Denzelfden morgen trok Raffles weder naar het Washington Hotel, alsof er niets was gebeurd.
Hij wist maar al te goed, dat er onder het personeel minstens eenige spionnen van de Bende van het Kwade Oog waren, maar hij nam zich voor, een oogje in het zeil te houden, en zich niet bloot te geven.
De strijd tegen den Moloch, den aanvoerder van de vreeselijke misdadigersbende was thans opnieuw ontbrand, en Raffles had een duren eed gezworen, dat hij hem tot het bittere einde zou voortzetten.
In Londen had hij het weten op te nemen tegen het Genootschap van den Gouden Sleutel—en niet zonder succes—hier zou hij de Bende van het Kwade Oog uitroeien, al zou het hem het leven kosten.
Met deze voornemens bezield, betrok Raffles zijn kamer weder.
De portier keek wel eenigszins verbaasd, dat hij den Hollandschen staalhandelaar op zulk een uur zag terugkomen, terwijl hij wist, dat hij den nacht niet in het hotel had doorgebracht, maar de zaak liet hem verder onverschillig.
Ten koste van een groote fooi had Raffles verkregen, dat Busto, de terriër, steeds bij hem moest zijn.
Hij had begrepen, dat de bende er alles op zou zetten, den hond, nu hij eenmaal lucht had gekregen van den Moloch, uit den weg te ruimen.
En Busto was juist het eenige, die hem weder op het spoor zou kunnen brengen.
De beide vrienden bewoonden te zamen drie kamers, waarvan twee slaapkamers en één, die als werkvertrek was ingericht.
Zij liepen alle ineen en kwamen bovendien ieder met een deur op de breede gang uit.
Zij waren nog niet lang op hun kamers terug of de middagédities van de groote bladen werden afgeroepen.
Charly haastte zich naar buiten, teneinde snel een blad te gaan koopen.
Met een nummer van de „New-York World” keerde hij terug.
Hij vouwde het blad haastig open, en doorliep vlug den inhoud, terwijl Raffles hem met de oogen volgde.
Eindelijk slaakte de jonge man een lichten kreet en zeide op fluisterenden toon:
—De heeren journalisten zijn er vlug bij geweest! Er staat een heel relaas over de geschiedenis van vannacht in het blad!
—Maar toch zeker niet over mijn gevangenneming? vroeg Raffles. Want dat is onmogelijk. Dat kan niemand weten, als de bandieten het niet zelf verraden hebben.
—Neen, daar staat niets van in, maar wacht, dan zal ik het je voorlezen.
De beide mannen namen plaats, en Charly begon met vaste stem voor te lezen:
„EEN GEHEIMZINNIGE ZAAK.
Het huis aan de stadsgrens.
In den afgeloopen nacht heeft de politie een vondst gedaan, welke tot allerlei vermoedens aanleiding geeft, en waarvan zij denkt, dat zij in verband moet staan met een of anderen aanslag van de Bende van het Kwade Oog.
Omstreeks drie uur in den nacht reed een politie-agent de ronde in de Pershing Street, een straat in het uiterste Noorden van de stad, die nog slechts aan één zijde is volgebouwd.
De huizenrij, die aan het onbebouwde veld grenst, is nog lang niet gereed.
Ongeveer in het midden van deze nieuwe straat bevindt zich een huis van zes verdiepingen, dat eveneens pas gereed is gekomen, en dat verhuurd was aan een groote maatschappij, die er echter slechts eenige vertrekken gemeubeld had. Laten wij er hier aanstonds aan toevoegen, dat de huur voor drie maanden vooruit betaald was, maar de politie er niet in geslaagd is, deze maatschappij terug te vinden!
Zooals uit het volgende duidelijk blijkt, bestond [6]zij dan ook niet, en heeft zij ook nimmer bestaan.
Naast dit huis staan aan weerszijden twee andere gebouwen, die nog slechts voor de helft voltooid zijn.
De agent liep langzaam langs den zijmuur van een dier huizen, om zich te overtuigen, dat alles in orde was, want in de laatste nachten was hier hout en ijzer weggesleept door nachtelijke bezoekers.
De ordebewaarder vond echter niets verdachts, totdat hij de achterzijde van het zooeven genoemde huis bereikte.
Daar zag hij een man op den grond uitgestrekt liggen, met het gelaat naar den grond gekeerd.
Meenende, dat de man wellicht beschonken was, wilde hij hem bij den arm grijpen, toen hij zijn hand verschrikt terugtrok—zij was nat van bloed!
Dadelijk deed hij zijn dienstlantaarn ontgloeien en een enkele blik was voldoende, om hem te doen zien, dat hij een lijk gevonden had.
In de keel van den man gaapte een vreeselijke wond, die slechts afkomstig kon zijn van den beet van een hond; de sporen van de nagels van het dier waren nog duidelijk te zien.
De agent keek om zich heen, maar hij kon volstrekt niets verdachts ontdekken.
Daarop onderzocht hij de kleederen van den doode.
De man had alles nog bij zich—portefeuille, portemonnaie, ringen, een gouden sigarettenkoker en een brillanten doekspeld—in ieder geval mocht men hier niet aan roof denken.
De agent trachtte de achterdeur van het huis te openen, maar deze was stevig op slot.
Hij wendde den blik naar de onbebouwde vlakte, en toen viel hem een hooge, stalen telefoonmast in het oog.
Onwillekeurig wendde hij zijn blik naar de werkkooi in den top van den mast, toen een kreet van verbazing hem ontsnapte—deze kooi was met een venster op de bovenste verdieping verbonden door een touw of een stalen tros, waarvan de rechte lijn scherp afstak tegen den reeds lichter wordenden hemel.
De agent begreep nu, dat er in dit huis iets geheimzinnigs, iets vreeselijks moest zijn voorgevallen, en hij ging dadelijk assistentie halen.
Een half uur later waren ongeveer 10 agenten, onder aanvoering van een inspecteur en twee detectives, ter plaatse.
Men moest de voordeur met geweld openen, want ook deze was op slot.
Dadelijk verspreidden de agenten zich door het geheele huis en begonnen het van den kelder tot den zolder te doorzoeken.
En in den kelder deden zij een hoogst verrassende vondst!
Daar lag het lijk van een tamelijk grooten hond, met een zwarte vacht, die blijkbaar in een gevecht met een soortgenoot, waarschijnlijk dezelfde, die den man aan de achterzijde van het huis den strot had doorgebeten, het leven had gelaten.
Men wilde het kadaver van den hond reeds in een hoek werpen toen een der agenten een merkwaardige ontdekking deed.
Het zwarte vel van den hond was hier en daar bij lappen van het lichaam gescheurd, maar toen de agent wat nauwkeuriger toekeek, zag hij onder de zwarte huid—een tweede vel!
En dat vel was roestbruin, rood, zooals hondenliefhebbers het noemen.
Wie schetst de verbazing van de ordebewakers, toen het bleek dat de zoogenaamde zwarte hond over zijn geheele lichaam even rosbruin was als aan den kop, en dat hij gestoken was in wat wij een overjas zouden noemen—een voortreffelijk gemaakte tweede huid, met echt, zwart, krullend hondenhaar begroeid.
Er was een kleine opening voor het korte staartstompje gelaten en de „overjas” hield op bij den halsband, die nauw om den hals van het dier sloot.
En het was vrij gemakkelijk, door dezen halsband te openen, het dier zijn jasje aan- en uit te trekken, dat onder den buik was dichtgeregen.
Een oogenblik stonden de agenten sprakeloos en vroegen zich af, wat het doel van deze zonderlinge kleedij kon zijn, maar de inspecteur wilde geen tijd verliezen, beval een der agenten den hond mede te nemen, en zette het onderzoek voort.
In een kamer gelijkvloers vond men een lange tafel met een vuurrood kleed bedekt, waarachter tien stoelen stonden.
Een groote hoek van het vertrek was afgesloten [7]met een zwart gazen scherm, dat tot de zoldering reikte en waarachter, toen men het had stukgesneden, niets anders dan een gemakkelijke leunstoel was geplaatst.
Men zal zich herinneren, dat men eenzelfde inrichting niet lang geleden eveneens heeft aangetroffen in de Boston Street in een afgelegen huis, waar na een hevig gevecht anderhalf dozijn luitenants van den chef der „Bende van het Kwade Oog” gevangen werden genomen.
Daar was echter in den afgeschoten hoek een luik, dat met een onderaardsche gang in verbinding bleek te staan—hier was slechts een deur aanwezig, uitkomende op een smalle gang, die regelrecht naar de achterdeur voerde.
De inspecteur wist nu wel reeds, waaraan hij zich te houden had, maar toch werd het onderzoek voortgezet.
Men doorzocht alle étages, maar vond slechts volkomen leege kamers, zonder een enkel meubelstuk.
Zoo bereikte men de zesde verdieping, en daar zou de verbazing van de agenten nog toenemen.
Want aan het einde van een vrij breede gang vond men een cel, met een stevige stalen deur, en een getralied venster.
En dat de patrouilleerende ordebewaarder goed gezien had, bleek spoedig, want aan een der tralies van het venster was een sterke, ijzeren haak geslagen, die aan het uiteinde van een stevig touw bleek te zitten, waarvan het andere eind bevestigd was aan den telegraafmast.
Twee der tralies waren met geweld uit het metselwerk gedrukt, klaarblijkelijk door een man met meer dan gewone lichaamskracht.
Dicht bij de deur van deze cel vond men twee mannen bewusteloos op den grond liggen, beide met een zware hoofdwonde, juist op dezelfde plek—alsof zij met de hoofden tegen elkander waren gebotst.
De inspecteur herkende aanstonds een dezer mannen als een gevaarlijk inbreker, die reeds een tiental jaren gevangenisstraf achter den rug had, en die pas onlangs weder op vrije voeten was gesteld.
Er kon nu niet meer aan getwijfeld worden—men was hier in een der huizen, waarover de Bende van het Kwade Oog de beschikking had, en in deze cel had een man gevangen gezeten, die, blijkbaar geholpen door andere personen van buiten, geslaagd was om te ontkomen.
Dat is alles wat men weet, voor de rest tast de politie in het duister.
Waarom de man daar gevangen zat—wie het was—hoe de man aan de achterzijde van het huis doodgebeten is—wie daar dien nacht in het huis bijeen waren—dat alles is volmaakt onbekend.
Ook weet de politie niet aan wien de zonderlinge hond toebehoorde, de hond met zijn twee vachten en zijn twee kleuren, want de twee in de cel gevonden mannen, die na eenigen tijd uit hun bewusteloosheid ontwaakten, willen geen opheldering geven.
Zij zwijgen halsstarrig, en halen slechts de schouders op als hun wat gevraagd wordt.
Indien de politie er nog in slaagt, den sleutel tot dit geheimzinnig voorval te vinden, zullen wij niet nalaten er onze lezers onmiddellijk van in kennis te stellen.”
Charly liet het blad zakken, en keek Raffles vragend aan.
Deze had zwijgend geluisterd voorover gebogen, met gefronst voorhoofd, en zeide nu op zachten toon:
—Wat daar geschreven staat wisten wij al, mijn jongen, want wij zijn de voornaamste acteurs in het drama geweest. Maar er is iets wat mij meer bezig houdt dan het geheele relaas—en dat is de hond. Ik kan je niet zeggen hoe het mij nu spijt, dat wij het dier niet wat nader onderzocht hebben.”
—Misschien kan dat nog wel gebeuren, Edward. De politie zal toch het kadaver niet aanstonds begraven, maar eerst eens trachten den eigenaar van het dier te vinden.
—Als zij dien eigenaar vindt, dan heeft zij meteen den Moloch in handen! ging Raffles op zachten toon voort. Daaromtrent bestaat voor mij geen twijfel. Iemand als hij heeft een speurhond noodig, een zeer goede, en daar hij een dubbel leven leidt, moet zijn hond het ook wel doen, daar een herkenning onder sommige omstandigheden gevaarlijk zou kunnen zijn.
Raffles bleef zwijgend eenigen tijd op en neer loopen en hernam toen:
—Ja, wij moeten dien hond tot iederen prijs eens trachten te zien. Dat kan ons van het grootste nut zijn.
Hij streelde Busto over den ruigen kop en zeide:
—Dat is jouw werk geweest, mijn hond. Wie weet, waartoe dit alles leidt. [8]
Hij richtte zich op, en vervolgde:
—De politie mag zooveel onderzoeken als zij wil—ik vrees, dat zij niet veel verder zou komen. En nu ga ik aanstonds een bezoek brengen aan Cissy Vandyke.
—Met welk doel?
—Misschien kan zij mij wel mededeelingen doen, die mij op een spoor kunnen brengen. Zij weet allicht wat meer van die heeren in de auto, die toch zeker vrienden van haar verloofde moeten zijn.
Raffles had zijn hoed en zijn wandelstok gegrepen, en drukte Charly de hand.
—Je kunt hier op mij wachten, ik denk over een uur terug te zijn.
—Zul je je in acht nemen?
—Ik beloof het je, Charly, zeide Raffles glimlachend. In een auto zullen zij mij niet meer vangen.
Raffles knikte Charly nogmaals toe, en verliet het vertrek.
Hij daalde met de lift naar beneden, en stak de breede vestibule over, waar zich op dat oogenblik slechts zeer weinig personen bevonden.
Hij ging op de breede ingangsdeur toe, en stapte op het groote terras, dat met een tiental treden naar het trottoir voerde.
Hij was bezig zijn handschoenen dicht te knoopen, toen hij plotseling het hoofd ophief, en op dezelfde plek onbeweeglijk bleef stilstaan, met een flikkerenden glans in zijn oogen en eenigszins gebogen, als een buffel, die een tijger op de punt van zijn horens wil opvangen, als het ondier den sprong wil wagen …
Op geen tien meter afstand kwam een politieauto aanrijden.