Raffles was voor alles een man van instincten en ingeving.
Nog in dezelfde seconde begreep hij dat het op hem voorzien was.
Hij had het ernstig gelaat van Flannagan ontdekt, en de chauffeur remde de groote auto reeds, die vlak voor het groote hotel zou stilstaan.
En op hetzelfde oogenblik overdacht Raffles, dat een arrestatie op dit oogenblik zeer noodlottige gevolgen zou hebben, want aan de politie zou hij al evenmin kunnen bewijzen, dat hij Willem van den Heuvel was, als eenige uren geleden aan den Moloch!
Dat beteekende, de vlucht!
Nu was Raffles ook een man van daden, en als hij zich iets voornam, al was het dan om te vluchten, dan treuzelde hij niet, maar deed dadelijk, wat er te doen was.
De weg naar buiten was hem reeds afgesneden, want een ondeelbaar oogenblik zou de auto stilstaan en Flannagan had hem reeds gezien.
Raffles begreep aanstonds wat er geschied moet zijn.
De Moloch, nu zeker wetende wie er achter den persoon van Van den Heuvel school, had den Commissaris van Politie een briefje geschreven, met alle bijzonderheden waarschijnlijk, en deze functionaris begreep dat hij tot de arrestatie moest overgaan al had Raffles aan de politie ontegenzeggelijk groote diensten bewezen.
Raffles liet Flannagan zijn hielen zien, en vloog pijlsnel de vestibule door.
Bij de lift stonden juist eenige personen te wachten op de liftkooi, die naar beneden kwam.
Raffles slingerde hen met kracht terzijde, trok de paar reizigers en de liftboy uit de kooi, die juist beneden was gekomen, sprong er in, klapte de ijzeren deuren dicht, en haalde tegelijkertijd den kleinen hefboom over, die de lift pijlsnel weer naar boven deed schieten, terwijl onder hem het gevloek en het getier der verontwaardigde hotelgasten klonk.
De Groote Onbekende betrad nooit een hotel, of hij onderzocht dadelijk de geheele inrichting, of hij had juist de expreslift uitgezocht, die hem met verbazende [9]vaart tot de twintigste verdieping voerde, dat wil zeggen een verdieping lager, dan waar zich zijn kamers bevonden.
De lift kwam met een hevigen schok op de twintigste verdieping tot staan. Raffles sprong er uit, en wipte bij vier treden tegelijk de breede trap op.
Het was hier nog stil, een stilte die zonderling aandeed, nu hier een man om zijn vrijheid, misschien wel om zijn leven liep!
In een paar tellen was hij op de volgende verdieping, vloog naar zijn kamer, rukte de deur open, en riep den verschrikten Charly toe;
—Zet een pet op en kom mee! Er is onweer aan de lucht! De politie zit ons op de hielen!
Misschien had Charly wel wat willen vragen, maar hij zag aan het gelaat van Raffles, dat het oogenblik daartoe minder gunstig gekozen was.
Hij griste zijn pet van de tafel, liet vliegens vlug een paar voorwerpen in zijn zak glijden, met een snelheid die op ijverig repeteeren wees, en vloog Raffles na, die het vertrek reeds weder had verlaten.
—Doe de deur op slot, dat zal hen misschien eenigen tijd ophouden, als zij denken, dat wij ons hier verscholen hebben! beval Raffles.
Charly gehoorzaamde, en stak den sleutel weer in zijn zak.
Er waren nog tien verdiepingen boven de 21ste.
—Waar gaan wij heen? vroeg Charly.
—Naar het dak, antwoordde Raffles lakoniek.
—En dan?
—Er loopen telefoondraden over, die dwars over de straat gaan, en als we eenmaal aan de overzijde zijn, kunnen we ons gemakkelijk in veiligheid brengen—daar zijn vensterluiken in overvloed.
Onder het spreken waren de beide vrienden voortgerend naar de liftschacht van de zoogenaamde boemellift, die tot bijna aan de zolderverdieping doorliep.
Raffles wilde de deur openrukken, maar dit bleek onmogelijk, er was juist een lift onderweg, en daardoor bleven de deuren automatisch gesloten, om ongelukken te voorkomen.
Door het traliewerk heen hoorde hij duidelijk de opgewonden stemmen van de personen, die zich in de liftkooi bevonden.
—Te laat! zeide hij lakoniek. Wij zullen van onze voeten gebruik moeten maken.
Het werd hoog tijd, want reeds kwam de bovenzijde van de lift te zien.
Raffles en Charly stormden de trap op, die juist tegenover den liftuitgang gelegen was.
Maar nu scheen ook het geheele hotel in rep en roer te zijn, want overal klonken alarmschellen en het geschreeuw van achtervolging, het dichtslaan van deuren en de luide bevelen van den inspecteur en zijn brigadiers.
De eerste auto was zeker aanstonds door anderen gevolgd, te oordeelen naar het stemmenrumoer.
Vlak naast elkander vlogen de twee mannen trap na trap op, nu en dan een lastigen kellner neervellend, die zoo onvoorzichtig was hun den weg te willen versperren, ofschoon hij nog volstrekt niet begreep, wat er eigenlijk aan de hand was.
Dicht op hun hielen klonk het geluid van de voetstappen der dravende agenten.
De toestand werd ieder oogenblik hachelijker.
Maar Raffles en Charly waren geoefende hardloopers—en zij bereikten de zolderverdieping vóór hun achtervolgers!
Door een openstaand vensterraam, dat zij weder achter zich sloten, klauterden zij op het reusachtige dak, waarvan des zomers een groot gedeelte als wintertuin was ingericht.
Midden op het dak stond een reusachtige stellage, die de honderden telefoondraden torste, welke zich naar alle richtingen verspreidden.
Een dikke bundel draden stak de straat over en daalde schuin neer op het dak van het huis aan de overzijde, dat minstens een tiental meter lager gelegen was.
—Doe zooals ik! beval Raffles.
Hij had zijn slappen vilten hoed gegrepen, snelde naar den rand van het dak, en boog den hoed om een viertal draden heen, waarna hij de uiteinden zoo dicht mogelijk bij de draden stevig vasthield.
Charly deed hetzelfde met zijn pet, van het beste Schotsche laken vervaardigd—en toen waagden de beide mannen den overtocht.
Met groote vaart gleden zij langs de schuin gespannen draden over de straat, die hier ongeveer 40 meter breed was.
Hun hoofddeksels schroeiden door de hevige wrijving—maar zij kwamen behouden aan den overkant, al was het dan ook met een vrij gevoeligen smak.
Halfverdoofd krabbelde Charly weder overeind, en zeide:
—Als je het mij vraagt, Edward—ik zou dat kunststukje liever niet herhalen! [10]
—Ik vraag het je niet, Charly! antwoordde Raffles kalm. Wij hebben nu niets te doen dan een gastvrij dakluik op te zoeken—na ons uiterlijk een weinig veranderd te hebben!
Reeds terwijl hij sprak, had Raffles den prachtigen, witten baard afgedaan, zij het niet zonder moeite, want het voorwerp was zeer stevig bevestigd!
Hij wischte zijn gelaat snel schoon met den inhoud van een klein fleschje, dat hij in de palm van zijn hand leeggoot, deed de witte pruik verdwijnen, evenals de witte wenkbrauwen, en wijdde zich toen aan zijn kleeding.
Hij trok zijn bovenkleeding uit—keerde ze eenvoudig binnenste buiten en trok ze weder aan.
Zij waren eerst zwart geweest, nu waren zij lichtgrijs.
De hoed werd weggeworpen, en maakte plaats voor een anderen, die uit een der achterzakken te voorschijn werd gehaald.
Ook Charly had met behulp van een kastanjebruin snorretje en een pruik met lange lokken zijn uiterlijk volkomen veranderd, en het zouden scherpe oogen moeten zijn, die de gedaanteverwisseling opmerkten.
De daken waren hier zeer grillig van vorm en zij moesten nu en dan een moeilijke klauterpartij ondernemen.
—Zouden ze onzen overtocht daar beneden niet voorzien hebben? vroeg Charly, hijgend van de inspanning.
—Ik denk het niet—daarvoor ging het wel wat te vlug. Maar al was dat wel het geval, dan komt het er nog niet erg op aan. Daar zie ik al een luik, dat ons als het ware uitnoodigt, er in af te dalen.
Raffles wees op een groot, openstaand dakluik, dat met een ijzeren bout overeind werd gehouden.
Er bleek een ladder tegen aan te staan, en na zich te hebben overtuigd, dat zij op een leegen zolder terecht zouden kamen, klommen de twee mannen er af.
Charly, die achteraan kwam, trok de ijzeren staaf weg, en liet het luik behoedzaam dichtvallen.
De zolder kwam met een deur uit op een smalle gang, en na eenigen tijd aandachtig geluisterd te hebben, daalden de beide mannen de trap af—en van dat oogenblik af, konden zij zich als in veiligheid beschouwen.
Inderdaad, zij bevonden zich in een groote huurkazerne, waarin een vijftigtal gezinnen woonden, en men zou in het geheel geen acht op hen slaan.
Dat bleek hun ook spoedig genoeg, want hier en daar ging een deur open op een der portalen, maar daar de beide vrienden op hun gemak en zonder zich te overhaasten verder liepen, nam niemand notitie van hen, en zij bereikten dan ook ongehinderd de straatdeur.
Juist kuierde een agent met de handen op den rug voorbij—en het was een zonderlinge gewaarwording, dien ordebewaarder daar zoo kalm te zien voortschrijden, terwijl zij beiden nog geen tien minuten geleden als het wild door den jager waren achtervolgd door een geheelen troep van zijn soortgenooten.
De man keek hen onverschillig even aan en ging verder.
Raffles wisselde een glimlach met Charly en zeide:
—Wij schijnen niet de eer te genieten, zijn aandacht waardig te zijn. Kom spoedig mede—en hoe eerder wij deze plek verlaten hoe beter het ook is.
—Maar waar zullen wij nu heengaan?
—Natuurlijk dadelijk Henderson waarschuwen; er is een telefoon in het huis.
De twee mannen stapten de eerste de beste drogisterij binnen, om te kunnen telefoneeren.
Raffles ging naar het toestel, terwijl Charly voor de leus een doosje cigaretten kocht.
Reeds weinige minuten later keerde hij terug naar de plek waar Charly stond.
Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking.
—Wat is er gebeurd? vroeg Charly ongerust.
—Er is daar ginds iets geschied—iets wat niet in den haak is.
—Wat antwoordt Henderson je dan?
—Hij antwoord niets—hij is niet thuis.
—En neem je dan maar aanstonds aan dat er iets ernstigs is voorgevallen?
—Ja Charly, want ik had hem nadrukkelijk gelast onder alle omstandigheden thuis te blijven en mijne instructies af te wachten. Wij moeten er dadelijk heen.
De twee mannen verlieten den winkel weder, en sprongen in een huurauto, nadat Raffles den chauffeur had gelast hen naar de Pershing Street te brengen.
Aangespoord door de belofte van een goede fooi liet de chauffeur zijn wagen zoo snel mogelijk loopen, en nog geen half uur later stond de auto stil bij het begin van de Pershing Street.
Raffles stapte uit, betaalde, en snelde de straat in, door Charly op de hielen gevolgd en voortgedreven door een somber voorgevoel, dat hem vleugels scheen te geven.
Maar spoedig vertraagde hij zijn schreden, want [11]voor de deur van het huis waar de drie mannen eenigen tijd gewoond hadden, stond een groot aantal nieuwsgierigen druk ergens over te spreken, terwijl een paar agenten met de handen op den rug voor het huis heen en weder liepen.
Raffles begreep dat het argwaan zou baren, als hij zoo overhaast kwam toesnellen, en daarom matigde hij dadelijk zijne vaart, en wendde zich tot Charly met de woorden:
—Wij zullen ons maar voor verslaggevers uitgeven—op die wijze zullen wij wel te weten komen wat er geschied is.
En daarop stapten de twee mannen onvervaard op een der op post staande politieagenten toe.
—Iets bijzonders te doen? vroeg Raffles, terwijl hij reeds een paar stukjes papier en een potlood te voorschijn haalde.
—Wij zijn van de „New-York Sun”, voegde Charly er aan toe, een brand of iets dergelijks? Waarom staan al die menschen daar?
—Heel iets anders dan een brand, mijnheer, een gevecht met een soort wildeman!
—Een krankzinnige ontsnapt? vroeg Raffles, ofschoon hij de waarheid reeds begon te vermoeden.
—Of de man krankzinnig is, weet ik niet, maar in ieder geval ging hij te keer als de baarlijke duivel.
—Maar waarom dan? vroeg Charly, was hij beschonken? Wat was er dan met dien man?
—Ik hoor dat hij een medeplichtige moet zijn geweest van een bekenden Londenschen inbreker, die mijn collega’s hier wilden arresteeren. Zij waren met hun achten—en we hopen dat zij er alle acht bovenop zullen komen.
—Dus—is die man niet gevat? vroeg Raffles, terwijl hij zijn adem inhield, en den agent met een onwillekeurig gebaar bij den arm greep.
—Gevat? Het mocht wat, antwoordde de agent op schamperen toon, hij heeft hen half dood geslagen, dat is de zaak! Zij zeggen dat hij een ware reus was, en dat hij ook wel tien had aangekund.
Raffles en Charly hadden zoogenaamd eenige aanteekeningen gemaakt en nu kwam een der bewoners van het huis zich bij hen voegen, met de opmerking: Ik heb het op een afstand gezien, mijnheer, en ik zeg u, het was een formeele veldslag! Die man smeet de agenten heen en weer alsof het kegels waren, en als er een overeind gekrabbeld was, sloeg hij er twee andere voor neer, op een gegeven oogenblik zaten er drie op zijn nek, en hij schudde hen af, alsof zij stofjes waren! Het was een helsch kabaal en de agenten schreeuwden om assistentie, voor zoover ze nog geluid konden geven, maar niemand durfde tusschenbeide komen, die man had vuisten als smidshamers, en wat hij er mee trof, dat had niets meer in te brengen.
De agent had een weinig ongeduldig toegeluisterd, uit zijn humeur omdat men zijn verhaal onderbroken had, en zeide nu:
—Je beschrijving kan goed zijn, vriend, maar in het aantal politieagenten vergis je je, het waren er acht.
Raffles en Charly hadden elkander een snellen blik toegeworpen, waaruit hun groote vreugde sprak.
Henderson was in ieder geval ontsnapt.
—Waar heeft die homerische strijd plaats gehad? vroeg Raffles zonder dat zijne stem eenige ontroering verried.
—In de kamer waar die man woonde, mijnheer, antwoordde de agent, maar zij is niet meer te herkennen. U zoudt er geen enkel meubelstuk meer kunnen vinden, dat nog bruikbaar is, of waarvan u den oorspronkelijken vorm nog zoudt herkennen, ik zeg u, de man sloeg met de stoelen om zich heen als Simson met het ezelskinnebak. Mijn collega’s niet te na gesproken.
—Wij zouden die kamer gaarne eens willen zien, zeide Raffles, terwijl zijn vingers als toevallig naar zijn vestzakje afdwaalden.
De man met wien hij sprak zou geen New-Yorksche agent zijn, als hij het gebaar niet onmiddellijk begrepen had.
Hij gaf den beiden gewaanden verslaggevers een knipoogje en zeide:
—Gaat u dan maar even met mij mee, ik zal u de ruïne laten zien, allee, een beetje op zij, menschen!
Dit laatste was tot de nieuwsgierigen, die zich nog altijd voor de huisdeur verdrongen, en die nu terzijde weken om plaats voor de drie mannen te maken.
Zoodra Raffles en Charly waren binnengetreden kregen zij reeds een voorproefje van wat hen te wachten stond!
De ijzeren spijlen van de trapleuning waren voor het meerendeel kromgebogen en sommigen waren zelfs uit het hol gerukt terwijl de leuning zelve over de lengte van een paar meters versplinterd was.
—Dat ziet er uit alsof er een piano tegen aan is gekwakt nietwaar mijnheer, vroeg de agent, terwijl hij op de gehavende plek wees als een oppasser van een of ander museum die een bijzondere merkwaardigheid heeft aan te wijzen.
De drie mannen beklommen de trap, gingen het portaal [12]over en bereikten zoo de deur van de kamer, welke Raffles en Charly eenige weken tot verblijf had verstrekt.
Zij bleven verbaasd op den drempel staan, en keken elkander even glimlachend aan.
De agent had niets te veel gezegd, een troep wilde buffels, die dwars door het vertrek zou zijn gegaloppeerd had onmogelijk een grooter verwoesting kunnen aanrichten.
De tafel, die steeds bij het raam gestaan had, lag in een hoek en drie van de pooten ontbraken er aan, de vierde stak als een dreigende wijsvinger omhoog.
Tijdens de hevige worsteling was er zeker een kluwen worstelende mannen op het ijzeren ledikant terecht gekomen, want het was bezweken, en door midden geknakt.
Hier en daar hing het behang aan flarden, de electrische lamp bungelde alleen nog maar heen en weder aan het geleidingssnoer, de vijf stoelen waren versplinterd, en van enkele was zelfs de zitting opengereten, zoodat het paardenhaar naar buiten puilde.
Zelfs de twee ordinaire oleogravuren, die in hunne vergulde lijsten hoog aan den muur hadden gehangen, vertoonden vuistgroote gaten en hingen scheef aan de koorden.
Alles wat van glas of aardewerk was lag aan gruizels op den vloer, die er geheel mee overdekt was.
De deur die naar de kleine slaapkamer voerde, waar Raffles en Charly gerust hadden, hing nog slechts scheef aan een hengsel en het bovenste paneel was ingeslagen.
Alle ruiten van de vensters waren gebroken.
Kortom, het vertrek leverde een aanblik op, alsof er weken lang door een dronken bende was huis gehouden.
—Wat zeg u daar wel van? vroeg de agent van politie op den toon van den concierge van een historisch kasteel, die eenige gruwelwerktuigen aan de bezoekers laat zien.
—Ik zeg, dat de man die zich hier verdedigde tegen acht agenten waarschijnlijk over reuzenkrachten beschikt, antwoordde Raffles glimlachend, ik geloof niet dat er in het geheele vertrek nog een voorwerp is, de moeite van het repareeren waard!
—En het heeft geen tien minuten geduurd, mijnheer, riep de agent uit, ik hoor dat er eerst vier van mijn collega’s waren binnengetreden, maar er had evengoed niemand kunnen zijn, die kerel speelde met hen als de kat met de muis en de vier andere moesten ter hulp komen, en toen bleek er nog niet voldoende te zijn! Hij wist de kamer uit te komen, met de drie agenten achter zich aan, die zich nog zoo een beetje bewegen konden, de vijf andere lagen plat op den vloer, maar op de trap moet hij hen van zich hebben afgeschud, als een poedel die in het water gelegen heeft, de druppels! Hij kon de voordeur bereiken, vloog den chauffeur van de politie-auto omver, die hem nog trachtte tegen te houden, zoodat de stumper een meter of vijf verder tegen de steenen rolde en was reeds lang uit het gezicht, toen mijn makkers in deze kamer tot het inzicht kwamen, dat zij nog tot de levenden behoorden, het heele vrachtje moest met de politie-auto direct naar een gasthuis worden vervoerd. En zoo heeft het voertuig dan toch nog dienst gedaan! voegde hij er op grimmigen toon aan toe.
Raffles en Charly hadden glimlachend naar het verhaal staan luisteren, en nu en dan een aanteekening gemaakt.
Zij keken nog even rond en daarop drukte Raffles den agent tersluiks een geldstuk in de hand, en zeide tot Charly.
—Kom maar mee, collega, er zit een mooi stukje aan!
De twee mannen knikten den agent toe, en verlieten de kamer en het huis.
Op straat riepen zij dadelijk een huurauto aan, en Raffles gaf den chauffeur bevel hem naar het administratiegebouw van de „New-York Times” te brengen, om daar een advertentie ter plaatsing op te geven van den volgenden inhoud:
„Chauffeur gevraagd voor spoedige indiensttreding, niet onder de vijf-en-dertig jaar. Aanmelden Astoria Hotel.”
Nog dienzelfden avond stond de advertentie in het blad, en om drie uur vijftig minuten in den nacht—dat was de beteekenis van het cijfer vijf-en-dertig in de advertentie—kwam een man van reusachtigen lichaamsbouw vóór het Astoria Hotel, waar Raffles en Charly sedert een paar minuten op en neer liepen—het was James Henderson, die de advertentie gelezen had, haar beteekenis kende en zich na zijn gelukkige ontsnapping bij zijn meester kwam voegen!
Maar de gérant van het Astoria Hotel had aan een laffe grap gedacht, toen zich dien avond honderden werklooze chauffeurs voor een baantje kwamen aanmelden, en niet dan met moeite waren weg te krijgen. [13]