[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Op Coney Island.

Met tranen in de oogen had Henderson de hand van zijn meester gegrepen en die krachtig gedrukt, en daarna had Charly Brand dezelfde betuiging van vriendschap moeten ondergaan, die hem zijn vingers met een pijnlijk gezicht deden betasten.

Hij wist het bij ondervinding—als de reus iemand hartelijk de hand drukte, dan voelde men het dagen later nog!

Het bleek, dat Henderson in een der avondbladen reeds het relaas had gelezen van de stoutmoedige ontvluchting van den gewaanden Willem van den Heuvel en zijn zoogenaamden secretaris, uit het Washington Hotel.

En zoo behoefden de drie mannen elkander niets meer mede te deelen.

—Wij kunnen hier niet blijven, vrienden! zeide Raffles op zachten toon, het is noodig, dat de onrust een weinig bedaart en dat wij ons een weinig afzijdig houden gedurende eenige dagen.

—Als wij eens de plek opzochten, waar wij den „Duivel der Lucht” hebben ondergebracht, en doodeenvoudig naar Londen terugkeerden, kwam Charly langs zijn neus weg!

—Weet je dan wie de Moloch is? vroeg Raffles, terwijl hij zijn doordringende grijze oogen strak op het gelaat van den jongen man vestigde.

—Neen, Edward, dat weet ik niet!

—Welnu, dan kunnen wij ook nog niet vertrekken! hernam Raffles kortaf. Ik ga niet terug vóór mijn taak hier beëindigd is!

—Zooals je wilt! zeide Charly zuchtend. Ik zie wel, dat ik den beker tot op den bodem zal moeten ledigen!

—Dat heb je daar goed uitgedrukt, mijn waarde! zeide Raffles droogjes. Zoo is het inderdaad! En nu zullen wij eens een onderdak gaan zoeken, want ik geloof, dat het tijd wordt om aan onze nachtrust te gaan denken.

Te New-York kan men den geheelen nacht door huur-auto’s op straat vinden, en zoo duurde het niet lang of de drie mannen werden door zulk een voertuig naar een klein logement van de havenwijk gebracht.

Raffles had met opzet een gelegenheid uitgekozen, die niet al te goed bekend stond, omdat hij wel wist, dat de eigenaar daarvan hen niet om legitimatiepapieren zou lastig vallen.

Die eigenaar was een zwaargebouwde Ier met borstelig, zwart haar als van een ever, twee stekende zwarte oogen en dichte, ver boven die oogen uitstekende wenkbrauwen.

Raffles had hem slechts een paar woorden in de dieventaal toegevoegd; de eigenaar had eens gegrijnsd en een paar minuten later kregen de drie mannen een paar vrij goede kamers.

Zij sliepen gerust en stonden pas om bij half negen op.

Zoodra zij bijeen zaten in de gelagkamer, waar zich enkele matrozen en stokers van allerlei nationaliteit en kerels met een zeer verdacht uiterlijk bevonden, en aan het eenvoudige ontbijt zaten, begon Raffles:

—Ik heb reeds een plan gevormd, wij zullen naar het Coney Island gaan!

—Is dat niet die reusachtige kermis, een lunapark in het groot? vroeg Henderson op zachten toon.

—Ja, mijn vriend, antwoordde Raffles! Wij hebben in Londen ook wel eens zooiets, maar het is altijd maar een zwakke nabootsing van hetgeen Coney Island oplevert op het gebied van rutchbanen, lachhuizen, duivelsraderen, glijbanen, en hoe al die monsterachtige verzinsels nog meer mogen heeten. Er zijn daar schiettenten, kramen van allerlei aard, zweefmolens en honderden kramen,—en er zal voor ons wel werk zijn, want duizenden verdienen daar hun brood. Het is als het ware een kleine stad op zichzelf—daar op het eiland van het vermaak.

—Maar dan zullen wij ons toch moeten verkleeden! zeide Charly. Wij kunnen daar zoo niet heengaan.

—Dat spreekt van zelf! beaamde Raffles. Henderson moet aanstonds eens naar een uitdrager gaan en kleederen voor ons koopen; wij moeten ook ons gelaat onkenbaar maken—het is slechts voor een paar [14]dagen. De hoofdzaak is dat men ons een weinig vergeet, en ons spoor bijster raakt. Ik geloof dat Henderson een heel goed figuur zou maken als negerportier, jij kunt, Charly, als je er lust in hebt voor mijnentwege als buffetjuffrouw fungeeren en ik voel wel iets voor de betrekking van barkeeper; wij moeten echter in ieder geval dicht bij elkander blijven.

—En wat doen we met Busto? vroeg Charly, terwijl hij den ruigen terriër streelde.

—Het spijt mij voor het dier—maar ik zal beginnen met het te laten scheren, antwoordde Raffles. Busto is een opvallend mooie hond, en het zou wel eens kunnen, dat zijn signalement bij de politie bekend is; hier in deze volksbuurt zal wel ergens een hondenscheerder zijn en anders zou ik het zelf moeten doen.

—Zou het niet te koud zijn om den hond van zijn vacht te ontdoen?

—Wij zullen een dekkleedje voor hem maken.

De drie mannen hadden hun maaltijd beëindigd, en togen nu aanstonds aan het werk; terwijl Raffles met den hond een hondenscheerder ging opzoeken, trok Henderson op onderzoek uit naar wat oude kleederen, terwijl Charly op den uitkijk bleef.

Raffles en Henderson keerden bijna tegelijkertijd terug; de eerste met een onkenbaar geworden terriër, die met zijn houding geen raad wist, nu hij zich van al zijn haar ontdaan gevoelde, en Henderson beladen met een zwaar pak kleederen.

Weer wisselde Raffles een paar op fluisterenden toon gevoerde woorden met den waard, waarop deze het drietal naar een afgelegen vertrek voerde, hetwelk met een deur toegang gaf tot een smalle gang, die op een steeg uitkwam.

Raffles betaalde den waard, sloot de deur, en nu begonnen de drie mannen zich snel te verkleeden; een half uur later zou niemand in hen de drie mannen herkend hebben, die hier den nacht hadden doorgebracht.

Zelfs Henderson was ondanks zijn herculischen lichaamsbouw door Raffles zoodanig behandeld met allerlei kleursels en stiften dat zijn gelaat een geheel andere uitdrukking had gekregen.

De hond kreeg een rafelig stuk touw om den nek, hetgeen hem niet weinig scheen te grieven, en daarop trok het drietal door de achterdeur zonder dat iemand hen opmerkte.

De drie mannen richtten hun schreden naar de haven, waar zij wisten, dat om de tien minuten een boot naar Coney Island zou afvaren.

Op dezen tijd van den dag waren er nog niet veel vermaakzoekers, en de drie mannen konden dus ongestoord met elkander praten.

De overtocht duurde ongeveer tien minuten, en toen stonden zij voor de geweldige toegangspoort die naar de stad van Het Vermaak voerde.

Er bevonden zich daar nog slechts enkele provincialen, gewapend met groote valiezen en manden, monsterachtig groote regenschermen, en hoeden van een halve eeuw terug, die met open mond naar al de wonderen staarden, welke zich hier in schreeuwende kleuren en onder oorverdoovend lawaai aan hen openbaarden.

Maar de drie mannen waren om een ander doel gekomen, dan om hier vermaak te zoeken. Zij liepen achtereenvolgens alle tenten, kramen, draaimolens en andere gelegenheden af en het duurde niet lang of zij hadden alle een baantje. Bij Henderson ging het al zeer gemakkelijk, want om hem werd letterlijk gevochten.

De directeurs begrepen dat er uit dezen reus een onbeperkte hoeveelheid arbeid was te halen.

Gelukkig waren de drie mannen op een kleine plek bijeengekomen, Raffles als bediende in een wijnhuis, Charly als helper bij een zweefbaan; zijn weinig eervolle taak bestond hierin, dat hij de zweeflustigen die aan een katrol langs een draad naar beneden gleden een duwtje moest geven om vaart te krijgen, en Henderson als portier van een bioscoop.

Al deze zaken waren vrij dicht bij den ingang gelegen, en men kon vandaar het voorplein gemakkelijk overzien.

Zoo werd het avond, en de drie vrienden verrichtten hun bezigheden alsof zij hun geheele leven niet anders hadden gedaan.

In den loop van den middag was het reeds veel drukker geworden, en het geraas van de glijbanen, de straatdraaimolens en de rutchbanen was nu werkelijk oorverdoovend.

Zoodra de duisternis viel wenden allerwegen de groote booglampen ontstoken en het reusachtige terrein baadde in het helwitte licht.

Den geheelen dag hadden de drie mannen hun oogen goed den kost gegeven, in de hoop, op deze plek iets te ontdekken dat hun van nut zou kunnen zijn.

Het was elf uur in den avond toen Raffles eindelijk vrij kreeg, en afgelost zou worden door een collega voor den nachtdienst, die, tusschen haakjes, heel wat voordeeliger was.

Hij maakte Busto los, die al dien tijd in een soort [15]waschhok vastgebonden was geweest, en het dier sprong dol van blijdschap om hem heen.

Maar vlak bij de ingangspoort stond de hond eensklaps doodstil, hief den schranderen kop op, en begon ijverig te snuffelen.

En eensklaps stoof hij vooruit, en rende op een kleine nieuw opgelakte auto toe, waarin, behalve de chauffeur, vier heeren waren gezeten.

Het dier had evenwel den wagen nog niet bereikt, of deze zette zich in beweging, en reed snel weg, terwijl de hond brommend en zachtjes jankend achterbleef.

Raffles had de auto wel gezien, maar de personen, die er zich in bevonden, waren onzichtbaar voor hem gebleven, daar de auto zich van hem verwijderde.

Hij keek om zich heen, in de hoop, dat hij een huurauto zou kunnen vinden, om de roode auto te kunnen achtervolgen, maar het lot was tegen hem; er was heinde en verre geen huurauto te zien.

—De tweede maal! riep Raffles tandenknarsend uit. De schurk is mij alweder ontsnapt. Ik zou er op durven zweren, dat hij daar in die auto zat, die nu uit het gezicht is verdwenen.

Hij bedacht zich niet lang, maar begaf zich naar de bioscoop, waar Henderson nog altijd voor de deur stond, en zeide: Ga mede, Henderson!

—En mijn baantje hier, Mylord? vroeg de reus.

—Laat dat maar varen, zeide Raf£les ongeduldig.

—Dat laat ik mij geen tweemaal zeggen, Mylord, want het is met uw welnemen niets voor mij, zeide Henderson met een zucht van verlichting, er is niet genoeg handeling in, ziet gij.

—O, het zal niet lang duren of we zullen handeling in overvloed hebben, James, hernam Raffles, kom, laten wij spoedig mijnheer Brand waarschuwen.

Henderson verliet dadelijk zijn post, ondanks het vloekend getier van den directeur der bioscoop, ten einde zijn meester te volgen.

Gezamenlijk begaven zij zich naar de zweefbaan, waar Charly zich juist gereed maakte, een zeer zwaarlijvige dame een zetje te geven die boven op de stellage gereed stond, zich te laten afglijden, en reeds met krampachtig gesloten vuisten de lus van de katrol vasthield.

—Kom naar beneden, Charly! beval Raffles.

—Krijg ik nu een duwtje of niet? riep de dikke juffrouw woedend.

—Komt u morgen op denzelfden tijd maar eens terug! voegde Charly haar toe; ik heb op het oogenblik geen tijd meer.

En terwijl de dikke dame onder het schaterend gelach der omstanders hopeloos boven op het plankier bleef staan, daalde Charly snel de smalle trap af en voegde zich bij zijne twee metgezellen.

—Wat is er gaande? vroeg hij op gedempten toon.

—Er is gaande, dat Busto zooeven opnieuw den Moloch heeft geroken! antwoordde Raffles, terwijl hij de vuisten balde.

—Weet je het zeker?

—Er valt niet aan te twijfelen. Hij moet den heelen avond op het terrein zijn geweest om met een paar vrienden zich te amuseeren. Het zou mij honderdduizend dollar waard geweest zijn als ik Busto vrij had laten rondloopen, want die zou den bandiet spoedig hebben ontdekt.

—Heb je de auto gezien? vroeg Charly.

—Ja, het was een vuurroode wagen maar een tamelijk gangbaar model zooals er hier honderden rondloopen.

—Wat wil je doen?

—Mijn onderzoek voortzetten! Het kan mij niet meer schelen of het gevaar oplevert, ik moet hem terugvinden. Wij zullen een nieuw plan op touw moeten zetten! Ik heb al iets bedacht, dat wellicht zal slagen. Hier wil ik niet meer blijven, want ik heb het gevoel alsof iedere seconde welke ik nog hier blijf nutteloos verspild is.

Een oogenblik later hadden de drie mannen het kermisterrein verlaten, en zich naar de aanlegplaats van de boot begeven, vergezeld door Busto, die blijkbaar den hemel dankte dat hij eindelijk uit zijn waschhok bevrijd was. Van de roode auto was niets meer te ontdekken en het was duidelijk dat zij reeds met een vorige boot was overgestoken.

Zoodra zij weder de kade van New-York bereikt hadden, zei Raffles:

—Neem gij beiden uw intrek weder in het logement waar wij dezen nacht geweest zij, let goed op mijn seinen, ik keer naar het centrum van de stad terug, morgen zul je wel nader van mij hooren. [16]