[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Vaarwel Amerika!

Zonder zich al te erg te overhaasten, hadden Raffles en Charly hun taak beëindigd, en waren vervolgens in de auto gestapt.

Weliswaar had de butler pogingen in het werk gesteld, hem door allerlei praatjes op te houden, maar Raffles was een zeer scherp opmerker—hij had aanstonds ontdekt, dat er een zekere zenuwachtige rilling over het gelaat van den bediende liep, die niet veel goeds voorspelde.

Zijn zonderling verward gepraat, en zijn schichtig kijken naar de deur hadden Raffles aanstonds verraden, wat er geschied moest zijn.

Hij had den man eenvoudig glimlachend op zijde geduwd en het huis verlaten.

Henderson stond daar buiten achter het stuurwiel van den snellen renwagen te wachten.

Uit het binnenste klonk het blij geblaf van een hond—het was Busto, die zijn meester verwelkomde.

—Ik zou je aanraden, Henderson, den wagen wat hard te laten loopen, want wij zijn een weinig gepasseerd, zei Raffles. Om kort te gaan, wij zijn op de vlucht. Rijdt eerst langs het huis, dat je bekend is, en waar wij nog wat te doen hebben, en dan dadelijk naar de plek waar onze vliegmachine is.

Een seconde later stoof de groote toerauto in ijlende vaart door de straten, tot zij het begin van de Chineezen-wijk bereikt hadden.

Daar hadden Raffles en Charly ongeveer een week geleden een armoedig dakkamertje gehuurd, waar zij van tijd tot tijd kwamen, en er ook menigmaal hadden geslapen, ten einde geen argwaan te wekken.

Raffles opende de deur snel met een sleutel, dien hij [29]uit zijn zak haalde en de twee vrienden snelden vlug en onhoorbaar de trappen op, tot zij stil stonden voor een lage deur.

Weer moest een sleutel te voorschijn worden gehaald en daarop traden de twee mannen binnen.

Het eerste wat zij deden, was hun uniformen uit te trekken en onder het ledikant te verbergen.

Zij trokken gewone kleederen aan, veranderden snel het een en ander aan hun gelaat, en pakten ieder een kleine valies.

Toen dit gedaan was trad Raffles op dien smallen dam naast de beide vensters toe, en begon er het behangselpapier van den muur te trekken.

Daarop sneed hij het linnen stuk, waarop het papier geplakt was, en ontblootte aldus den steenen muur.

Met een korten beitel hakte hij de kalk los tusschen een paar steenen, die blijkens haar witte kleur niet lang geleden was aangebracht, en kon ten slotte den steen naar zich toetrekken.

Spoedig volgden er nu anderen, en ten slotte werd er een vrij groote opening zichtbaar, waarin een ijzeren kistje geplaatst was.

Raffles greep het, en liet het in zijn valies glijden.

—Het wordt nu wel wat zwaarder, zeide hij glimlachend, maar men moet er iets voor over hebben om een millioen te dragen, en nu vlug weg.

De beide mannen verlieten het vertrek zoo als zij gekomen waren, daalden de trappen weder af, en openden de straatdeur.

Zij liepen vlug op de auto toe, en Raffles zeide tot Henderson:

—Rijdt nu maar zoo vlug als je kunt, Henderson, over twee uren breekt de dag aan, en dan moeten wij opgestegen zijn.

Weder begon de rit, en Henderson stuurde nu de auto naar de noordelijke grens van de stad, waar eenige breede wegen naar de vrijheid voerden.

Ongeveer een uur later had de toerauto de grens van New-York bereikt.

De huizen werden hoe langer hoe zeldzamer, en hielden eindelijk op.

Maar juist toen Henderson den gangwissel overhaalde om de snelheid van den wagen te vermeerderen, kraakten er schoten—de auto begon te waggelen en in zigzag-lijnen over den weg te zwaaien, blijkbaar was er een der banden geraakt.

—Politie! liet de krachtige stem van Henderson zich hooren, terwijl hij uit alle macht trachtte de auto in het rechte spoor te houden, niettegenstaande een den banden was leeggeloopen.

Het was maar al te waar—reeds had de telegraaf en de telefoon haar plicht gedaan, en in alle wijken der stad was de politie gewaarschuwd.

Alle uitgangen waren bewaakt, en zoo had ook hier een dozijn agenten, onder aanvoering van een inspecteur zich in hinderlaag gelegd.

Het begon langzamerhand te schemeren en het moest reeds voldoende licht zijn, teneinde de vormen van de auto te herkennen, waarvan Chesterton, de bediende en de vier agenten een beschrijving hadden gegeven.

Bovendien hadden de agenten met opzet het eerst op de banden gevuurd voor het geval zij zich toch nog mochten vergissen.

Zij hadden zich opgesteld achter een heg van omstreeks een meter hoogte, en daarover heen gevuurd.

Het was duidelijk, dat de auto onmogelijk nog lang op deze wijze zou kunnen voortgaan.

De vaart was zeer aanzienlijk verminderd, en eensklaps stond de wagen stil—blijkbaar was er een der edele deelen van den motor geraakt.

—Dat ziet er leelijk voor ons uit! bromde Raffles, toen Henderson hem verzekerd had, dat er aan repareeren van de auto niet te denken viel.

Hij wierp een blik achter zich op den breeden straatweg en zag in de verte dat de agenten hun hinderlaag verlaten hadden, en kwamen aansnellen.

Maar Raffles zag ook iets anders, dat hem weder met nieuwen moed vervulde—op nog geen 80 meter afstand, een eind voor de agenten, naderde in snelle vaart een electrische tram.

Raffles wist wat dit voertuig daar zoo vroeg in den morgen deed—zij bracht een ploeg arbeiders naar New Haven, waar juist op dat oogenblik groote havenwerken werden uitgevoerd, waaraan dag en nacht gewerkt werd, met het oog op de dringende behoefte aan ontschepingsruimte.

—Laat die valiezen maar in den steek—op een na wel te verstaan! riep Raffles uit. Die tram moet ons de redding brengen. Wij kunnen er wel een half uur lang gebruik van maken, alvorens wij een andere richting moeten inslaan. [30]

—Maar zij rijdt als de hel! riep Charly uit. Wij kunnen er onmogelijk in vaart opspringen.

Raffles bedacht zich geen oogenblik, maar rukte een der lantaarns van de nu waardeloos geworden auto, haalde een rood zijden zakdoekje te voorschijn en spreidde het vliegensvlug voor het glas uit.

Op het zien van dit onveilig sein remde de wagenbestuurder met een onwillekeurig gebaar zijn wagen—en toen het roode licht eensklaps weder verdween was de vaart genoegzaam vertraagd om het te kunnen wagen zonder gevaar voor gebroken beenen op de tram te springen.

Raffles was op het voorbalkon te land gekomen en riep toen den wagenbestuurder, die wilde stoppen:

—Rijdt maar op. Het was een flauwe grap van een mijner kameraden—ik heb hem er al voor afgerost.

De wagenbestuurder bromde wat in zijn baard, maar hij draaide den zwengel aanstonds weer op volle kracht en de wagen stoof vooruit.

Als de man nog eens achter zich had kunnen zien, zou hij hebben opgemerkt, dat er een troep tierende en met hun armen zwaaiende agenten kwam aanhollen en wellicht zou hij zich dan nog eens bedacht hebben—maar hij deed het niet tot groot geluk van Raffles en zijn metgezellen.

Raffles echter keek nog eenige malen achterom en zag hoe de agenten bezig waren, de auto te onderzoeken.

Blijkbaar waren zij het spoor bijster, en mogelijk hadden zij niets gezien van het spel met de electrische tram.

Een half uur later reed de tram door een klein vlek, en over eenige minuten zouden zij te New-Haven aankomen.

Maar Raffles wachtte zoolang niet.

Hij gaf Henderson en Charly een wenk, en toen de wagen vaart moest minderen bij het maken van een scherpe bocht in het kleine dorpje, sprongen de drie mannen er af en maakten zich haastig uit de voeten.

Het begon nu in het Oosten te dagen, en over een half uur zou de zon boven de kim staan.

—Wij zullen ons moeten reppen, vrienden! zeide Raffles. Wij zijn hier verre van veilig, want je kunt er wel op rekenen, dat de politie op dit oogenblik overal telefonisch gewaarschuwd is.

—Maar hoe is dit eigenlijk mogelijk, Edward! vroeg Charly.

Raffles haalde eenigszins ongeduldig de schouders op en zeide:

—Had je soms iets anders verwacht? Ik wist wel, dat ik op niet veel meer dan een uur zou kunnen rekenen, van het oogenblik af, dat Chesterton door Henderson naar de gevangenis werd teruggebracht. Het spreekt vanzelf, dat hij er Flannagan bij heeft gehaald, en die heeft natuurlijk spoedig ontdekt, dat hij wel degelijk met den echten Chesterton te doen had en dat die zoogenaamde brigadier Smiles.….. wel eens heel iemand anders kon zijn en een kort telefonisch gesprek met den butler heeft hem ook op de hoogte gebracht van onze kleine indiscretie ten opzichte van de brandkast.

—Zou Sullivan bij de achtervolgers zijn?

—Natuurlijk! Die zou zich dat niet gaarne laten ontsnappen! zeide Raffles, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Het zou mij zelfs niet verwonderen, als het jonge meisje Dorrit Evans, mijn bevallige vijandin, zich bij hem had gevoegd.

De drie mannen hadden thans den breeden straatweg verlaten, en volgden een tamelijk breed grintpad, dat door en over de heuvels naar een tweede dorpje voerde, op ongeveer een half uur gaans van het eerste gelegen.

Toen zij weder op den top van zulk een hoogen heuvel waren beland, wendde Raffles zich om, ten einde een blik achter zich te werpen en riep:

—Daar komen zij aan! Zie maar, die kleine stippen daarginds op den straatweg. Er is bereden politie bij. Twee auto’s en acht bereden manschappen.

—Zij doen het niet minder! zeide Henderson op grimmigen toon.

—Als zij ons maar niet gezien hebben! riep Charly uit. Wij moeten dunkt mij duidelijk tegen de lucht afsteken.

Dat bleek maar al te waar te zijn, want eensklaps joegen de acht bereden agenten hun paarden in vollen galop over den grintweg, dien de drie mannen gevolgd hadden, terwijl de auto’s moesten achter blijven.

Het was nu bijna dag, en duidelijk waren de kleine figuurtjes der bereden agenten te zien.

—Zal ik er een paar van hun paard schieten, Mylord, [31]om er den schrik een beetje in te brengen? vroeg Henderson op gedempten toon, met dreigend gefronst voorhoofd.

—Niet voor dat het volstrekt noodzakelijk is, Henderson! antwoordde Raffles kort. Ik heb een ander middel, dat hen nog wel eenige minuten zal tegenhouden, en dat is voldoende, want binnen vijf minuten kunnen wij de loods bereikt hebben, waar de vliegmachine staat.

De weg was op deze plek van de omringende weide afgescheiden door een soort heg van staaldraad, op hooge, sterke palen gespannen.

De onderste daarvan bevonden zich op ongeveer een voet van den grond.

In een oogwenk had Raffles een dezer draden doorgeknipt en dwars over den weg gespannen.

Het was in minder dan een halve minuut verricht, en nu vlogen de drie mannen snel als de wind voort, den heuvel af, en naar een groote loods, een soort stal toe, die aan een bejaarden schapenfokker toebehoorde.

De loods lag een tamelijk eind van den weg, en alleen Raffles had een sleutel van de deur.

Onder het loopen wendden zij nu en dan den blik om, en plotseling verschenen er boven op den heuveltop achter hen een aantal ruiters.

Maar drie daarvan, die flank aan flank gegaloppeerd hadden, kwamen plotseling met hun rijdieren te vallen, alsof een reuzenhand hen eensklaps de beenen onder het lichaam had weggetrokken.

Ook een vierde ruiter, die een halslengte achter was, kon zijn paard niet meer inhouden, en struikelde over den staaldraad.

De anderen hadden onwillekeurig hun paarden ingehouden, teneinde zich met hun gekwetste makkers te bemoeien, en juist op dat oogenblik hadden de drie vluchtelingen de loods bereikt, waarvan de deur door een gelukkig toeval van den weg was afgekeerd, zoodat de agenten niet aanstonds konden zien, wat er gebeurde.

Raffles stak den sleutel in het slot, en Henderson zette zijn schouders tegen de breede vleugeldeur en duwde ze open.

Met vereende krachten trokken de drie metgezellen den stalen vogel naar buiten, den „Duivel der Lucht”, die hen ruim een maand geleden over den Oceaan had gevoerd, en die hier trouw had gewacht, door Henderson zorgvuldig onderhouden.

Het valies met den kostbaren inhoud werd in het schuitje geworpen, Busto sprong met een luid geblaf in het schuitje en de drie mannen volgden hem.

Met „Den Duivel der Lucht” behoefde men zich niet te bemoeien met benzine, het wonderbare vliegtuig werd door electriciteit in beweging gebracht.

Raffles had, na snel den dikken pels te hebben aangetrokken, die in een ruimte onder de zitplaatsen opgeborgen was geweest, achter de stuurinrichting plaats genomen, en bracht den electromotor in beweging.

Aanstonds begonnen de twee machtige schroeven te draaien met zulk een kracht, dat de zware loodsdeuren toesloegen, als waren zij niet meer dan een blaadje papier.

Nu hadden de agenten de machine gezien—maar hun kansen waren verkeken.

Zij spoorden hun paarden tot bloedens toe, maar juist toen zij de plek bereikten, waar de Duivel der Lucht zooeven gestaan had, verhief de vliegmachine zich bijna kaarsrecht in de lucht, en scheen den spot te drijven met zijn machtelooze achtervolgers die vruchteloos hun revolvers op het aluminium wonder leegschoten.

Het laatste wat de mannen der wet nog met eenige duidelijkheid konden onderscheiden, was een hand, die hen over den rand van het schuitje vaarwel scheen toe te wuiven.