Chesterton was snel binnengetreden en had bijna tegelijkertijd op den knop van een electrische schel naast de deur gedrukt.
Hij deed dat met de linkerhand en in de rechter hield hij een revolver op hem gericht.
Hij keek Raffles met een kouden blik aan, die half uit zijn stoel was opgerezen, maar nu rustig weder ging zitten en zeide op gedempten toon:
—Ik wist niet dat gij de onbeschaamdheid zoo ver zou drijven, nu nog hier zijn! Ik zou u den raad willen geven u niet te bewegen!
—Ik denk er niet aan, mijn waarde heer, zeide Raffles kalm.
—Dat is verstandig van u, want zooals gij ziet ben ik gewapend—en gij hebt niet zooals den laatsten keer toen wij hier zaten, de patronen uit mijn revolver kunnen nemen.
Op dit oogenblik ging de deur achter hem open en Henry, de oude bediende, trad binnen.
Hij werd zoo wit als krijt, en begon over al zijn leden te beven, toen hij daar de beide dubbelgangers zag.
Zonder zich om te wenden, beval Chesterton:
—De telefoon in de vestibule werkt toch, Henry?
—Zeker mijnheer! antwoordde de oude man sidderend, niet wetend, wat hij van deze comedie moest denken.
—Ga dadelijk naar beneden, bel het hoofdbureau van politie op en vraag of inspecteur Flannagan hier komt met een paar man—maar stevige en slimme lieden! Zeg, dat ik het vraag en dat het voor een hoogst gewichtige zaak is.
De bediende knikte snel achter elkaar met open mond en ijlde weg om het bevel te gaan uitvoeren.
Chesterton kwam langzaam naar voren, de revolver steeds op Raffles gevestigd en nam tenslotte plaats op een gemakkelijken stoel, op ongeveer 3 meter van zijn dubbelganger.
Hij keek Raffles strak aan en begon toen weder:
—Verwondert het u niet een weinig, dat ik voor den afgesproken tijd ben teruggekeerd?
—Het verwondert mij zelfs zeer sterk, mijnheer, antwoordde Raffles koeltjes. Ik meende natuurlijk, dat die belofte was afgelegd door een man die zijn woord houdt!
Chesterton rees half uit zijn stoel op met een grimmigen blik in zijn oogen en terwijl een donkere blos in zijn wangen opsteeg.
Toen ging hij weder zitten en hernam op kouden toon:
—Er kunnen zich omstandigheden voordoen, mijnheer, waarin een gentleman zich van zijn gegeven woord ontslagen mag achten!
—Voor mij bestaan dergelijke omstandigheden nooit, mijnheer Chesterton! kwam Raffles, den blik van zijn sterke grijze oogen met een niet te miskennen beteekenis op het gelaat van den ander vestigende.
—Dat mag zoo zijn—ik had er mijn redenen voor! kwam Chesterton kortaf. Gij hebt mij gisteren verzocht u in mijn huid te mogen steken en ik heb daarin toegestemd, half zwichtend voor den dwang van uw revolver, half wegens de erkentenis, dat gij de eenige waart, die den Moloch zou kunnen onschadelijk maken.
—Ja, ik weet wat het is! viel Raffles hem sarcastisch in de rede. Gij hebt gedacht:
„Met dieven vangt men dieven”! en misschien [9]ook wel „van twee kwaden moet men het beste kiezen”.
—Zoo iets dergelijks. Kortom ik wilde u gelegenheid geven om onze stad van een groote plaag te bevrijden en ik geloofde ook wel dat gij daartoe in staat zou zijn. Gij ziet wel, dat ik u de volle maat toemeet.
Hij wachtte even, om te zien welken indruk zijn woorden op Raffles zouden maken, die evenwel rustig bleef zitten, en ging daarop voort:
—Ik ben niet ver buiten New-York gegaan—een paar uren reizens, zooals gij weet. Daar werden dus de berichten van hedenmorgen en hedennacht uit New-York al zeer spoedig ontvangen. Ik las ze en ik meende te droomen! Uw zoogenaamde nasporingen hebben er dus toe geleid, om een achtenswaardig man als Buster Finn voor den Moloch aan te zien. Gij schijnt zelf niet te begrijpen, welk een onzinnige vergissing gij begaan hebt. Ik van mijn kant echter, zag aanstonds in, dat hier bedrog achter school, en dat het een nieuwe looze streek van John Raffles moest zijn, daarom ben ik zoo spoedig ik kon weer hierheen gereisd, en ik zou de politie zeker wel telegrafisch gewaarschuwd hebben, als ik niet getwijfeld had, of gij nog hier waart. Ik zie echter, dat gij werkelijk die onbeschaamdheid hebt gehad—en gij zult nu de gevolgen moeten dragen, welke ik u zeker niet nader behoef te omschrijven.
—Die moeite kunt gij u besparen, waarde heer, antwoordde Raffles. De Amerikanen zullen u dan wel als een Godheid vereeren. Eerst hebt gij den Moloch ontmaskerd, waarover de ochtendbladen als in de wolken zijn, en nu helpt gij zelfs den gevaarlijken Raffles arresteeren.
—Ik zou u raden er niet den gek mede te steken, hernam Chesterton op dreigenden toon, want ik kan u verzekeren, dat ik geen seconde zou aarzelen om van mijn revolver gebruik te maken bij de minste verdachte beweging van uw kant!
—Ik herhaal u dat ik er niet aan denk, mij te bewegen, kwam Raffles schouderophalend. Gij hebt uw revolver in de hand—de mijne zit helaas in mijn zak—en nog wel in een achterzak. Maar gij zult mij het praten evenwel niet beletten! En daarom wensch ik u te zeggen, dat ik de manier, waarop gij aan uw dankbaarheid uiting geeft, al zeer vreemd vind.
—Dankbaarheid? Jegens u? riep Chesterton vertoornd uit. Zijt gij gek geworden?
—In het geheel niet, waarde heer! Ik ben volkomen bij mijn verstand. Ik wil u echter doen opmerken, dat ik niet alleen een zeer gevaarlijke moordenaarsbende, maar ook den Moloch heb vernietigd en uitgeroeid.
—Gij blijft dus bij uw dwaze bewering, dat Buster Finn en de Moloch een en dezelfde persoon zouden zijn?
—Dat lijdt volstrekt geen twijfel! antwoordde Raffles bedaard. Gij zult het morgen zelf zien! Dan zullen de bewijzen zich zoo om den bandiet hebben opgehoopt, dat er geen ontsnappen meer mogelijk is! Over 14 dagen wacht de electrische stoel hem.
Chesterton keek Raffles met groote oogen aan, alsof hij meende te droomen.
—Als dat waar was, barstte hij eindelijk uit, als dat werkelijk waar is, dan zou ik aan mijn eigen persoonlijkheid gaan twijfelen. Ik zeide zooeven dat Buster Finn een achtenswaardig man is, maar hij is tevens een nul, een domkop, een sukkel en een fat. En zoo iemand zou de aanvoerder van een bende dieven en moordenaars kunnen zijn? Gelooven wie het wil, ik niet!
—Als het bendehoofd die karaktereigenschappen, welke gij daar zooeven hebt opgesomd, huichelt, wel, dan is het zeer wel mogelijk! antwoordde Raffles kalm.
Chesterton beet zich op de lippen, scheen zich nog niet gewonnen te willen geven.
Hij wierp een schichtigen blik op de klok en hernam ten slotte:
—Ik wil een oogenblik aannemen, dat gij werkelijk de schuldige ontdekt hebt, dat ontslaat mij dan niet van de verplichting, ook een man als John Raffles onschadelijk te maken. Ik ben dat aan de gemeenschap verschuldigd.
—Uw kinderlijke genegenheid ten aanzien van die gemeenschap is waarlijk ontroerend, mijnheer Chesterton, zeide Raffles op schamperen toon. Veroorloof mij echter, dat ik de zaak uit een eenigszins ander oogpunt beschouw! Ik erken volmondig, dat ik een inbreker ben, en in die hoedanigheid reusachtige sommen bijeen heb weten te krijgen, die overigens voor een groot deel reeds weder hun bestemming hebben bereikt, welke ik u niet wensch mede te deelen, maar [10]die zeker uw beroemde Gemeenschap van zooeven ten goede komt! Aan den anderen kant echter heb ik uw stad bevrijd van een ware bezoeking, een kwaad, dat haar ten ondergang dreigde te voeren. Een paar honderd bandieten, leden van de Bende van het Kwade Oog, zijn uitsluitend door mijn toedoen levenslang of voor lange jaren opgesloten, of zij vonden den dood in gevechten met de politie, anders mijn natuurlijke vijandin! En tenslotte wist ik den chef van die bende te overwinnen. En wat is uw dank voor dit alles? Hoe wilt gij den man behandelen die uw kostelijke rijkdommen, ja misschien het leven der uwen heeft beschermd en in veiligheid heeft gebracht? Gij levert hem aan de politie uit.
Chesterton scheen te aarzelen.
Hij wierp den man, die tegenover hem zat, een weifelenden blik toe—en wie weet wat er gevolgd zou zijn, als niet eensklaps de deur was open geworpen en Flannagan was binnengetreden in gezelschap van Sullivan en gevolgd door drie krachtige politieagenten, terwijl het witte hoofd van Henry door de deuropening zichtbaar werd.
Een oogenblik stond het kleine groepje als uit steen gehouwen bij de deur stil.
Maar daarop riep Flannagan uit:
—Wat voor den duivel heeft dit te beteekenen? Wat stelt die zonderlinge maskerade voor, Chesterton, zoo wendde hij zich tot Raffles, die rustig aan de tafel was blijven zitten.
—Ik ben blij, dat je komt, Flannagan, antwoordde Raffles bedaard. Die gek daar met zijn revolver, mijn dubbelganger, is zooeven hier binnengedrongen, en verzekert bij hoog en bij laag, dat ik John Raffles ben. Het zou mij volstrekt niet verwonderen, als het bleek, dat hij het zelf was.
Chesterton werd bepaald paars van woede en schreeuwde, terwijl hij met zijn revolver zwaaide:
—Laat je niet bedriegen, Flannagan! Om ’s hemelswil, luister naar mij! De man, die daar zit, is John Raffles!
Flannagan en Sullivan waren beiden naar Chesterton toegetreden en zeiden op strengen toon:
—Wie gij ook zijn moogt—doe in ieder geval onmiddellijk die revolver weg.
—Maar ik verzeker je, dat ik Chesterton ben! gilde deze, ten einde raad, en vreezend nu, dat Raffles hem nog zou ontsnappen.
Deze was kalm blijven zitten en had zijn sigarettenkoker te voorschijn gehaald.
Flannagan had zijn blikken van den een naar den ander laten dwalen en zeide nu:
—Het is mij of ik droom! Nooit zag ik twee menschen, zelfs geen tweeling-broeders, die zoo volkomen op elkander gelijken. Wat schuilt hier achter?
—Dat heb ik je zooeven gezegd, mijn waarde, kwam Raffles. Plotseling stond die man daar vóór mijn neus, begon mij de huid vol te schelden, verzekerde, dat ik Raffles was, en dreigde met de politie. Natuurlijk heb ik je toen dadelijk opgescheld, om assistentie te vragen.
Op zijn beurt was Sullivan een paar stappen nader getreden en keek nu ernstig van den één naar den ander.
—Het is werkelijk buitengewoon! zeide hij hoofdknikkend. Eén van deze personen is natuurlijk een bedrieger—maar het zal u niet gemakkelijk vallen, mijnheer Flannagan, om vast te stellen, wie van de twee het is!
Chesterton wischte zijn gelaat met zijn zakdoek af, want het zweet was hem uitgebroken bij de gedachte, dat hij wellicht als een misdadiger kon worden weggevoerd.
Maar plotseling viel hem iets in—iets zeer eenvoudigs, maar dat aan alle onzekerheid een einde moest maken.
Hij trad haastig op Flannagan toe en zeide op schorren toon:
—Je kent Chesterton goed, nietwaar?
—Ik ben jarenlang met hem bevriend geweest! antwoordde de jonge inspecteur.
—Geloof je, dat hij een pruik draagt? ging Chesterton voort, of een valschen baard?
—Welneen! Daar is geen sprake van! riep Flannagan met schitterende oogen uit.
—Welnu, dan stel ik je voor, ons beiden achtereen zoo hard je kunt aan de haren te trekken! riep Chesterton triomphantelijk uit.
—Dat is een uitmuntend plan! riep Flannagan.
Hij wendde zich tot Raffles en zeide:
—Daar kun je natuurlijk niets op tegen hebben, Chesterton! [11]
—Ik heb er daarentegen een massa op tegen! antwoordde Raffles, die nu inzag, dat de zaken een verkeerden loop gingen nemen.
Weliswaar was zijn pruik voortreffelijk gemaakt, en onder normale omstandigheden zou zij ook niet zoo gemakkelijk los raken, maar zij was er niet op berekend, dat men er uit alle macht aan trok—en zijn puntbaardje evenmin!
Het zou hem zeer veel pijn doen, en het resultaat zou toch hetzelfde blijven—deze mannelijke versiersels zouden hem in den steek laten.
Flannagan was met gefronste wenkbrauwen een stap achteruit getreden en herhaalde:
—Je hebt er op tegen? Weet je wel, wat dat beteekent?
—Het beteekent alleen maar, dat ik mijn jongensjaren te boven ben, en liever niet stoei met volwassen mannen, antwoordde Raffles, die tijd trachtte te winnen, om een reden, welke hij zelf niet goed begreep.
—Dan zal ik het doen! riep Chesterton uit.
Hij trad naar Flannagan toe, bukte zijn hoofd en schreeuwde:
—Trek er maar zoo hard aan als je kunt!
Flannagan liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar greep met zijn beide handen het haar van zijn besten vriend stevig vast en rukte er eenige malen hard aan.
Toen riep hij uit:
—Dit haar is even echt als het mijne!
—En als je mij soms nog niet gelooft, vervolgde Chesterton opgewonden, dan heb ik nog een bewijs. Wij hebben herhaaldelijk samen gezwommen, Flannagan, en je weet, dat ik een groote moedervlek op mijn linkerarm heb.
—Ja, dat is zoo! zei Flannagan.
Zonder een woord te spreken, trok Chesterton zijn jas uit, stroopte zijn mouw op en toonde een groote, donkerbruine moedervlek aan de binnenzijde van zijn linkerarm.
Flannagan wierp er slechts een blik op en wendde zich toen tot Raffles.
Langzaam kwam het over zijn lippen:
—Wat hebt gij daar op te zeggen, mijnheer?
—O—slechts een kleinigheid. Ik heb mij blijkbaar vergist! was het antwoord.
Een oogenblik heerschte er doodsche stilte in het vertrek.
Toen wendde Flannagan zich tot Sullivan en zeide:
—Gij hebt wel een wonderbaarlijk geluk, mijn waarde heer Sullivan, dat gij nog nauwelijks een dag in onze stad zijnde, reeds getuige hebt kunnen zijn van de ontdekking van een der slimste en stoutmoedigste inbrekers van deze eeuw!
—Gij vleit mij, mijnheer! liet de stem van Raffles zich hooren. Er zijn er geweest, die slimmer en stoutmoediger waren dan ik!
—Gij erkent dus, dat ge John Raffles zijt? vroeg Sullivan, die bleek van opwinding was, en op zijn ouden vijand toetrad.
—Tot nader order, mijn waarde heer—tot nader order! antwoordde Raffles met een hoffelijke buiging.
Weer bleef het even stil in het groote vertrek, totdat Flannagan het eerst weder sprak en zeide, terwijl zijn stem een eigenaardigen omfloersten klank had gekregen:
—Als gij alles hadt medegemaakt, mijn waarde heer Sullivan, wat hier in de laatste weken is geschied, dan zoudt ge mij kunnen begrijpen als ik u zeg, dat het mij bezwaart, dezen man te moeten arresteeren. Zeker—hij is een inbreker, hij is dus een misdadiger, maar deze zelfde man heeft het leven van mijn verloofde gered en een uiterst gevaarlijke bende ten ondergang gebracht. Ik moet evenwel mijn plicht doen! Ik mag hier niet aarzelen!
Hij wendde zich tot de agenten, die onbewegelijk bij de deur waren blijven staan, en die nu naderbij traden.
Flannagan ging nu op Raffles toe, die langzaam was opgestaan, en onder zijn schmink verbleekt was, en zei op zachten, maar doordringenden toon:
—Steek uw handen uit, John Raffles.
Zonder te aarzelen stak Raffles zijn handen uit—hij begreep wel, dat tegenstand in deze kamer met zooveel vijanden, volkomen nutteloos zou zijn.
Lang voor hij zijn revolver zou kunnen grijpen zou men hem eenvoudig hebben neergeschoten.
Een onderdeel van een seconde later klemden de glinsterende banden van een paar boeien om zijn polsen.
Raffles keek Flannagan strak aan, en zeide glimlachend:
—Daar zullen de bladen zeker van ophooren! Iets dergelijks had men hier zeker niet verwacht. [12]
Daarop wendde hij zich tot Sullivan en vervolgde:
—Wat u betreft, mijn waarde heer en tegenstander, ik kan niet anders doen dan u gelukwenschen! Om een uitdrukking te gebruiken die in den volksmond zeer populair is, gij zijt met uw neus in de boter gevallen, met recht zijn u de gebraden duiven in den mond gevlogen, gij hebt hier nauwelijks voet aan wal gezet, of de grootste van alle toevalligheden doet u aanwezig zijn bij de arrestatie van John Raffles. Nu, ik hoop voor u dat gij zuinig op hem zult zijn.
—Daar kunt gij op rekenen, antwoordde Sullivan droogjes, maar zijn oogen schitterden van vreugde en zegepraal.
Flannagan wenschte zeker een einde aan het tooneel te maken, en beval de agenten:
—Geleid den gevangene weg, maar laat hem geen seconde uit het oog! Gij hebt te doen met een man, die de sterkste boeien heeft weten te verbreken, ik ga trouwens aanstonds met u mede! Breng hem naar het hoofdbureau van politie, ik wensch dat hij aanstonds wordt verhoord!
—Als gij het permitteert, mijnheer Flannagan, liet Sullivan zich hooren, dan zal ik u vergezellen, want gij moet mij de opmerking niet ten kwade duiden, drie politieagenten ter bewaking van John Raffles, is zoo goed als in het geheel niet.
De gentleman-inbreker maakte met zijn gebonden handen een gracieuse buiging voor den Londenschen detective, en zeide:
—Ik dank u zeer voor dat compliment, en ik hoop u te bewijzen dat ik het waard ben!
Sullivan haalde de schouders op, en hernam:
—Ik zeg u dat ik de agenten zal vergezellen, en ik geloof niet dat gij veel kans op ontvluchting hebt.
De detective was op Raffles toegetreden, stak zijn handen in diens zakken, en haalde er alles uit wat zich daarin bevond.
—Behooren die voorwerpen u? vroeg Sullivan, terwijl hij op een fraai bewerkte revolver, een sigarenkoker, een portefeuille, een beurs, een zakmes en nog eenige andere voorwerpen wees, welke thans op de tafel lagen!
—Neen! antwoordde Raffles op hoffelijken toon, ik heb ze in bruikleen van mijnheer Chesterton.
—Hij heeft gelijk, zeide Richard Chesterton, al die zaken behooren mij toe.
—Voert hem dan nu weg, mannen, zeide Flannagan, die zeer bleek was, en blijkbaar onder den indruk van de gebeurtenissen welke zich hier zooeven allen afspeelden.
Raffles werd door de drie agenten, den inspecteur en den detective omsingeld, en wel bewaakt weggevoerd.
Zoo bevreesd was Sullivan voor een ontsnapping dat hij onophoudelijk de blikken gevestigd hield op de boeien, welke de polsen van den arrestant gevangen hielden.
Het was duister en Raffles was er wel eens in geslaagd zich op klaarlichten dag van een paar boeien te ontdoen, terwijl hij door zes agenten omringd was.
De kleine groep daalde de trappen af, en schreed de vestibule door, terwijl een paar bedienden die nog niet geheel en al op de hoogte waren, verstomd van verbazing toezagen.
Buiten stond een groote gesloten auto en Raffles werd er in geplaatst, met twee agenten tegenover zich, en Sullivan aan zijn zijde, die onmiddellijk een krachtige zaklantaarn had ontstoken waarvan hij den lichtbundel onophoudelijk op de geboeide handen van den Grooten Onbekenden gericht hield.
Flannagan had naast den chauffeur plaats genomen, en de beide andere agenten en Chesterton volgden in de tweede auto.
Na een rit van ruim een half uur stonden de beide voertuigen stil voor het hoofdbureau van politie, een geweldig groot gebouw, en dadelijk werd Raffles naar den hoofdcommissaris geleid, die reeds telefonisch op de hoogte was gesteld.
Deze politiebeambte zag er zeer opgewekt uit, wat niet te verwonderen was, want in slechts weinig weken had hij groote dingen bereikt, niet alleen had hij de bende van Het Kwade Oog uitgeroeid, maar nu had hij ook den befaamden Londenschen gentleman-inbreker in handen!
Wel is waar was deze juist de man, aan wien de New-Yorksche politie het leeuwenaandeel in de vangst van den Moloch en zijn voornaamste bende-leden verschuldigd was, maar dat was een toevallige omstandigheid, waarmee de strenge heer zich niet verder verkoos op te houden.
Zoodra Raffles voor hem stond, door zes agenten geflankeerd, terwijl Flannagan en Sullivan zich een [13]weinig op den achtergrond hielden, viel de hoofdcommissaris met de deur in huis en begon:
—Gij zijt John Raffles?
—Zoo noemt men mij, mijnheer!
—Is dat dan uw eigen naam niet?
—Laat ons aannemen van wel, daaromtrent wensch ik mij niet nader uit te laten.
Raffles moest nu den datum van zijn geboorte en zijn geboorteplaats opgeven en daarop vervolgde de hoofdcommissaris:
—Wij kunnen zeer kort zijn, gij blijft natuurlijk in verzekerde bewaring, en ik moet mijnheer Sullivan tot mijn leedwezen mededeelen dat gij hier in de Vereenigde Staten eerst uw straf zult moeten ondergaan voor de misdrijven welke gij hier gepleegd hebt.
—Ik wenschte wel gaarne een opsomming, mijnheer! zei de Raffles op vriendelijken toon.
De hoofdcommissaris rommelde zenuwachtig in een hoop papieren en antwoordde:
—Gij moet u hier herhaaldelijk voor een ander persoon hebben uitgegeven, dat is strafbaar, maar dat beteekent niets bij het voornaamste feit, gij hebt Peter Vandyke een millioen dollar ontstolen!
—O, welk een leelijk woord, mijnheer, riep Raffles verontwaardigd uit, gij wildet zeggen dat ik dat millioen genaast hebt, of onteigend of opgevorderd, of met beslag belegd, of hoe gij het anders wilt noemen, als gij het maar geen stelen noemt!
De hoofdcommissaris haalde ongeduldig de schouders op en hernam:
—Het is mij onverschillig hoe gij het noemt, dat is trouwens een zaak welke de justitie aangaat.
En nu begon er een breedvoerig verhoor, gedurende hetwelk Raffles het eerst sprak, en Chesterton het meest, bijgestaan door Flannagan.
Toen dit was afgeloopen sprak de hoofdcommissaris, terwijl hij zich tot Raffles wendde:
—De billijkheid gebiedt dat ik de diensten erken welke gij ons hebt bewezen in den strijd tegen de Bende van Het Kwade Oog! Dat verandert echter niets aan het feit dat gij een millioen hebt onteigend, zooals gij het verkiest te noemen, het spreekt van zelf dat gij voor dien diefstal zult moeten boeten, a propos, waar is dat millioen?
Tegen zijn gewoonte barstte Raffles in een hartelijk gelach uit, en antwoordde:
—Ik vraag u verschooning, mijnheer de commissaris, maar dat zijn beroepsgeheimen.
—Gij weigert dus de plaats te noemen waar dat reusachtig bedrag verborgen is.
—Maar dat spreekt toch immers vanzelf, riep Raffles uit met een naïeve verbazing welke Sullivan deed stampvoeten van drift, dacht gij dat ik al die moeite voor niets heb gedaan, ik heb dat millioen en ik behoud dat, ik kan zeer veel goeds mee doen! en ik zal dat ook doen.
Maar nu kon Sullivan zich niet langer meer inhouden.
Hij deed een stap naar voren en riep toornig uit:
—Gij zult niet meer in de gelegenheid zijn om iets met dat millioen te doen, John Raffles! Daar zullen wij wel voor zorgen!
—Ik geloof dat gij ongelijk hebt, zeide Raffles kortaf. Laten wij echter niet over de toekomst spreken.
—Dat zou ik u ook niet raden! hernam de Londenschen detective op schamperen toon, als ik er iets aan doen kan ziet die toekomst er voor u verre van rooskleurig uit.
—Nu genoeg gepraat, heeren! riep de hoofdcommissaris uit; brengt hem weg!
Dit laatste bevel was tot de agenten gericht, maar Sullivan trad naar voren en zeide:
—Een oogenblik, als ik u verzoeken mag, mijnheer! Ik zou wel gaarne den gevangene onderzoeken, want als het door politie-agenten moet geschieden, dan vrees ik, met allen eerbied voor hun schranderheid, dat zij misschien wel een en ander over het hoofd zullen zien.
—Ga uw gang, mijnheer! antwoordde de hoofdcommissaris.
Sullivan trad op Raffles toe, en begon met de grootste nauwkeurigheid diens kleeren te onderzoeken.
Hij knoopte zijn jas en vest los, betastte hem overal, gebood hem te gaan zitten en bekeek zorgvuldig de hakken en zolen van zijn schoenen.
En gedurende dit onderzoek riep hij uit:
—Gij ziet, dat ik niet geheel en al ongelijk had: hier in de das vind ik als doekspeld een uiterst fijn vijltje of metaalzaagje van Het allerbeste veerenstaal gemaakt. In een der hakken van de schoenen ontdek ik een kleinen diamant om glasruiten uit te snijden en in de andere een paar goudstukken genaaid, waarschijnlijk [14]om te allen tijde een chauffeur te kunnen betalen of iets te kunnen eten, en op een andere plek nog een vijltje, waarschijnlijk bestemd om er een sleutel mede te veranderen, en een schroevendraaier! Had ik geen gelijk, met op een nader onderzoek aan te dringen.
—Groot gelijk, mijnheer Sullivan, antwoordde de hoofdcommissaris, die vol verbazing had toegezien, en nu weg met den gevangene!
—Met den arrestant, mijnheer! verbeterde Raffles koeltjes, ik ben nog geen gevangene volgens de wet.
—Over dat fijne onderscheid zullen wij niet twisten, hernam de politiebeambte kortaf.
Raffles werd aangegrepen en naar de ruime binnenplaats van het politiebureau gebracht, en daar in de auto geplaatst, welke hem in vijf minuten naar het huis van bewaring overbracht.