[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Het diner.

Het was omstreeks zes uur in den middag toen Raffles zich per auto naar het huis van Peter Vandyke in de vijfde avenue liet rijden.

Hij vond in de ontvangkamer slechts een klein aantal gasten, waaronder ook Flannagan en Buster Finn.

—Hoe is het met de hoofdpijn, Richard? vroeg Cissy op vriendelijken toon, terwijl zij den gewaanden Chesterton tegemoet trad om hem de hand te drukken. Theo vertelde mij zooeven dat je vanmorgen een weinig ongesteld waart!

—Ik dank je voor je vriendelijkheid—het is zoo goed als over! antwoordde Raffles.

—Zullen we je vanavond in de opera zien, Richard? vroeg Buster Finn.

—Ik weet het nog niet, Buster, antwoordde Raffles, het hangt geheel en al van mijn toestand af.

—Maar je hebt het ons beloofd! hernam Finn verwijtend, er is een nieuw ballet, weet je?

—Daar denkt Buster natuurlijk het eerste aan, riep Cissy lachend, de muziek komt voor hem pas in de tweede plaats.

Buster Finn liet zijn kinderachtig lachje hooren en wendde zich toen tot een jong meisje in een rose avondtoilet, om haar op zijn gewone stupide wijze het hof te maken.

Om half zeven begaf men zich aan tafel.

Er waren twaalf gasten, die aan een ronde tafel werden geplaatst in een der beide eetzalen.

Raffles had aan de eene zijde Cissy Vandyke, aan de andere het meisje in de rose japon naast zich.

Vlak tegenover hem zat Buster Finn.

—Het duurde niet lang of het gesprek liep over de jongste bedreigingen van de Bende van het Kwade Oog.

Richard maakte zooeven de opmerking, begon Flannagan, dat het bestaan van de Bende niet lang meer van duur zal zijn.

—En waarop grondvest hij die meening? vroeg Finn nieuwsgierig.

—Dat is het juist—op niets! antwoordde Flannagan lachend. Het is maar zoo’n idee van hem.

—Ik ben het niet met Richard eens! zeide Peter Vandyke hoofdschuddend. Zoolang men den chef niet in handen heeft—zoolang zal ook die Bende bestaan!

—Neem hem dan gevangen! gichelde Buster Finn.

—Je weet wel, dat wij daartoe alles in het werk stellen, Buster! zeide Flannagan op ernstigen toon. Maar die man beschikt over een geheimzinnige macht, welke het voor ons zeer moeilijk maakt, om zijn identiteit te ontdekken. Er zijn nu reeds twee huizen bekend, waarin hij zijn bijeenkomsten organiseerde, maar bij ons op het hoofdbureau van politie is men er vast van overtuigd, dat er veel meer van die huizen moeten zijn—misschien wel een paar dozijn—in geheel New-York verspreid. En al die huizen hebben hunne geheimen, die bezwaarlijk te doorgronden zijn, daarvan ben ik zeker.

—Nu, ik ben zoo vrij om het bestaan van dien Moloch in twijfel te trekken! ging Buster Finn voort, want zoo iets komt in onzen tijd niet meer voor!

Flannagan haalde de schouders op, alsof hij wilde zeggen—„je praat naar je verstand hebt”, en vervolgde:

—Die man bestaat even zeker als ik hier zit! En ik zal niet rusten voor ik hem onschadelijk heb kunnen maken!

—Haha! klonk het hooge lachje van Buster Finn, dan mag je er wel hulp bij halen, want ik wil je niet beleedigen, maar tot dusverre hebben je pogingen niet veel succes gehad, en wat er bereikt is—dat deed iemand die van rechtswege jullie doodsvijand moest zijn—John Raffles!

Er volgde een stilte op deze woorden, want alleen het noemen reeds van dezen naam had een soort verkilling teweeggebracht.

Toch sprak Finn niet anders dan de waarheid, want inderdaad had de Londensche gentleman-inbreker het leeuwenaandeel gehad in den zoo gelukkig gevoerden strijd tegen de bende.

Maar tamelijk spoedig werd het gesprek weder algemeen, [25]en men sprak zoowat door elkaar—tot Raffles plotseling een schok door zijn lichaam kreeg.

Zijn fijn gehoor had een klank opgevangen—een enkel woord slechts, dat door een der aanwezigen was uitgesproken, en dat een herinnering in hem wakker riep!

Hij had die stem eens in geheel andere, zeer gevaarlijke omstandigheden nogmaals gehoord—niet lang geleden!

Het was hetzelfde hooge geluid met denzelfden uithaal—misschien was zelfs hetzelfde woord nu wel gebruikt!

En voor zijn geest doemde het vertrek met het gazen scherm op.

Hij zag weer de tien mannen in hun pij met de kappen over hun hoofd—de lange tafel met het vuurroode kleed—en in den hoek het zwart gazen gordijn.

En hij hoorde weder duidelijk de eigenaardige falcetstem, blijkbaar veranderd, van den man, die achter dat scherm zat, en die hem zou hebben gedood, als hij niet door zijn beide vrienden gered was.

Hij liet zijn blikken over de gasten dwalen, in de flauwe hoop, dat het woord nogmaals zou weerklinken—dat zijn oor, dienzelfden klank nogmaals zou opvangen.

Maar het was vruchteloos.

Het gesprek werd op luiden toon gevoerd, en alle klanken liepen door elkaar.

Maar toen werd zijn aandacht getrokken door Buster Finn en zijn tafeldame, het jonge meisje in het rose costuum.

De hand van den jongen man lag op tafel, en zijn wijsvinger had zooeven vliegensvlug een klein figuur geteekend …

Daarop had hij een bliksemsnellen blik met zijn dame gewisseld en zich onmiddellijk tot zijn anderen buur gewend.

Het had maar even geduurd en in de blauwe schelvischoogen had het een ondeelbaar oogenblik geweerlicht.…..

Raffles voelde hoe zijn slapen klam werden—hoe zijn hart luider klopte—hij had die eigenaardige gewaarwording van den jager, die urenlang op zijn post in het bosch heeft gezeten, en nu ieder oogenblik verwacht, dat het lang begeerde wild onder schot zal komen.

Niemand zou naderhand goed hebben kunnen zeggen, wie er het eerst weder over begon—maar het duurde niet lang of men sprak alweder over de beruchte Bende.

—Ik houd vol, zeide Raffles op een zeker oogenblik, dat als de politie niet al te dom is, de Moloch binnen een week gevangen is! Daarover wil ik gaarne met iedereen die wil een weddenschap aangaan.

—Ik houd tegen, Richard! riep Buster Finn luidruchtig, terwijl hij zijn glas Rijnwijn ophief.

—Tot je dienst, Buster! kwam Raffles. Kom, laten wij er op klinken!

Hij was opgestaan en Buster had zijn voorbeeld gevolgd.

Over de tafel heen raakten de beide glazen elkander.

Maar Raffles stootte blijkbaar een weinig te hard—zijn glas brak—en het afgebroken glas maakte een diepe snede in de pink van Buster Finn.

Het bloed viel in dikke druppels op het tafelkleed.

Duizendmaal excuus! stamelde Raffles. Dat was zeer onhandig van mij! Ik hoop toch dat ik je niet bezeerd heb, Buster?

—Wel, man—het heeft niets te beteekenen! riep Buster Finn uit en zijn schelle stem deed een siddering over het lichaam van den Grooten Onbekende loopen …

Die klank—was hem bekend!

Hij wist zich slechts met moeite te beheerschen, en ging weer zitten, terwijl Buster zijn zakdoek om zijn sterk bloedende pink had gewikkeld.

Men was het kleine incident spoedig vergeten en de maaltijd eindigde in groote opgewektheid.

Raffles had een paar kostelijke anecdotes verhaald en ook de gastheer had een paar verhalen gedaan, waarmee hij veel succes had gehad.

De heeren hadden zich naar de fraai ingerichte rookkamer begeven en de dames hadden zich verzameld in het boudoir van Cissy, waar het gelukkige jonge meisje haar vriendinnen ongetwijfeld zou onderhouden over haar uitzet.

Eenige heeren waren naar de biljard-kamer vertrokken, en daaronder waren ook Raffles en Flannagan.

Toen een partij beëindigd was nam Raffles den jongen inspecteur ter zijde en zeide op fluisterenden toon:

—Ken je dat meisje in het rose, de tafeldame van Buster?

—Een interessant gezichtje, nietwaar? Ik ken haar nog pas kort—zij moet een vreemdelinge zijn, en heeft op een liefdadigheidspartij met Cissy kennis gemaakt.

—Is Buster verliefd op haar? [26]

—Dat schreeuwt hij tenminste van de daken!

—Kent men de identiteit van het jonge meisje?

Inplaats van te antwoorden keek Flannagan den gewaanden Chesterton strak aan en zeide in de grootste verbazing:

—Wat bezielt je toch vandaag? vroeg hij eindelijk op zachten toon. Wat is er met je, Richard? Vanmiddag in het park, tijdens den wandelrit heb je het doopceel willen lichten van Buster Finn en nu praat je zoo vreemd over dat jonge meisje, dat zijn belangstelling heeft gaande gemaakt. Wat moet dat toch beteekenen?

—Misschien meer, dan ik je op dit oogenblik nog kan zeggen, Theodor, antwoordde Raffles op ernstigen toon. Je zoekt immers naar leden van de Bende? Neem dan een goeden raad van mij aan, en laat de gangen van het meisje in het rose in het geheim eens goed nagaan—maar zeer in het geheim, want je hebt niet met de eerste de beste te doen.

Flannagan wierp Raffles nogmaals een onderzoekenden blik toe en zeide toen:

—Als dat van jou niet al te dwaas zou klinken, zou ik bijna zeggen, dat je een weinig te ver bent gegaan in het proeven van den wijn van mijn aanstaanden schoonvader.

—Ik ben volkomen nuchter, Theodor, en ik verzoek je ook dringend niet aan mijn gezond verstand te twijfelen.

Op dit oogenblik kwam Buster Finn binnen met zijn gewone lawaai en riep reeds op den drempel van de deur:

—De heeren voor de opera worden verzocht zich gereed te maken! Over een kwartier komen de auto’s voor. Kom, Richard—wat sta je daar weer te beraadslagen met den man des gezags! Zet je queue weg en maak je gereed te gaan genieten van het nieuwe ballet.

—Wij komen aanstonds! riep Flannagan uit. Vergeet niet dien zakdoek van je pink te doen—het staat allesbehalve fraai. Cissy kan je wel aan een hechtpleister helpen.

—Ik zal er om denken, hi, hi! grinnikte de fat, terwijl hij wegliep!

Raffles keek hem eenige oogenblikken na en wendde zich toen opnieuw tot Flannagan.

—Luister eens, Flannagan! begon hij op zachten, maar dringenden toon. Ik heb je een verzoek te doen—en ik hoop van ganscher harte, dat je er gevolg aan zult geven, zonder mij al te veel te vragen.

—Wat dan wel? vroeg Flannagan verbaasd, en zelfs eenigszins verontrust door den ernst, waarmede de gewaande Chesterton had gesproken.

—Je gaat met Cissy, Peter Vandyke, Buster en nog eenige anderen naar de opera?

—Ja zeker! antwoordde Flannagan verbaasd. Jij bent toch ook van de partij?

—Neen, ik zal door hevige hoofdpijn verhinderd zijn.

—Daar begrijp ik niets van! mompelde de inspecteur. En nu je verzoek?

Raffles ging zoo dicht mogelijk bij den inspecteur staan, en fluisterde hem toe:

—Laat Buster Finn in geen geval tusschentijds vertrekken, niet voor dat de Opera geheel geëindigd is, dus omstreeks kwart over elf. Belet het hem tot iederen prijs om jullie te verlaten—desnoods met geweld!

—Wat zeg je daar? Man, je bent gek! stotterde Flannagan.

—Ik zeg je nogmaals, dat ik volkomen bij mijn verstand ben! Ik verzoek je dringend—houdt Buster Finn tot vanavond kwart over elf aan je zijde! En ik voeg er nogmaals aan toe—al moest je geweld gebruiken. Ik neem de geheele verantwoordelijkheid voor mijn rekening.

—Maar wat denk je dan? Wat vermoedt je dan? vroeg Flannagan, die zeer bleek was geworden.

—Ik denk dat ik op het spoor ben van den Moloch, meer kan ik nu niet zeggen! antwoordde Raffles. En nog iets, als Buster wil vertrekken, als de Opera gedaan is, laat hem dan gaan, en houdt tegen twaalf uur vannacht een honderdtal goed gewapende agenten gereed.

En nog vóór Flannagan van zijn ontsteltenis bekomen was, en nog iets had kunnen vragen, was Raffles verdwenen. [27]