Raffles keek Chesterton even na, en keerde toen naar de werkkamer terug van den man, wiens plaats hij had ingenomen.
Met behulp van de kleine werktuigen, welke hij had medegenomen, laschte hij snel den geleidingsdraad van de telefoon weder en drukte op den knop van de electrische schel, die boven op het blad van zijn schrijftafel was bevestigd.
Even later trad dezelfde bediende, die hem zooeven de buitendeur had geopend, het vertrek binnen.
Raffles opende niet dadelijk den mond, maar beschouwde aandachtig het gelaat van den man, om te zien, of zich daarop verwondering of een andere aandoening afspiegelde.
Maar de bediende stond daar rustig en onderdanig, in de correcte houding van den huisknecht van goeden huize.
Toen vroeg Raffles, de stem van Chesterton voortreffelijk nabootsend:
—Zie je niets bijzonders aan mij, Henry?
De bediende hief het hoofd op, keek zijn gewaanden meester even aan, en antwoordde toen:
—Als mijnheer het mij veroorlooft zou ik zeggen, dat hij een weinig bleek ziet—misschien heeft mijnheer niet goed geslapen?
—Dat is het geval! Ik heb een weinig hoofdpijn, maar dat zal wel weer overgaan bij een goede wandeling. Ik stelde je zooeven de vraag maar, omdat ik een nieuwe das draag, en je goeden smaak ten opzichte van heerenkleeding ken.
—Ik moet zeggen dat mijnheer een goede keuze heeft gedaan, zeide de bediende gevleid. De das staat mijnheer voortreffelijk.
—Ik ben blij dat je er zoo over denkt! hernam Raffles glimlachend.
Hij wreef even met de hand over het voorhoofd en hernam toen:
—Kun je je ook herinneren of ik afspraken heb, ik gevoel mij zoo dof vandaag.
—Voor zoover ik weet zou mijnheer om half twaalf een wandelrit gaan maken met de heeren Finn en Flannagan. Zij zouden u hier komen afhalen. Vanmiddag dineert mijnheer bij mijnheer Peter Vandyke en dan geloof ik dat mijnheer voornemens was vanavond naar de eerste voorstelling van Carmen te gaan.
Raffles had snel een en ander genoteerd op den vloeilegger die voor hem lag en zeide nu:
—Dank je, Henry—nu schiet het mij weer te binnen; zorg dat mijn paard op tijd gezadeld is en kom mij waarschuwen.
De bediende verliet het vertrek weder en Raffles bleef alleen.
—Als zelfs de bediende mij niet herkend heeft, bromde hij tevreden voor zich heen, dan kan ik gerust zijn! Alleen de tint schijnt nog een weinig te licht te zijn, maar dat is gemakkelijk te verhelpen, en wat zou ik nu doen? zoo zette hij zijn alleenspraak voort. Ik zal het vertrek nog verder onderzoeken dan ik vannacht heb kunnen doen, misschien geeft het onderzoek van de correspondentie mij een paar vingerwijzingen voor mijn gedrag, ik zal voorzichtig moeten zijn om mij niet te verspreken en misschien doe ik wel het beste deze interessante bleeke tint niet te veranderen, en mij een weinig ziek te houden, dan behoef ik niet zooveel te spreken. Het schijnt wel vast te staan dat Finn en Flannagan tot de bijzondere vrienden van Chesterton behooren, daar zij zeer vaak met hem uitrijden, en ik schijn ook in den huize Vandyke een gaarne geziene gast te zijn!
Raffles begon nu verscheidene laden van het bureau open te trekken, en hier en daar een blik in de brieven te werpen, welke Chesterton in den laatsten tijd ontvangen had.
Veel wijzer maakten zij hem niet, maar hij vond er althans aanwijzingen in die hem van nut konden zijn.
Om elf uur begaf hij zich naar de fraai ingerichte slaapkamer, waar de bediende het rijkostuum reeds had uitgelegd.
Raffles verwisselde van kleeding en hij was juist [21]gereed toen hij door het geopende raam voor de deur het getrappel van paardenhoeven hoorde.
Hij trad op het venster toe, en zag Finn en Flannagan, te paard gezeten, die lachend naar boven keken en hem toewenkten.
Raffles wuifde terug, ging de trappen af, en nam uit de handen van Henry een geruite pet en een karwats aan.
Toen hij de deur uitkwam zag hij daar reeds een prachtigen vosruin staan door een pikeur bij den toom gehouden.
Finn begroette hem met zijn gewone luidruchtigheid, en zijn kinderachtig lachje, maar Flannagan merkte op:
—Schort er iets aan, Richard? Je bent een beetje bleek!
—Hoofdpijn, mijn waarde, slecht en te kort geslapen! Let maar niet op me, het zal bij den rit wel overgaan!
Hij zette den voet in den stijgbeugel en was met een enkelen zwaai in den zadel.
—Kijk eens hoe lenig onze Richard wordt op zijn ouden dag, riep Finn met zijn onnoozel lachje, wie zou dat achter hem gezocht hebben, men zou meenen met een jongen van twintig jaar te doen te hebben. Raffles haalde de schouders op, maar hij begreep dat hij voorzichtig moest zijn en goed op zijn beweging moest letten.
Finn met zijn schaapachtig gezicht en zijn bête lachje, scheen meer op te merken dan hem lief was!
De drie mannen gaven de paarden de sporen en reden naar het Central park, waar het reeds zeer druk was, van ruiters en amazones, prachtige auto’s en sierlijke equipage’s.
Raffles sprak met opzet niet veel en stelde de kosten van het gesprek op rekening van zijn vrienden van het oogenblik.
Maar hij zette beide ooren goed open en er ontging hem niets van hetgeen de beide anderen zeiden.
Plotseling schrikte hij op en keek met ingespannen aandacht naar een naderende auto, een kleinen wagen, waarin twee mannen gezeten waren.
Hij had hen zelfs op grooten afstand onmiddellijk herkend, het waren Henderson en Charly Brand.
De reus zat achter het stuur, in een keurige livrei gekleed en Charly zat achterin, gemakkelijk achterover leunend, en als een dandy gekleed.
Naast hem zat een hond, die volkomen kaalgeschoren was—het was de beklagenswaardige Busto!
Charly hield het dier bij den halsband vast.
Reeds in de verte scheen de jonge man Chesterton herkend te hebben.
Raffles gaf hem een voor de anderen onmerkbaren wenk, waaraan de jonge man kon bemerken, dat hij Raffles voor zich had en dat de gedaanteverwisseling geslaagd was.
Een oogenblik was Raffles bevreesd dat Busto hem zou herkennen, en dat daardoor zijn geheele plan in duigen zou worden geworpen.
Gelukkig echter hield Charly het dier stevig aan den band vast.
En dit bleek wel noodig te zijn!
Want bij het voorbijrijden van het rijtuig begon de hond als een razende te blaffen en te rukken, in een wanhopige poging om los te komen.
Het dier liet al zijn tanden zien, en scheen aan een hevige opwinding ten prooi.
Maar Charly hield hem goed vast, daar hij zelve begreep dat hij zijn meester geen dienst zou bewijzen als hij den hond gelegenheid gaf, vroolijk blaffend tegen hem op te springen.
Maar ook de beide metgezellen van Raffles schenen het zonderlinge gedrag van den hond te hebben opgemerkt, die met de voorpooten op den rand van het portier was gaan staan, schor blafte, en zich bijna verwurgde in zijn pogingen om los te komen.
—Wat wil die hond toch van ons? riep Flannagan verwonderd uit.
—Ik geloof niet dat het op ons voorzien is, waarde Theodor! antwoordde Raffles schouderophalend.
—Dan heb je het mis, waarde Richard! schetterde Finn. De kaalgeschoren hond moet bepaald iets van ons hebben, een van ons drieën schijnt zijn misnoegen op te wekken, nu, ik ken het dier in het geheel niet, en ik behoef mij van zijn woede niets aan te trekken, hi, hi!
Het blatende lachje van den salongek irriteerde Raffles, zonder dat hij had kunnen zeggen waarom.
Natuurlijk had ook hij het vreemde doen van den hond opgemerkt, waarvan hij volstrekt niets begreep.
Vergissen kon hij zich niet, de hond blafte zoo woedend tegen hun ruitergroepje—maar waarom?
Vanwaar die woede, die zoo geheel ongemotiveerd leek?
Hij wierp een blik op het gelaat van Flannagan waarop niets dan verbazing te lezen stond, en vervolgens op het bolle onbeteekenende gelaat van Buster Finn, waarvan de lach nog niet geweken was.
Hij trachtte in de fletsblauwe oogen te zien maar [22]slaagde daarin niet, want de jonge man had zijn blikken reeds weder op iets anders gevestigd dat zijn aandacht trok.
Eensklaps hield Finn zijn paard in, wendde zich tot zijn beide metgezellen en zeide:
—Neem mij niet kwalijk, vrienden, daar reed een mijner vrienden voorbij, en het schiet mij te binnen dat ik hem een gewichtige vraag moest stellen, ik vind jelui wel terug bij de rotonde over een half uur.
En zonder antwoord af te wachten, wendde hij den teugel, drukte zijn paard de sporen in de zijde, en galoppeerde weg.
Raffles had zijn paard eveneens ingehouden en half doen wenden om den jongen man na te kijken.
—Waar wacht je op? vroeg Flannagan een weinig ongeduldig, ben je bang dat Finn van zijn paard zal vallen? Die vrees is overbodig, want ik ken weinig menschen die zoo voortreffelijk paardrijden en dat is vreemd genoeg voor zulk een verwijfd, salontype als onze vriend Buster is! Maar wat blijf je daar toch in gedachten staan, riep Flannagan ongeduldig!
—Neem mij niet kwalijk, zeide Raffles uit zijn gepeins opschrikkend, ik dacht aan iets.…..
Hij voltooide den zin niet, maar bracht zijn paard weder naar dat van den jongen inspecteur en reed verder.
Nadat zij ongeveer tien minuten zwijgend hadden voortgereden, begon Flannagan:
—Ik kan niet zeggen dat je erg spraakzaam bent Richard, moet ik dat alleen aan je hoofdpijn toeschrijven?
Raffles die in gedachten had voortgereden hief met een ruk het hoofd op, en zeide:
—Neem het mij maar niet kwalijk—ik weet, dat ik vanmorgen slecht gezelschap ben, vertel mij maar eens liever hoe het met je trouwplannen staat!
De oogen van den jongen inspecteur begonnen te schitteren toen hij antwoordde:
—Peter Vandyke heeft mij reeds gezegd, dat het huwelijk over twee maanden kan plaats hebben.
—Voortreffelijk, ik geloof dat je zeer gelukkig zult worden, want Cissy, zijn dochter, is niet alleen een heel mooi meisje, maar ze is ook moedig en verstandig.
Even scheen er een wolk over het gelaat van den jongen inspecteur te trekken.
—Van een ding zou ik zoo gaarne zeker willen zijn voor wij huwen! zeide hij.
—Wat zou je dan nu nog wel kunnen wenschen? vroeg Raffles.
—Ik wenschte dat wij den Moloch hadden gevonden, en de Bende van het Kwade Oog aldus den genadeslag hadden gegeven! zeide Flannagan op hartstochtelijken toon. Niet alleen zou ik dat wenschen in mijn kwaliteit van politiebeambte, maar ook, omdat ons leven nog altijd gevaar zal loopen, zoolang die ellendeling niet gevonden en onschadelijk gemaakt is.
—Wees maar stil, Theodor—ik ben er van overtuigd dat binnen een week, misschien wel binnen enkele dagen aan het bestaan van het Kwade Oog een einde is gemaakt, of dat haar althans een slag zal worden toegebracht, dien zij onmogelijk weer te boven zal kunnen komen.
Flannagan wendde snel zijn gelaat naar den spreker en keek hem verrast aan.
—Je zegt dat met een overtuiging alsof je er volkomen zeker van was, riep hij uit. Ik wilde dat ik jouw vertrouwen op dien gunstigen uitslag kon deelen.
—Ik blijf bij wat ik gezegd heb. New-York zal spoedig van dien geesel verlost zijn! hernam Raffles op beslisten toon.
—Als dat waar was, dan zou mijn geluk volkomen zijn! riep Flannagan uit.
Weer reden de beide mannen eenigen tijd zwijgend voort, maar plotseling begon Raffles:
—Vertel mij eens, Theodor, wat denk je van Buster Finn?
De inspecteur keek Raffles verwonderd aan, en herhaalde:
—Van Buster Finn? Hoe meen je dat in ’s hemelsnaam wel?
—Wel, wat weet je van zijn particuliere leven?
—Maar beste vriend,—hetzelfde wat jij er van weet! gaf Flannagan verbaast ten antwoord, Finn leidt het leven van alle rijke jongelui in een groote stad! Hij is een beste kameraad, maar geen hoogvlieger—eerder een beetje leeghoofdig, en voor zulke menschen is de keuze naar uitspanning tamelijk beperkt—even beperkt als de horizont van hun gedachten! Maar dat alles weet jij even goed als ik; je moet hem zelfs nog langer kennen dan ik! Je weet waarin zijn vermaken meestal bestaan—de wedrennen, het circus, de Variété’s, auto-ritje, de vrouwen, de wijn, en het spel! Dan houdt hij er nog een wapenverzameling op na, geloof ik, en hij heeft ook wel eens met postzegels geknoeid, maar andere liefhebberijen houdt hij er niet op na, waarom vraag je me dat eigenlijk alles?
—Omdat … begon Raffles aarzelend. [23]
Hij hield echter plotseling op en vroeg: Buster Finn komt immers veel in het huis van den Staalkoning?
—Hij is er als ’t ware kind in huis! Dat moet gij toch ook weten Richard?
—Maar hoe is het mogelijk, dat een meisje als Cissy behagen kan scheppen in het gezelschap van een man als Buster Finn? drong Raffles aan; hij is niet mooi, hij is niet geestig, hij lacht om de grootste flauwiteiten, hij kleedt zich als een fat, en hij is verbazend met zichzelf ingenomen!
Flannagan haalde de schouders op en antwoordde:
—Ik geloof dat het louter gewoonte is; zij kent hem reeds geruimen tijd en haar vader was nogal met hem ingenomen!
—Een zonderlinge voorkeur!
—Volstrekt niet zoo zonderling. Buster Finn is immers een neef van hem!
—Dat is waar ook dat had ik bijna vergeten! zeide Raffles op onverschilligen toon.
Het gesprek liep nu over andere zaken, totdat de beide ruiters de rotonde bereikten.
Zij wachtten daar geruimen tijd, maar toen zij Buster Finn niet zagen opdagen, keerden zij weder terug.
Zij zagen den jongen man nergens meer in het park, en daar het tijd werd voor den lunch, namen zij afscheid van elkander.
Raffles reed alleen weder naar het huis van Chesterton, diep in gedachten verzonken, en nu en dan ternauwernood ontkomend aan het gevaar van door een zware vrachtauto onderste boven geworpen te worden.
Hij gebruikte den lunch alleen in de kleine eetzaal van het fraaie huis, hetwelk zijn dubbelganger bewoonde en begon zich daarop te kleeden voor het bezoek aan Vandyke!
Maar al dien tijd bleven zijn gedachten bij het zonderlinge voorval in het Central Park.
Waarom—tegen wien had de hond zoo woedend geblaft?
Dat Busto tegen zijn eigen meester, ook al was hij vermomd, zoo nijdig zou blaffen, was ondenkbaar.
Flannagan stond boven iedere verdenking.
Bleef slechts over Buster Finn, de neef van Peter Vandyke.
—En toch, is dat wel mogelijk! bromde Raffles voor zich heen, is het geen krankzinnigheid om zoo iets te vermoeden, waar zouden die vermoedens mij heen voeren? De man die lid van de bende van het Kwade Oog is moet iemand zijn begiftigd met een buitengewoon helder verstand, een groote stoutmoedigheid en zeldzame doortastendheid—drie eigenschappen welke Buster Finn ten eenemale ontbreken. Hij is het toonbeeld van den onnoozelen salonheld, die al zijn aandacht wijdt aan zijn sokken en dassen, en die zich nooit met koud water zou wasschen!
En toch kon Raffles zich niet meer los maken van de gedachten die hem gevangen hielden, al waren zij krankzinnig, al leken zij te dwaas om er langer dan een seconde bij te kunnen stilstaan.
Maar waarom was Finn dan zoo plotseling weggegaloppeerd, juist toen de auto was voorbij gereden? Had hij werkelijk een vriend ontdekt?
Of wilde hij slechts de auto narijden om zich te overtuigen dat het blaffen van den hond per sé hem gold?
—Ik moet en zal dit raadsel oplossen! zeide Raffles vastberaden, toen hij de laatste hand aan zijn toilet had gelegd. [24]