een koperen plaat met het opschrift I.R. 12.

Nu herinnerde de galante agent zich plotseling, dat de koffers, die hij zelf uit den trein had getild, aan deze beschrijving beantwoordden.

„Dan waren die twee ook de gezochten!” riep Baxter, „die schurken hebben zich weer verkleed”.

Triomfantelijk zette hij de vervolging voort, trotsch, dat hij door zijn speurzin het spoor der gezochten had teruggevonden.

Baxter snapte zeer goed, dat zij een schip van vreemde nationaliteit zouden kiezen. Den kapitein was de inmenging van vreemde politie niet aangenaam, en daar Baxter geen orders had van den Franschen gezant, maakte hij bezwaren.

„Ik kan u niet helpen. Binnen drie minuten varen wij weg. Als ge wilt, dan kunt ge mee gaan naar Calais. Wat ge daar wilt doen, is mijn zaak niet, maar op het schip staan alle passagiers onder mijn hoede, en ik heb geen trek en ook geen tijd, om uwe mededeelingen te controleeren.”

En hierbij bleef de oude zeeman.

Baxter, die schuimbekte van woede, wilde den kapitein in elk geval overhalen om het schip voor anker te laten liggen, tot het doorzocht was en de vluchtelingen waren gevonden.

Doch de gezagvoerder deed het niet, en liet voor de tweede maal de stoomfluit klinken. De passagiers hadden schik om Baxters aanstellerij, en de sympathieën waren met den ouden heer en zijn dochter. Men keek naar hen om, maar zij waren verdwenen.

Het derde signaal voor de afvaart werd geblazen, de loopplank werd ingehaald, op het laatste oogenblik kwam Baxter aangerend, met een kaartje voor het tusschendek, hij sprong nog op de plank, die al in de lucht zweefde, viel op zijn buik, en werd zoo als een kikker op een plankje, binnen boord gehaald.


Toen Charly in de kajuit gekomen was, fluisterde Raffles hem in: „Nu komt het er op aan op alle gebeurlijkheden bedacht te zijn, anders zijn wij zoo dicht bij het doel nog verloren. Je moet die hinderlijke vrouwenkleeding uitdoen. Ik zal alles, geld, juweelen en de noodige voorwerpen in deze waterdichte tasch doen en alle overtollige kleeding uitdoen. Wij moeten ons volkomen ongehinderd kunnen bewegen”.

Daar alles zich op het dek ophield, konden onze vrienden zich rustig in hun hut verkleeden. In koortsachtige haast geschiedde het, en in weinige minuten waren Raffles en Charly zeer licht gekleed.

„Nu voorwaarts, Charly, laat alles liggen wat ligt, daarvan is toch niets meer te redden. Wij moeten aan onze eigen veiligheid denken.”

Met deze woorden verlieten beiden de hut, en daalden de trap af, die naar de onderste ruimen voerde.

Nauwelijks was het schip in beweging, of Baxter ving zijn vervolging aan. Daar hij op de hulp van den kapitein niet rekenen kon, wendde hij zich tot een steward. Deze wees hem de hut, door den ouden heer en het jonge meisje besproken.

Als Baxter nog getwijfeld had, dan week nu wel alle twijfel voor zekerheid. Hij vond het meisjescostuum en een blonde pruik!

Als een overwinningstrophee hield hij die in de hoogte, en toonde ze eenige passagiers, die hem begeleid hadden.

Men beschouwde deze menschenjacht als een aangename afwisseling, en van alle kanten boden vrijwilligers zich bij Baxter aan.

Hij koos zich vier passagiers uit, terwijl hij den overigen verzocht hem niet te hinderen.

Terecht vermoedde Baxter, dat de vluchtelingen zich in de onderste ruimen verstoken hadden en de vijf heeren daalden daar ook af. Eerst werd het groote ruim waar de kolen lagen nauwkeurig doorzocht. Geen hoek bleef onbespied. Eigenlijk maakte het een bespottelijken indruk, met zulke gewichtigdoenerij als Baxter rondliep, alsof hij muizen en niet twee volwassen menschen zocht.

In het gansche ruim bevond zich niets dan een berg kolen, die tot in den versten hoek reikte. Achter in den hoek lagen eenige kolenzakken.

Nadat Baxter met een valkenblik wel tienmaal de ruimte doorboord had, verliet hij deze plaats. De vier heeren volgden hem, onder allerlei geestigheden.

Op dit oogenblik rolden uit den hoek waar de zakken lagen, eenige kolen naar beneden.

Opkijkende, zei een van de heeren: „Het is toch afschuwelijk, dat op deze schepen altijd zooveel ratten zijn.”

De troep zette zich in beweging, om nu de andere ruimen te doorzoeken.

Toen het gezelschap eenige minuten weg was, schenen de zakken te bewegen. De ratten maakten zeker een dansje! Weer rolden kolen naar beneden en voorzichtig keek een hoofd er achter uit. [31]

„Dat is gelukt! Nu gauw hieruit, een verdieping hooger,” fluisterde Raffles zijn kameraad toe.

Een, twee, drie waren ze de ladder op. Raffles haalde een kleinen maar scherpen kijker uit den zak en keek naar den horizont. In de verte zag hij het zeil van een visschersvaartuig, dat gelijken koers als de „Monidol”, in tegenovergestelde richting, scheen te hebben.

„Daar, Charly, daar komt onze redding,” zei Raffles en wees hem op de zee.

Op dit oogenblik hoorde men beneden de stemmen van de vijf heeren, die naar boven kwamen, Snel als de bliksem trok Raffles zich terug in een hoek, achter rollen scheepstouw en Charly volgde oogenblikkelijk zijn vriend.

De vervolgers gingen vlak langs hen heen, één bleef zoowaar staan en stak vlak voor de rollen zijn sigarette aan.

Beiden vluchtelingen stond het hart stil, zij durfden geen adem meer te halen.

Eindelijk ging ook de laatste weg, en toen alles stil was kwam Raffles naar voren.

„Ik ben deze eeuwige jacht moede,” fluisterde hij tot Charly. „Nu geldt het leven of dood!”

Hij had intusschen het venster bereikt, vanwaar hij tevoren de visscherspink bemerkt had. Deze was intusschen heel wat dichterbij gekomen. Raffles werkte zich door de opening en sprong toen in de diepte, oogenblikkelijk door Charly gevolgd.

Beiden flinke zwemmers, stuurden ze op den visscher aan, en daar deze wind en stroom mee had, schoot hij als een peil door de golven.


De stoker van de „Monidol” was juist het kolenruim binnengegaan. Tot zijn verwondering zag hij midden op de kolen een wit briefje, met het opschrift: „Aan politie-inspecteur Baxter”.

Deze kwam op zijn vervolgingstocht opnieuw in het kolenruim en grinnikend overhandigde hem de stoker het briefje.

Baxter las met een van woede vertrokken gezicht:

„Waarde heer Baxter!

Ik wensch u veel pleizier op uw reis naar Calais. Dezen keer was het weer mis. Ik ben voor een tijdje op reis naar het buitenland, om een schat op te halen; maar troost u, ik kom terug!

JOHN C. RAFFLES.”

De visscherspink had intusschen de beide zwemmers opgenomen.