Richard Chesterton bewoonde een fraai huis in de twintigste straat.
Het was omstreeks tien uur in den morgen van den volgenden dag toen een statige bediende met spierwit haar het studeervertrek van Chesterton binnentrad, waar zijn meester zooeven was binnengetreden.
—Daar is iemand die moet u spreken! kondigde hij aan.
Chesterton wierp een verbaasden blik op de pendule, en zeide:
—Nu? op dit uur? Hoe is de naam van die bezoeker?
—Ik heb hem zijn naam gevraagd, mijnheer, maar hij zeide dat die er niets toe deed, omdat gij dien toch niet kende.
—Gaf hij dan het doel van zijn bezoek niet op?
—Ook niet, mijnheer! Hij zeide slechts dat hij u over een zeer ernstige zaak moest spreken.
—Hoe zag hij er uit?
—Een eerwaardig heer, ongeveer zestig jaar, hij beeft een klein handvalies bij zich.
Chesterton dacht nog even na en zeide toen schouderophalend:
—Nu, laat dien heer maar binnen!
De bediende verwijderde zich en liet een oogenblik later een man binnen die er juist zoo uitzag zooals hij hem beschreven had, een zestigjarig grijsaard met een eerwaardig uiterlijk en die een klein handvalies droeg.
Hij bleef even op den drempel van de deur staan, terwijl Chesterton opstond om hem te verwelkomen, met een trek van verbazing op zijn gelaat, dien hij hoffelijk trachtte te verbergen.
—Neem plaats wat ik u verzoeken mag, mijnheer! zeide Chesterton, met een uitnoodigend gebaar naar een gemakkelijken stoel.
De bezoeker sloot de deur achter zich en ging langzaam naar de hem aangewezen plaats terwijl hij zijn blikken aandachtig in het rond liet glijden.
Ten slotte vestigde hij ze onderzoekend op Chesterton, die achter zijn schrijftafel had plaats genomen, en begon:
—Ik kan mij voorstellen, mijnheer, dat gij wel wat verwonderd zijt over dit vroege bezoek van een vreemdeling. Uw bediende zal u echter wel hebben medegedeeld dat ik over een ernstige zaak met u kwam spreken.
—Dat deed hij inderdaad, mijnheer! zeide Chesterton terwijl hij zijn bezoeker nieuwsgierig opnam, zoudt ge mij de reden van uw bezoek uiteen willen zetten?
—Aanstonds, mijnheer.
De bezoeker bekeek een oogenblik zijn blanke gespierde handen, vestigde toen opnieuw zijn doordringenden blik op Chesterton en hernam:
—Sta mij toe met een vraag te beginnen, mijnheer. Gij zijt immers een vriend van Peter Vandyke en zijn dochter Cissy.
Chesterton keek verbaasd op, en antwoordde: Dat ben ik inderdaad, mijnheer, ik heb geen enkele reden om het te ontkennen! Mag ik weten waarom gij mij die vraag stelt.
—Dat zal u aanstonds duidelijk worden, antwoordde de bezoeker glimlachend.
Hij sloeg zijn eene been over het andere, en vervolgde: Als gij een vriend van den huize Vandyke zijt, dan zal u er natuurlijk veel aan gelegen zijn dat hun geen onheil overkomt, welnu, het is natuurlijk voor u geen geheim, evenmin als voor een ander bewoner van deze stad dat Peter Vandyke zoowel als zijn dochter in deze dagen aan een zeer groot gevaar blootstaan.
—Wat wilt gij zeggen, mijnheer, vroeg Chesterton verwonderd, ik begrijp u niet!
—Dan zal ik wat duidelijker moeten zijn, ik bedoel dat de bende van Het Kwade Oog helaas nog altijd bestaat, dat haar aanvoerder nog leeft, en dat de bedreigingen aan het adres van den staalkoning weder begonnen zijn.
Chesterton was half van zijn stoel opgerezen en staarde den eerwaardigen ouden heer met groote oogen aan. [17]
—Gij hebt gelijk! Vandyke verkeert nog altijd in groot gevaar! Komt ge me soms zeggen dat gij een complot ontdekt hebt?
—Neen, dat niet, mijnheer, antwoordde de grijsaard, zoover gaat mijn kennis niet! Alles wat ik weet is dat het leven van Peter Vandyke niet veilig zal zijn voor de bende van Het Kwade Oog is uitgeroeid—dat wil zeggen voor haar aanvoerder is gevangen.
—En komt gij hier om mij dat te zeggen, mijnheer, riep Chesterton eenigszins ongeduldig uit.
—Neen, mijnheer, niet daarom! hernam de bezoeker rustig. Ik kom u voorstellen, mij te helpen om de bende onschadelijk te maken! Ik ben er van overtuigd dat gij u gelukkig zoudt prijzen als gij er toe zoudt kunnen bijdragen een einde te maken aan het schrikbewind van die bende.
—Dat zou ik zeker, mijnheer, riep Chesterton uit, nu ten hoogste verbaasd, maar zoudt gij mij eindelijk eens willen zeggen wie gij zijt, dat gij mij dit voorstel komt doen.
—Ik ben John Raffles, kwam er kalm over de lippen van den bezoeker.
Het volgende oogenblik vloog de lade van het schrijfbureau open en Chesterton nam er met een driftige beweging zijn revolver uit.
Hij was zeer bleek geworden en zijn wenkbrauwen waren dreigend samengetrokken toen hij op gedempten toon uitriep: Gij zijt de gentleman-inbreker, en dat durft gij mij hier in mijn gezicht te komen zeggen? Steek uw handen op!
De mond van de revolver wees in de richting van den bezoeker, maar deze bleef in dezelfde gemakkelijke houding in zijn stoel achteruitleunen en trok met welbehagen aan de sigaar, welke Chesterton hem zooeven had gepresenteerd.
—Ik zou die revolver maar wegdoen, zeide hij rustig, zij is volkomen nutteloos, denkt gij mij met een ongeladen revolver vrees aan te jagen?
Met een woedend gebaar klapte Chesterton de revolver open—het magazijn was ledig!
—Ik lees verwondering en schrik op uw gelaat! merkte Raffles fijntjes op, gij begrijpt niet hoe de patronen uit de revolver verdwenen zijn welke gij toch zelf geladen in die lade hadt gelegd! Ik zal u niet lang in de onzekerheid laten—ik heb ze er zelf uitgehaald.
—Gij zijt dus reeds hier geweest? vroeg Chesterton heesch.
—Ja, vannacht!
—Wat zegt gij daar? waart gij vannacht hier? dus—een inbraak?
—Niet in de gewone beteekenis, waarde heer! gij zult geen zilveren theelepeltje, geen dollar missen! en toch zijt gij zoo onvoorzichtig geweest bijna twintigduizend dollar in dat ijzeren kistje daarginds in die kast te sluiten; gij kunt het openen en u overtuigen dat ik ze niet heb aangeroerd.
—Dat doet er niet toe! ik weet wat mij te doen staat, riep Chesterton driftig.
Met een vlug gebaar nam hij het telefoontoestel.
—Hallo, juffrouw, met het hoofdbureau van politie, onmiddellijk.
Chesterton hield de oogen strak op zijn bezoeker gevestigd, maar deze had zelfs niet met de oogen geknipt, en rookte kalm verder.
—Hallo, juffrouw, met het hoofdbureau van politie, herhaalde Chesterton stampvoetend. Vervloekt, ik krijg geen gehoor.
—Dat is geen wonder, waarde heer, ik ben zoo vrij geweest den draad door te knippen.
Met een snelle beweging bukte Chesterton zich over zijn bureau en uitte een gesmoorden vloek.
Het was waar—het bruine snoer was doorgesneden, en het eind lag op het wijnroode karpet.
Langzaam legde hij het nu nutteloos geworden toestel weder weg, wierp de revolver in de lade, schoof haar dicht en liet zich in zijn schrijfstoel vallen.
Hij beet woedend een stuk van zijn pas aangestoken sigaar en vroeg kortaf:
—Wat wilt gij van mij—waarom zijt gij vannacht hier gekomen, als gij toch niets hebt medegenomen?
—Tot beter begrip van de zaak zal ik u het eerst op de eerste vraag antwoorden, zeide Raffles, die geen seconde zijn beminnelijke kalmte verloren had. Gij moet weten, dat ik mij tot het uiterste inspan om op het spoor te komen van den Moloch, dat is de naam waaronder het hoofd van de Bende van Het Kwade Oog bij de leden bekend is, en ik moet zeggen dat het van uwe zijde van zwarte ondankbaarheid getuigt, dat gij op staanden voet een man wilt neerschieten of laten arresteeren die de politie reeds zoo krachtig heeft bijgestaan bij haar pogingen om de bende uit te roeien; en nu ga ik nog stilzwijgend de diensten voorbij, welke ik aan uw vriend Vandyke heb bewezen—en die toch misschien wel waard zijn dat men ze zich herinnert! Maar laat ons ter zake komen. Ik heb een hond wien ik de lucht van een door den Moloch verloren stuk goed heb kunnen geven. Welnu, het dier heeft [18]dezer dagen woedend een auto aangeblaft waarin zeven heeren gezeten waren! Vier heb ik daarvan herkend en onder die vier waart ook gij.
—Welnu, wat zou dat? vroeg Chesterton, een weinig zachter gestemd. Het krankzinnige denkbeeld heeft toch niet bij u post gevat dat ik de Moloch zou zijn?
—Men kan nooit weten, antwoordde Raffles lakoniek! Onder de gearresteerde luitenants hebben zich personen bevonden, die een eervolle plaats in de maatschappij bekleedden. Niemand zou hen een oogenblik hebben durven verdenken, en toch waren zij moordenaars en dieven!
—Nu begrijp ik het—gij hebt u dus willen overtuigen dat op mij in ieder geval de verdenking niet kon rusten de chef van die vreeselijke bende te zijn, riep Chesterton uit.
—Gij hebt het geraden! Ik heb scherpe oogen, en ik had allicht iets ontdekt, wat u zou hebben verraden, bovendien had ik mijn hond meegenomen! Het beest snuffelde wel een weinig rond, wat natuurlijk is, omdat gij met den Moloch in een auto hebt gezeten, maar ik ken het dier. Het zou zich heel anders hebben gedragen als hij zich in het huis van den chef zou hebben bevonden.
—En is het onbescheiden als ik zou vragen, waarom gij geen souvenir uit mijn huis hebt medegenomen, vroeg Chesterton sarcastisch.
—Dat heb ik slechts nagelaten, mijnheer Chesterton, om u te bewijzen, dat gij in dit bijzonder geval zonder gevaar mijn bondgenoot kunt zijn! Ik heb u alleen van zes revolverpatronen beroofd, omdat ik het tooneeltje van zooeven wel voorzag!
—Gij wilt dus dat ik de bondgenoot word van een.…..?
—Zeg het maar, mijnheer Chesterton … van een inbreker! vulde Raffles kalm den zin aan. Gij beleedigt mij volstrekt niet als gij het zegt! Waarom ik inbreker ben geworden en hoe ik mijn beroep uitoefen, dat zijn natuurlijk zaken, waarmede gij u niet ophoudt; wij willen dat dan ook terzijde laten, en ik verzoek u alleen maar mij als eerlijk man te willen antwoorden op de vraag, of gij niet gelooft dat ik hier te New-York vrij groote diensten aan de politie heb bewezen.
Chesterton keek even zwijgend voor zich uit, en riep toen plotseling: Gij moogt zijn wie gij wilt—het is waar, en het zou onedel zijn om het te loochenen: gij hebt in de zaak tegen de Bende van het Kwade Oog onwaardeerbare diensten aan mijn vriend Flannagan bewezen! Zonder uw toedoen zou er nu waarschijnlijk nog geen enkel lid van die vreeselijke bende gearresteerd zijn.
—Het verheugt mij dat gij dit erkent! hernam Raffles droogjes, terwijl hij zijn grijze oogen met een koelen blik op Chesterton vestigde. Hoe gij over mij denkt laat mij trouwens onverschillig, de vraag is nu slechts of gij mij behulpzaam wilt zijn om den Moloch te ontdekken?
—Ja, dat wil ik, riep Chesterton eensklaps uit! Het kan mij niet schelen wat gij elders zijt; gij zijt een doodsvijand van de bende en dat is voor mij voldoende! Ik weet zeker dat Flannagan in mijn plaats juist zoo zou hebben gehandeld! En zeg mij nu wat uw plan is.
—Het is zeer eenvoudig, mijnheer Chesterton! Gij behoeft van uw kant niets anders te doen dan New-York te verlaten en een week weg te blijven! Niemand mag echter het flauwste vermoeden van uw heengaan koesteren!
—Met welk doel wilt gij mij wegzenden? vroeg Chesterton verwonderd.
—Ik wil uw plaats innemen! Gij zijt immers een vriend van de zeven heeren, in wier gezelschap gij dezer dagen in het Central Park een rit hebt gedaan met de lichtbeige auto van mijnheer Brain?
—Ja zeker, maar wat kan u dat voor nut zijn?
—Van meer nut dan gij denkt! antwoordde Raffles, ik beschik over middelen die boven uw begrip gaan en ik zie veel meer dan gij ooit zoudt kunnen zien. Inspecteur Flannagan valt natuurlijk buiten iedere beschouwing, maar de anderen moeten in mij Richard Chesterton zien—en de rest kunt gij aan mij overlaten.
—Maar dan is mijn hulp van negatieven aard! riep Chesterton teleurgesteld uit.
—Ik zou u gaarne een meer daadwerkelijk aandeel in de jacht doen nemen, hernam Raffles glimlachend, maar dat gaat nu eenmaal niet! En zeg mij nu op den man af of gij mij op die wijze helpen wilt.
Chesterton dacht een oogenblik na, een oogenblik was het alsof hij Raffles de hand wilde toesteken, hij bedacht zich, kreeg een kleur en zeide slechts:—Het is goed—ik zal vertrekken zonder dat iemand er iets van weet; ik weet niet hoe het komt, maar ik heb een gevoel alsof gij zult slagen.
—Ik dank u! zeide Raffles, wiens gelaat een oogenblik verstrakt was, toen de ander hem de hand wilde reiken en zich weder bedacht.
—Wanneer wilt u dat ik vertrek? vroeg Chesterton. [19]
—Aanstonds; liever over tien minuten dan over een kwartier!
—Gij blijft dus in mijn huis.
—Ja—maar gij kunt al het geld en al het zilverwerk meenemen!
Weer verspreidde zich een dieproode kleur over het gelaat van Chesterton, maar toen riep hij uit:
—Ik denk er niet aan om iets mee te nemen, ik vertrouw u!
—Zooals gij wilt! hernam Raffles koeltjes.
—Maar daar bedenk ik mij—gij lijkt in het geheel niet op mij.
—O! wees daar maar niet bezorgd over! Geef mij slechts een half uur en ik zal op u gelijken, en gij zult meenen, uw spiegelbeeld te zien.
—Maar dan zullen er twee Chestertons zijn!
—Daar behoeft geen vrees voor te bestaan! Ik zal mij hier in deze kamer verkleeden, gij trekt mijn overjas aan, zet mijn hoed op, neemt de tasch waarin ik het een en ander heb medegebracht, doet mijn grijzen baard en pruik aan en zet mijn gouden bril op! Ik zelf zal u wel uitlaten en als een der bedienden u ziet, zal hij toch het bedrog in dien korten tijd niet kunnen bemerken.
—En waar moet ik dan heengaan?
—Dat doet er niet toe, als gij slechts de stad verlaat en wat ver uit de buurt gaat. Gij kunt den baard en de pruik wegwerpen, of nog liever met een steen bevracht in het water gooien zoodra het duister is geworden. Maar wilt ge ze voor mij bewaren, zooveel te beter! Zorg echter dat gij naar een stad gaat waar men u niet kent en dat gij reist onder een valschen naam, dat is alles wat ik van u vraag.
Terwijl hij sprak had Raffles de deur op slot gedraaid, zoodat hij niet door een bediende verrast zou kunnen worden en opende nu het valies, waaruit hij achtereenvolgens eenige pruiken, wat valsche knevels en een doos kleurstoffen nam, benevens een kleine doos die een kapspiegel bevatte.
—Wees zoo goed zoo dicht mogelijk bij het raam te gaan zitten, zoodat uw gezicht helder verlicht wordt; het is een gelukkige omstandigheid dat ik ook grijze oogen heb, al zijn de uwe wat lichter.
Terwijl Chesterton voor het raam plaats nam, zette Raffles den spiegel op, ontdeed zich van zijn overjas, zette de pruik af, en begon zijn gelaat met de grootste zorg te grimeeren, waarbij hij telkens dat van Chesterton tot model nam.
En deze zag tot zijn verbazing, dat daar op tien passen afstand van hem een dubbelganger ontstond wiens gelaat tot in de kleinste bijzonderheden op het zijne geleek, dezelfde gebruinde tint, dezelfde fijne rimpeltjes naast de oogen, dezelfde fijngeteekende wenkbrauwen, hetzelfde kastanjebruine haar, dat aan de slapen begon te grijzen! Toen Raffles gereed was zeide hij:
—Nu zullen we van kleederen moeten verruilen! Ik moet alles van u hebben: uw boord, uw das, uw manchetten vanwege de knoopen, alleen uw laarzen niet, want ik zie dat de onze geheel aan elkander gelijken!
De beide mannen ontdeden zich van hunne bovenkleederen en daar zij van hetzelfde figuur waren pasten ze voortreffelijk.
De geheele gedaanteverwisseling had geen half uur geduurd. Met verbazing, bijna met schrik had Chesterton zijn dubbelganger aangezien, en zeide nu op fluisterenden toon:
—Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was! Ik dacht dat iets dergelijks alleen maar in romans voorkwam! Of ik wil of niet—ik moet u mijn compliment maken.
—Dat kunt gij voor later bewaren, mijnheer Chesterton, zeide Raffles, terwijl hij Chesterton in zijn overjas hielp.
Hij bevestigde zelf den grijzen baard en de pruik, liet hem den bril opzetten, reikte hem hoed en valies toe, en zeide:
—Nu is het tijd!
Hij opende de deur voor Chesterton en bracht hem de gang door naar de voordeur, daargekomen zeide hij fluisterend:
—Sein mij uw adres, zoodra gij uw plaats van bestemming bereikt hebt.
Chesterton knikte bevestigend en het volgende oogenblik viel de deur achter hem dicht. [20]