De Brigadier had wel gelijk gehad, gedurende den geheelen rit had de arrestant niet opgehouden te betuigen dat hij Richard Chesterton en niemand anders was, dat de agenten een grooten flater begingen, welken zij zich later bitter zouden berouwen, en dat hij, Chesterton, door een zijner vrienden de zaak in de Kamer ter sprake zou doen brengen!
Hij wilde eens zien of er in de Vereenigde Staten nog recht was te krijgen en of men ongestraft, de rijkste en fatsoenlijkste burgers mocht beleedigen.
De agenten echter lachten maar wat, en eindelijk gaf Chesterton den moed op, om hen tot andere gedachten te brengen en besloot hij, zijn stembanden liever te sparen totdat hij voor den gevangenisdirecteur zou zijn gebracht.
Maar de beklagenswaardige gevangene trof het niet bijster, want de directeur bleek zich reeds ter ruste te hebben begeven daar hij dien dag aan zware hoofdpijn had geleden.
De dienstdoende hoofdcipier wilde den man dien zij voor Raffles aanzagen, zonder omwegen weder opsluiten, maar Chesterton, die zich thans met geweld tot kalmte dwong, hield hem zoo ernstig de gevolgen daarvan onder het oog, dat de man begon te aarzelen, en tenslotte besloot den directeur toch maar te laten wekken.
Een kwartier later stond Chesterton voor den directeur der gevangenis, die in een verre van rooskleurig humeur was en den gevangene woedend aankeek.
De vier agenten die hem hadden overgebracht bevonden zich eveneens in het vertrek en een hunner kreeg bevel om mede te deelen wat er geschied was.
De directeur hoorde hem met gefronste wenkbrauwen aan en Chesterton had den man, zonder hem een enkelen keer in de rede te vallen, laten uitspreken.
Toen de agent zijn rapport had uitgebracht vroeg de directeur op barschen toon:
—Hoe zit deze zaak nu eigenlijk? De agent vertelt mij, dat gij voortdurend hebt volgehouden niet Raffles maar Chesterton te zijn!
—Dat is ook zoo, mijnheer, zeide Chesterton, zonder stemverheffing en wel inziende dat hij met kalmte en geduld het verst zou komen.
—Kunt gij dat bewijzen? vroeg de directeur.
Een oogenblik stond Chesterton bedremmeld, want hij begreep maar al te goed dat hij zich in een neteligen toestand bevond, en dat hij met afdoende bewijzen zou moeten aankomen om den directeur van zijn ware identiteit te kunnen overtuigen.
Dit zou hem immers te moeilijker vallen, omdat Raffles ontvlucht was.
Hij dwong zich tot kalmte en zeide:
—Laat ik beginnen met u te zeggen, mijnheer, dat volgens de politieverslagen Raffles een pruik moet hebben gedragen!
—Ja, dat schijnt zoo!
—Het is zoo, mijnheer! riep Chesterton met stemverheffing, maar wij kunnen aanstonds deze zaak oplossen, als gij de moeite zoudt willen nemen mijn vriend Flannagan op te bellen en hem te verzoeken hier te komen! Ik weet dat hij nachtdienst heeft, en hij zal zich dus wel op het hoofdbureau van politie bevinden. Hij kent mij zeer goed en hij zal deze voor mij uiterst onaangename zaak wel weten op te lossen.
De directeur bedacht, dat het hoofdbureau van politie op slechts tien minuten gaans van de gevangenis was gelegen, en daarom nam hij zonder een woord te spreken de telefoon ter hand en verzocht den jongen [26]inspecteur aanstonds bij hem te willen komen aangaande een dringende zaak, waarbij John Raffles betrokken was. Er verliepen tien minuten, en toen traden, aangediend door een cipier, drie personen het vertrek binnen. Flannagan, Sullivan en zijn leerlinge Dorrit Evans.
Flannagan trad dadelijk op den directeur toe, salueerde en zeide:
—Ik heb mij veroorloofd, mijnheer, mijn vriend Sullivan en diens veelbelovende leerlinge Miss Evans mede te brengen. Zij waren toevallig op mijn bureau, om te vernemen of er nieuws van Raffles was en zij vroegen mij aanstonds verlof mij hierheen te mogen vergezellen.
De directeur had Flannagan de hand toegestoken en zeide nu:
—Miss Evans en mijnheer Sullivan zijn welkom! En nu terzake! Kent gij den man die daar staat?
Flannagan wendde zich naar Chesterton, trad dicht naar hem toe, draaide om hem heen, trok hem eensklaps ruw aan de haren zoodat de tranen den gevangene in de oogen kwamen, beval hem de mouw van zijn rechterarm op te stroopen, wreef met kracht over de moedervlek, die zich daar bevond, stak Chesterton de hand toe en zeide tot den directeur:
—Deze man is Richard Chesterton, mijnheer.
—Zijt gij er volmaakt zeker van?
—Volmaakt!
—Ik dank je, Theodor, riep Chesterton, en ik vergeef het je, dat je mij zooeven zoo hard aan de haren hebt getrokken, het deed pijn, maar mijnheer de directeur zal nu ten minste wel overtuigd zijn van mijn identiteit!
Een oogenblik heerschte er een onheilspellend stilzwijgen in het vertrek.
Toen barstte de directeur los:
—Maar voor den duivel wat heeft dit alles dan te beteekenen, wat is dit voor een dwaze klucht?
Daar niemand aanstonds antwoordde, trad Sullivan naar voren en vroeg, zich tot den directeur wendende:
—Wilt gij mij veroorlooven, mijnheer, een paar vragen tot mijnheer Chesterton te richten?
—Ga uw gang, mijnheer!
De Londensche detective trad op Chesterton toe, keek hem recht in de oogen en vroeg:
—Wie heeft u gearresteerd?
—Een brigadier en een agent!
—In uniform natuurlijk?
—Ja, zij waren in uniform.
—Ik zou die mannen wel even willen ondervragen; zij zijn natuurlijk met u mee gekomen?
—Neen, zij zijn in mijn huis achtergebleven! antwoordde Chesterton opgewonden en met een verschrikten klank in zijn stem.
—Achtergebleven in uw huis? herhaalde Sullivan langzaam.
Zijn lippen prevelden eenige woorden, welke niemand verstond, en daarop vervolgde hij luid:
—Welke reden gaven zij voor hun achterblijven op?
—Hij verklaarde dat hij nog een en ander moest nazien!
—Moest hij iets nazien? klonk het ironisch van de lippen van den Engelschen speurder. Wel, wel, dat is zeer belangwekkend. Hoe was de naam van dien brigadier, die het aan ondergeschikten overliet, een zoo uiterst gewichtig gevangene hierheen te brengen?
—Smiles was zijn naam!
Sullivan wendde zich tot Flannagan en vroeg:
—Hebt gij in uw sectie een brigadier van dien naam?
—Een brigadier die Smiles heet, zei Flannagan hoofdschuddend, neen, ik weet bijna zeker van niet.
Sullivan wendde zich weder tot Chesterton en vervolgde:
—Gij zijt natuurlijk niet te voet hierheen gebracht?
—Neen, per auto.
—Met een politieauto?
—Neen, het was een gewone wagen—ik geloof een toerwagen.
—Waar is de chauffeur van die auto?
—Dat kan ik u niet zeggen!
Maar nu trad een der vier agenten naar voren, salueerde en zeide:
—Daarop kan ik u antwoorden, mijnheer. Zoodra wij mijnheer Chesterton uit de auto hadden gehaald, liet de chauffeur zijn wagen keeren en reed op de hoogste versnelling weg.
—Een zonderlinge wijze van doen, vindt gij dat ook niet? zoo wendde Sullivan zich tot den inspecteur, met een eigenaardigen glimlach om zijn krachtig besneden mond.
—Ik moet erkennen dat ik het een vreemde handelswijze [27]vind, antwoordde Flannagan. Ik vraag mij ook af hoe die brigadier aan zulk een particuliere auto kwam; ik vrees dat hier iets achter schuilt, mijn waarde Sullivan!
—Daaraan behoeft gij niet te twijfelen, hernam de Londensche detective. Als die Smiles werkelijk mijnheer Chesterton voor den ontvluchten Raffles aanzag—hetgeen op zich zelf volstrekt niet onmogelijk is, waarom geleidde hij hem dan niet zelf hierheen om rapport uit te brengen? Wat had hij in de woning nog te maken? Waar kwam die auto vandaan? Waarom wachtte de chauffeur niet op orders? Hoe komt het dat de naam Smiles in het geheel niet bekend is in uw sectie?
Niemand gaf antwoord op deze vragen en toch lag dat antwoord op ieders lippen.
—Wij kunnen spoedig zekerheid hebben! Daartoe hebben wij niets anders te doen dan naar het huis te telefoneeren van mijnheer Chesterton.
—Maar dan loopen wij de kans, dat die zoogenaamde Smiles zelf aan het toestel komt en dan zijn wij niet veel verder, zeide Sullivan.
—Dat kan wel voorkomen worden, mijn butler heeft een eigen nummer! riep Chesterton haastig uit.
—Zoo veel te beter, hernam Sullivan, bel hem dan op, vraag hem of de brigadier en de agent er nog zijn en gelast hem, hen zoolang mogelijk aan den praat te houden, natuurlijk als hem dat gelukt.
—En als het hem eens niet gelukt! hernam Chesterton.
Sullivan antwoordde niet rechtstreeks, maar vroeg na even te hebben nagedacht: Hoeveel bedienden hebt gij?
—Op het oogenblik zijn er vier thuis, maar een daaraan is al zeer oud.
Sullivan schudde mismoedig het hoofd en hernam:
—Dat is veel te weinig, als die zoogenaamde Smiles werkelijk de man is—dien wij allen meenen, dan richt gij met vier man niets uit! En zeker niet als zij niet allen gewapend zijn, dan moeten wij dus list te baat nemen. Begin dus maar met uw butler op te bellen, dan weten wij ten minste of die lieden daar nog zijn, „om uw papieren na te zien”.
Chesterton nam de telefoon van den haak, en een oogenblik was hij in gesprek met den butler.
Zijn oogen schitterden toen hij zeide:
—Zij zijn er nog.
Hij luisterde even, toen betrok zijn gelaat, en stampvoetend riep hij uit:
—De kerels hebben mijn schrijfbureau nagezocht, met mijn eigen sleutels een geldkist geopend en de deur van mijn brandkast met een steekvlam opengesmolten.
—Om u de waarheid te zeggen had ik niets anders verwacht, zeide Sullivan schouderophalend, wij moeten niet langer talmen, maar er onmiddellijk op af. Want ik hoop natuurlijk dat ge mij zult toestaan, aan deze kleine expeditie deel te nemen.
—Ik verlang niets liever, mijnheer Sullivan, riep Flannagan uit, niemand onzer heeft den naam nog genoemd, maar wij weten allen dat die duivelsche John Raffles de hand in het spel moet hebben.
—Ik heb er geen seconde aan getwijfeld, van het oogenblik af, dat die brigadier daar alleen in huis is achtergebleven, zeide Sullivan schouderophalend.
—Gij staat mij toch zeker ook wel toe van de partij te zijn, klonk nu de stem van Miss Evans.
—Ik waarschuw u dat het gevaarlijk kan zijn, Dorrit! zeide Sullivan ernstig.
—Wat doet dat er toe, riep het jonge meisje uit, denkt u dat ik een jacht op John Raffles zou willen verzuimen, ik ga met u mee.
—Laat ons dan geen seconde verzuimen, antwoordde Sullivan. Gij hebt hier natuurlijk wel een snelle auto.
—Wij kunnen een der gevangenisauto’s gebruiken, iets anders is er niet, antwoordde Flannagan.
—Vooruit dan! riep Sullivan uit, aangegrepen door een hartstochtelijke jachtwoede.
Dadelijk werden de noodige bevelen gegeven, en enkele minuten later reed een groote en snelle politieauto de poort van de gevangenis uit.
Daarin hadden Flannagan, Sullivan, Miss Dorrit en een vijftal politieagenten plaats genomen.
De chauffeur kreeg bevel om zoo hard te rijden als hij maar kon en nauwelijks twintig minuten later stond de auto stil voor de deur van het prachtige heerenhuis.
In een oogwenk was het huis afgezet, en daarop belde Sullivan aan.
De butler opende hem de deur. [28]
Zijn gelaat was bleek, en zijn oogen hadden een verschrikte uitdrukking.
—Wij zijn van de politie! zei de Sullivan op korten toon, terwijl hij zijn stem zooveel mogelijk liet dalen. Is die brigadier en zijn ondergeschikte nog hier?
—Zij zijn juist vijf minuten geleden vertrokken, mijnheer, zeide de butler bevend, ik kon hen niet langer tegenhouden.
—Vervloekt, kwam het sissend over de lippen van Sullivan, dus slechts vijf minuten te laat!
Hij herstelde zich zoo goed hij kon van deze bittere teleurstelling en vroeg haastig:
—Welke richting zijn zij uitgegaan?
—Ik heb hen den kant van de haven zien oprijden, mijnheer.
—Dan moet er onmiddellijk naar alle politieposten geseind worden—en vooral moeten de havenplaatsen nauwkeurig in het oog worden gehouden! riep Sullivan uit. En nu op weg—Raffles achterna. Hij kan nog niet ver zijn.