De Amerikaansche bladen stonden reeds den volgenden morgen vol van de opzienbarende arrestatie van den neef van Peter Vandyke, Buster Finn.
Het bericht leek velen zoo bespottelijk, dat zij aan een flauwe grap dachten en hun lezers waarschuwden, er niet al te veel geloof aan te hechten.
De meeste bladen echter gaven de zaak op echt Amerikaansche wijze weer.
Zij wisten, dat het op sensatie beluste publiek verlangde naar een dergelijk bericht, en besteedde bijna een geheele voorpagina aan de zaak, verlucht met al of niet authentieke portretten van Buster Finn, Peter Vandyke en zijn dochter Cissy, van haar verloofde, den inspecteur van politie Theodor Flannagan, en niet te vergeten van Richard Chesterton, den man, die met buitengewone schranderheid het raadsel van den Moloch had weten te doorgronden.
Er waren bladen, die den spot dreven met de politie en de vraag stelden of men er wellicht niet beter aan zou doen, het zoeken naar misdadigers over te laten aan amateurs, daar dezen blijkbaar beter hiervoor geschikt waren dan de beroepsspeurders.
De geheele levensloop van Buster Finn werd vermeld en tot in de kleinste bijzonderheden uitgeplozen—en wat de verslaggevers niet zeker wisten, of niet konden uitvinden—dat fantaseerden ze er maar bij!
Maar in alle verhalen kwam een gevoel van groote opluchting aan den dag dat er nu ten slotte een einde was gemaakt aan het bestaan van de gevaarlijke bende, die maanden lang de geheele reuzenstad vergiftigd had.
Een aantal bladen bracht ook het aandeel ter sprake, hetwelk John Raffles, de geheimzinnige gentleman-inbreker, in de arrestatie van een groot aantal bendeleden gehad had, maar men vond dat hetgeen hij gedaan [5]had toch geheel in het niet zonk bij de verrichtingen van Richard Chesterton, die met ongelooflijk doorzicht en wonderbaarlijke schranderheid het geheele komplot ten slotte had blootgelegd.
Er waren slechts een paar bladen, hoofdzakelijk linksche organen, die uit principe niets konden goedkeuren, wat „een lid van de aristocratische bende” had verricht, die lastige vragen stelde!
Zij wilden bijvoorbeeld weten, hoe Chesterton aan al zijn wijsheid kwam, waar hij plotseling den hond vandaan had gehaald die hem zulke groote diensten had bewezen, hoe het kwam dat men vroeger nooit van zijn bekwaamheden als amateur detective had gehoord. En meer indiscrete dingen.
Hun stem ging echter geheel verloren in het koor van loftuitingen aan het adres van den schranderen Chesterton.
In lange jaren was er in geheel Amerika niets voorgevallen, hetgeen zooveel opzien baarde als de ontdekking dat Buster Finn, de neef van Peter Vandyke, de man die niet geheel en al voor vol werd aangezien, de lang gezochte Moloch was!
Raffles las een groot deel van deze verhalen in een zeer fraai gemeubeld vertrek in een huis van de Twintigste straat, hetwelk toebehoorde aan Richard Chesterton.
Hij ontving van den grijzen bediende, Henry, een geheelen stapel ochtendbladen, en las die nu een voor een met alle aandacht.
Nu en dan liep er een glimlach over zijn gelaat en soms ook fronste hij de wenkbrauwen.
Eindelijk had hij ook het laatste blad doorgelezen, rekte zich uit, en zeide voor zich heen:
—Als de echte Chesterton hier te New-York terugkeert, zal hij worden verafgood! Ik ben blij dat ik mijn rol spoedig ten einde zal hebben gespeeld, want ik voorzie voor dien heer zeer drukke dagen!
Hij stond op, stak een sigaret aan en begon met groote schreden, juist zooals Richard Chesterton placht te loopen als hij ergens over nadacht, het vertrek op en neer te schrijden, met de handen op den rug, en het hoofd een weinig gebogen.
—Het is noodig, dat ik vandaag nog den geheelen dag als Richard Chesterton blijf rondloopen. Ten eerste zal de politie mij wel noodig hebben tot nadere verklaring en ten tweede is het niet geheel en al onmogelijk in deze vermomming nog een goeden slag te slaan, bij wijze van souvenir aan het gastvrije Amerika.
Raffles bleek goed te hebben gezien, want een kwartier later werd hij per telefoon uitgenoodigd op het politiebureau te komen, ten einde daar eenige toelichtingen te geven omtrent de wijze waarop hij den Moloch op het spoor was gekomen.
In het bureau van den hoofdcommissaris vond hij reeds den inspecteur Theodor Flannagan, die met Richard Chesterton nauw bevriend was, en wien hij den avond te voren zijn vermoedens het eerst had medegedeeld.
De jonge inspecteur drukte den man dien hij voor zijn vriend aanzag krachtig de hand en zeide op hartelijken toon:
—Ik wensch je van harte geluk, Richard, en ik verzeker je dat ik volstrekt geen naijver gevoel! Je hebt een kranig stuk werk verricht, en er is maar een ding dat mij spijt: dat je niet tot het politiekorps bent toegetreden.
Raffles had glimlachend geluisterd en zeide nu:
—Het toeval is mij gunstig geweest, Theo, dat is alles.
—Maar hoe ben je voor den drommel op het spoor gekomen? riep Flannagan verwonderd uit—en hoe zit dat toch met dien hond? Ik lees in de politieverslagen, dat je op het laatst een kaalgeschoren terrier hebt gebruikt; hoe kwam je daaraan?
—Die behoorde aan een der beide mannen die mij behulpzaam zijn geweest, loog Raffles voor de vuist weg.
—Maar wie waren dan die mannen? vervolgde Flannagan. Wisten die iets van je ontdekkingen?
—Het waren leden van de bende die zich verongelijkt achtten en wraak wilden nemen!
—Maar waar zijn zij zoo eensklaps gebleven, mijnheer Chesterton? vroeg nu de hoofdcommissaris, die nog niet gesproken had.
Raffles verborg met moeite een glimlach.
Hij zelf was het geweest die den vorigen avond, zoodra de agenten op het spoor van den Moloch waren, kalmpjes rechtsomkeer had gemaakt met Henderson en Charly opdat die twee mannen niet in moeilijkheden zouden geraken.
Langs zijn neus weg antwoordde hij:
—Ik vermoed dat die twee lieden er de voorkeur aan [6]hebben gegeven, niet af te wachten of de politie hun straffeloosheid zou waarborgen wegens hun verraad aan de bende!
—Maar wij moeten hen terug vinden, riep Flannagan opgewonden uit, die mannen kunnen ons kostbare inlichtingen en bewijzen leveren! Weet je niet waar ze zich ophouden?
Raffles haalde de schouders op.
—Zij zijn hard weggeloopen, zoodra de laatste in het onderaardsche dievenhol was afgehaald en zij waren reeds lang uit het gezicht voor ik hen kon weerhouden; hun woonplaats heb ik nooit geweten.
—Maar hoe heb je hen ontdekt? Waarom hebben die twee schurken zich tot jou gewend en niet rechtstreeks tot de politie.
Dit was nu een vrij listige vraag en Raffles dacht juist vliegensvlug over een goed antwoord na, toen hem de moeite hiervan gespaard werd doordat de deur van het vertrek geopend werd en er twee personen binnentraden, bij wier aanschouwing Raffles groote moeite had een beweging van verrassing te onderdrukken.
Want daar vlak voor zich, op nauwelijks vier meter van hem vandaan, stond een man, dien hij te Londen onder zijn grootste vijanden moest rangschikken.
Die man was James Sullivan, een der beste detectives van Scotland-Yard en misschien wel de beste.
Daar stond de man, die het zich tot levenstaak had gesteld, den grooten onbekenden te arresteeren en die daarin reeds tweemaal bijna geslaagd was!
En naast hem stond het jonge meisje, de vrouwelijke detective Dorrit Evans, zijn medewerkster en leerlinge!
Ook met haar had Raffles reeds eenige malen moeten strijden en hij had in dit jonge meisje met haar groote bruine oogen en haar energieke gelaatstrekken een tegenstandster gevonden wier kracht niet te onderschatten viel!
Maar Raffles was er de man niet naar, langer dan een seconde verrast te zijn, zelfs niet door de onverwachte verschijning van twee Londensche detectives op deze plek!
Hij hield alleen rekening met het feit, dat James Sullivan, zijn gevaarlijke tegenstander, voor hem stond, zoo dicht bij, dat hij hem bijna zou kunnen aanraken—hoe hij daar kwam—dat deed er minder toe!
Maar reeds stelde Flannagan de beide mannen aan elkander voor.
—Mijnheer James Sullivan, een der beste speurneuzen der Londensche politie, en zijn veelbelovende leerlinge, miss Dorrit Evans—mijn vriend Richard Chesterton, die zooveel heeft bijgedragen tot de arrestatie van den Moloch!
De twee mannen bogen voor elkander en Dorrit stak Raffles vrijmoedig de hand toe.
—Het doet mij genoegen, mijnheer Chesterton, dat ik kennis maak met een man, die zoo schrander en ondernemend is opgetreden ofschoon hij niet tot ons gilde behoort. Ik hoop dat gij ons later eens in bijzonderheden zult uiteenzetten hoe gij wel het spoor van den Moloch ontdekt hebt.
—Ik zal het niet nalaten, Miss, antwoordde Raffles met een fijn glimlachje.
De griffier van den hoofdcommissaris had die antwoorden van Raffles nauwkeurig opgeteekend en daarop vervolgde deze functionaris:
—Men heeft mij medegedeeld, mijnheer Chesterton, dat gij gisteren tijdens het diner ten huize van Peter Vandyke, dien Buster Finn met opzet een kleine snijwonde hebt toegebracht. Stemt dat met de waarheid?
—Ja, dit is inderdaad het geval!
—Gij moet dus toen reeds argwaan jegens hem gekoesterd hebben?
—Ja!
—Wilt gij ons eens zeggen, waarop die argwaan eigenlijk berustte? ging de hoofdcommissaris voort.
Raffles aarzelde een oogenblik.
Hij begreep, dat hij zich op eenigszins glibberig terrein bevond, vooral omdat hij niet altijd den tijd had gevonden zich in de rol van Chesterton in te werken.
Hij kende slechts weinig diens vrienden en gewoonten, en mocht zich in geen geval bloot geven, vooral niet in tegenwoordigheid van den man, die Chesterton zoo intiem kende.
Hij zeide dus, zonder zich al te lang te bedenken:
—Mijn vermoedens berustten hoofdzakelijk op een soort instinct! Toch waren er ook authentieke gegevens! Als gij het goed vindt, zal ik die voor u op schrift stellen en u er morgen een soort rapport van overleggen.
—Dat is uitstekend, mijnheer Chesterton! kwam de hoofdcommissaris van politie. Ik wil ook niet langer [7]van uw kostbaren tijd misbruik maken, dan volstrekt noodzakelijk is.
Raffles maakte een buiging, blijkbaar om aan te toonen, dat hij het gesprek als geëindigd beschouwde, maar alvorens hij vertrok wendde hij zich tot Sullivan en Miss Evans en vroeg op belangstellenden toon:
—Gij komt waarschijnlijk om een studie te maken van dit opzienbarende geval? Maar hoe kan ik zoo dom vragen—gij moet reeds minstens een week geleden uit Engeland vertrokken zijn, en toen was er van de arrestatie van den Moloch nog geen sprake!
—Toch zijn wij voor een deel wel degelijk hierheen gekomen, in de hoop de onderzoekingen van de New-Yorker politie te mogen volgen! Maar wij willen er geen geheim van maken, dat het ons in de eerste plaats te doen is om—John Raffles.
—Wat? Wilt gij hem hervatten? riep de gewaande Chesterton verbaasd uit. Dat moogt gij immers niet als Londensche detectives. Al zoudt gij hem vatten dan zoudt gij hem slechts met list kunnen terug brengen naar Engeland, want Amerika zou hem u niet uitleveren.
—Wat dat laatste betreft vergist gij u, antwoordde Sullivan glimlachend. Dezer dagen is juist het uitleveringstractaat afgesloten, dat mag ik nu wel zeggen, zonder een geheim te schenden. Maar wat het eerste betreft hebt gij gelijk—wij zouden hem hier op Amerikaansch grondgebied niet mogen arresteeren. Maar—Raffles moet toch vroeg of laat naar Londen terugkeeren, waar hij verblijf houdt—en als hij met een Engelsch schip gaat, waarop 99 van de 100 kansen zijn, dan mogen wij, natuurlijk verondersteld, dat wij zijn spoor vinden, hem aan boord van het schip gevangen nemen, daar het zoo goed als Engelsch grondgebied is.
—Gij hebt gelijk! hernam Raffles. Nu, hij mag zich voor u in acht nemen, die John Raffles! En nu mijne heeren, wensch ik u goeden dag—ik heb vandaag nog zeer veel te doen.
Raffles boog gracieus naar alle zijden en verdween na Flannagan de hand te hebben gedrukt.
Hij verliet het politiebureau en begaf zich naar het huis van Chesterton, niet evenwel om een rapport op te maken, waaraan hij geen seconde dacht, maar om op zijn gemak een of ander plan te bedenken, om dezen laatsten avond en nacht nog winstgevend te maken.
Omstreeks half zes meende hij iets gevonden te hebben en hij begaf zich daarom met een vergenoegd gezicht aan tafel, teneinde geheel alleen het voortreffelijk bereide maal te verorberen.
—Die kok van mijn dubbelganger is een uitnemend personage! bromde hij voor zich heen. Als het niet wat lastig was, zou ik den man schaken, en hem naar Londen overbrengen, maar dat zal zijn bezwaren medebrengen. Het is wel jammer, dat men een goeden kok niet even gemakkelijk kan medenemen als een pakje bankbiljetten.
Omstreeks 8 uur was de maaltijd afgeloopen en Raffles begaf zich naar de werkkamer van Chesterton, teneinde daar nog haastig een en ander na te snuffelen hetwelk hem bij zijn plannen voor dien avond dienstig kon zijn.
Om negen uur omstreeks werd hij uit de lezing van een paar brieven opgeschrikt, doordat de deur haastig geopend werd.
Raffles zag op.
Op den drempel stond Richard Chesterton in eigen persoon! [8]