„Seradschi!”
De Mohammedaansche herbergier, die te midden van een groep geloofsgenooten en Indiërs stond, naderde den jongen man, die hem had geroepen en welke op een Arabier geleek, hoewel zijn gelaat onmiskenbaar een Engelsch type had.
„Weet je zeker, dat het een tijger was?” vroeg de vreemdeling.
„Ja, Sidi! Ik heb zijn spoor gezien! Het is groot en scherp geteekend. Het moet dus een wijfje zijn, en Allah moge het vervloeken! Bijna elken dag verscheurt zij mij een mijner schapen. Ik ben een arme koffiehuishouder en bezit slechts 22 schapen. Kan zij niet naar iemand gaan, die het beter kan missen?”
„Waarom maak je haar niet dood?”
„Het wijfje van den gelen tijger dooden? Weet gij niet, dat er een Scheitan onder haar huid woont en dat die iedereen verscheurt, welke haar kwaad wil doen?”
De jonge Engelschman keerde zich lachend tot zijn vriend, die naast hem op een deken lag en in het Engelsch sprak hij tot dezen:
„Wat denk jij er van, Charly, zullen wij den Scheitan eens onschadelijk maken?”
„Ik ben gaarne bereid, Edward,” antwoordde de gevraagde.
De persoon, die met den naam Charly werd toegesproken, was een jonge man van misschien vijf-en-twintig jaar. Klaarblijkelijk was hij een Engelschman, evenals zijn vriend, die een flinke dertiger kon zijn, en evenals deze, in een witte burnous gehuld, zooals de Arabieren die dragen.
Beiden rookten uit korte aarden pijpjes en genoten van de voor hen staande Turksche koffie.
De herberg, waarin dit gesprek werd gevoerd, lag in een dal, dat omringd was door steile rotswanden. In het oosten bevond zich een nauwe pas, die naar den karavaanweg geleidde, welke door de woestijn liep.
De Engelschman vatte het gesprek weer op en sprak tot den herbergier, die voor hem stond:
„Maar als je het wijfje van den tijger niet doodt, dan zal het ten slotte ook jou verscheuren!”
„Zij zal ver van mijn huis blijven, al vermoordt zij mijn kudde ook. Wie driemaal per dag bidt, is veilig voor alle wilde dieren.”
„Ik bezit iets, dat machtiger is en dat mij tegen alle vijanden beschermt.”
„Leer mij, wat het is, o heer!” [2]
„Leeren kan ik het je niet, maar ik wil het je laten zien!”
De Engelschman had zijn geweer ter hand genomen, dat naast hem lag, en legde het schertsend aan op den Arabier.
Verschrikt sprong deze op zij.
„Vlucht, mannen! De Sidi heeft zijn verstand verloren en wil ons vermoorden!”
Onder de weinige gasten van het koffiehuis ontstond een groot tumult. Allen drongen opzij om buiten schot te komen.
Vroolijk riep Lord Lister, want hij was de Engelschman, terwijl hij zijn geweer neerzette:
„Blijft rustig zitten, mannen. Ik wil niemand van u dooden, maar ik zal u van den tijger bevrijden. Seradschi, breng mij naar de plek, waar je schapen zich bevinden.”
„Maar heer, zijt gij dol? Verlangt gij, dat ik nu, in den nacht, met u naar buiten zal gaan om mij door het ondier te laten verscheuren?”
„Beschrijf mij dan de plaats, waar je schapen zijn.”
„Op nauwelijks honderd pas afstands van hier, in het zuiden, waar al die steenen liggen.”
Lord Lister was opgestaan en had zijn buks opgenomen. Het mes stak reeds in zijn gordel.
Ook zijn vriend Charly stond op, zijn geweer opnemende.
Lord Lister vroeg de drie bedienden, die hem vergezelden:
„Wie van u gaat mee?”
Alle drie sprongen op. Vrees stond duidelijk op hun gelaatstrekken te lezen. De grootste van hen, een Mohammedaan, trad naar voren en sprak, terwijl hij de armen als afwerend uitstrekte:
„Ik dank Allah, dat ik het leven heb! Gij kunt niet verlangen, heer, dat ik het aan de wilde dieren geef.”
„Dus je bent bang, Hassan!”
Op de bekende, bloemrijke wijze van alle Oostersche volken, die altijd in overdrijving vervallen, antwoordde deze:
„O, Sidi, zet mij tegenover honderd vijanden en Hassan vreest niet; maar met een wild dier vechten, dat nooit!”
„Blijf dan hier.”
„O, heer, ga ook niet, gij zijt een mensch, op wiens vleesch de beesten verzot zijn. Als gij nu gaat, verscheuren zij u en men zal morgen niets meer van u vinden dan de zolen uwer schoenen.”
„Wees gerust, Hassan, je zult morgen niet alleen de schoenen zien, maar ook den man, die ze draagt. Kom, Charly!”
Snel verlieten de beide vrienden het veilige huis en liepen den nauwen pas door. Nauwkeurig in zuidelijke richting gaande, bemerkten zij ook spoedig een massa hooge, geweldige rotsblokken.
De omheinde plek, waar zich de schapen bevonden, grensde aan een der rotswanden. De drie andere zijden waren door palen afgeschoten, die onderling door touwen verbonden waren.
Het was een heldere nacht, zoodat men gemakkelijk de omtrekken der rotsmassa’s kon zien.
Tusschen twee dezer rotsen bevond zich op tamelijke hoogte een kloof, die van boven door neergevallen steenen was bedekt.
Zoodoende aan drie kanten afgesloten, bood deze ruimte een veilige schuilplaats aan voor jagers.
Beide vrienden hadden, eer zij de herberg verlieten, de witte burnous, die hun bij het klimmen hinderlijk zouden zijn geweest, eerst afgelegd. Door niets in hun bewegingen gestoord, klommen zij langs de tamelijk steile rotswanden naar boven en weldra hadden zij de kloof bereikt.
Lord Lister was de eerste, die deze kloof betrad. Langzaam voorwaarts gaande, trachtte hij te zien, wat zich in de donkere ruimte bevond.
Charly Brand was zijn vriend gevolgd en daalde juist neer in de grot, toen hij met een kreet van ontzetting terugdeinsde.
Met een woedend gesis had zich een monsterdier opgericht; in het volgende oogenblik voelde Charly hoe het zich om zijn rechterbeen wond en nu naderde de kop van de reuzenslang met uitgestrekte tong het gelaat van den armen jongen.
Het was een tijgerslang van de grootste soort, die door Charly in haar zoete rust was gestoord.
Verlamd van schrik bleef de jonge man staan. Achter hem de steile rotsen, voor hem de zwarte kloof, die misschien nog meer vreeselijks verborg en dicht bij zijn gelaat de wijdgeopende bek van het afschuwelijke dier met de dood aanbrengende gifttanden.
Lord Lister had met een enkelen blik gezien in welk vreeselijk gevaar zijn vriend zich bevond. Elk oogenblik kon zijn laatste zijn, als het monster beet, was Charly reddeloos verloren.
Bliksemsnel had hij zijn geweer omgekeerd. Met groote kracht suisde de kolf langs het hoofd van Charly en verpletterde den kop van de slang tegen den rotswand. [3]
Het lichaam van het reptiel kromde zich in zijn laatste stuiptrekkingen zoo vast om het been van den jonge man, dat deze elk oogenblik het kraken zijner beenderen meende te zullen hooren.
De slag was met geweldige kracht aangekomen.
Snel had Lord Lister zijn mes uit den gordel getrokken en met een enkele snede den half verpletterden kop van den romp der slang gescheiden.
De stuiptrekkingen hielden op en eenige oogenblikken later viel het doode lichaam op den grond neer.
Charly kon van ontzetting geen enkel woord spreken; half bewusteloos leunde hij in de armen van zijn vriend.
„Je hebt mij het leven gered,” sprak Charly eindelijk, geheel uitgeput.
„Maar, beste jongen, dat is het praten niet waard; jij zult hetzelfde doen als het noodig is. Nu zullen we eerst eens kijken, hoe ons slachtoffer er uit ziet.”
Bij nadere beschouwing bleek het een tijgerslang van 8 meter lengte te zijn.
Lord Lister had zijn electrische zaklantaarn te voorschijn gehaald en liet het licht in de kleine grot vallen om te zien of zich daarin nog meer slangen bevonden.
Deze vrees was echter ongegrond.
De beide vrienden maakten het zich nu zoo gemakkelijk mogelijk. Met de geweren in de hand luisterden zij in gespannen aandacht naar elk geluid in de stille wildernis.
Plotseling ontstond beweging onder de schapen. Zij staken de koppen bijeen en kropen angstig tegen den rotsmuur aan.
Lord Lister boog zich een beetje voorover om beter te kunnen zien en hooren. Daar vernam hij boven zich een bijna onhoorbaar sleepend geluid. Blijkbaar was het dier op de rots geklommen om zijn buit te bespringen.
Snel trok de Lord zijn hoofd weer terug. Men hoorde duidelijk hoe de klauwen van den tijger over de rotsen schuurden.
Nu volgde een sprong, een donker lichaam vloog langs de hoofden der jagers—een korte, blatende doodskreet, die uit het midden der angstig samenscholende schapen weerklonk, en fier opgericht stond de tijger tusschen de doodsbeangste beesten; onder zijn rechter voorpoot lag het gedoode schaap.
Het roofdier hief nu zijn kop op en stiet luide zijn zegekreten uit.
Wie deze klanken ooit heeft gehoord, zal ze nooit vergeten.
De wijd geopende, groenachtig glanzende oogen van het dier boden een prachtig mikpunt aan. Nog voordat het gebrul was verstomd, knalde een schot door den stillen nacht.
Met vervaarlijk gebrul vloog het dier in de hoogte en wilde het naar de rotskloof springen. Voordat het deze echter kon bereiken, viel het op den bodem neer De kogel was midden in het eene oog gedrongen.
Charly kon zich niet weerhouden zijn vriend een luid „bravo!” toe te roepen.
Het geheele voorval had zich zoo snel afgespeeld, dat Charly, hoewel hij zijn geweer gereed had gehouden, geen gelegenheid tot schieten had gehad.
De luide knal, die den tijger had gedood, had echter een geheel onverwachte uitwerking.
Plotseling weerklonk in de verte een heesche, woeste kreet, waarop reeds na zeer korten tijd een woedend gebrul in de nabijheid volgde.
Met groote sprongen naderde een slank, lenig dier, dat dicht bij de schapen, juist tegenover de jagers, neerhurkte.
Het was blijkbaar de mannelijke tijger, die door den doodskreet van het wijfje opmerkzaam gemaakt, was komen aansnellen.
Ondanks het slechte licht scheen het beest zijn beide vijanden in de rotskloof opgemerkt te hebben. Hij hurkte met een woedend geblaas neer, om zich tot den sprong voor te bereiden.
Dit alles was zoo razend snel gegaan, dat Lord Lister geen tijd had gehad om zijn buks weer in gereedheid te brengen. Hij had juist opnieuw geladen, toen het dier als een pijl uit den boog naar de jagers toesprong.
Beiden schenen nu verloren te zijn. Daar knalde weer een schot en in dit ondeelbaar korte oogenblik zag men het slanke lichaam van het dier zich door de lucht bewegen.
Over den kop vliegend viel het met een luiden plof op een vooruitstekend rotsblok aan de voeten der beide vrienden neer.
Toen Charly begreep in welk gevaar zij verkeerden, had hij, zonder zich een oogenblik te bedenken, geschoten en zoodoende zich zelf en zijn vriend voor een zekeren dood bewaard. In zijn opgewondenheid en haast moest hij echter niet juist gemikt hebben.
De tijger was wel zwaar gewond neergevallen, maar niet dood.
Een ontzettend gebrul weerklonk. Schuim en bloed vloeiden uit den wijdgeopenden bek van het roofdier [4]en, zich half oprichtend, sloeg het reusachtige dier de klauwen uit naar zijn vijanden.
Met gespannen aandacht had Lord Lister het tooneel gevolgd. In koortsachtige haast had hij zijn buks geladen en nu legde hij aan op den gewonden tijger. Een schot weerklonk, het prachtige beest rolde van het rotsblok naar beneden en kwam terecht tusschen de schapen, die angstkreten uitstieten.
Hoewel Lord Lister geen vrees kende, ontsnapte hem toch een zucht van verlichting, toen hij den geweldigen vijand zag vallen.
Zijn vriend een hand gevend, sprak hij:
„Zie je, Charly, nu heb je mij den kleinen dienst van zooeven reeds vergolden, want zonder jouw hulp zou die knaap daar beneden hier een leelijke rol hebben gespeeld.”
De koene jagers laadden hun geweren en klauterden daarop naar beneden.
Beide roofdieren lagen over elkaar heen. Zij waren enorm groot en vooral het wijf je was zoo zwaar, dat men het slechts met moeite kon bewegen.
Uit de verte weerklonk het gehuil van den jakhals. Deze lijkenroover der woestijn had de sporen der tijgers gevolgd en hoopte nu op een heerlijk maal.
Toen de helden van dit nachtelijk avontuur de herberg weer binnenkwamen, waren de gasten nog bijeen. Nieuwsgierigheid, gepaard met angst, hadden hun wakker gehouden.
Het scheen hun ongelooflijk, dat twee menschen het hadden durven wagen om midden in den nacht op een zoo gevreesd roofdier te gaan jagen. Het geknal der schoten had hun verteld, dat een gevecht plaats vond; natuurlijk dachten zij niet anders dan dat de beide overmoedige jagers het zouden moeten afleggen.
Men staarde nu de binnentredenden als spookverschijningen aan.
„Welkom, heeren!” sprak de waard. „Gij hebt verstandig gedaan. Wij hebben uw schoten gehoord, dat zal ook de tijgers gedurende dezen nacht wel op een afstand houden.”
Lord Lister antwoordde:
„Het wijfje van den tijger is met het mannetje gekomen en heeft een van je schapen gedood. Je moet het dadelijk halen, anders vreet de jakhals het op, wiens huilen wij reeds hebben gehoord.”
„Allah behoede mij, maar de jakhals mag het opvreten. Ik ga niet naar buiten, waar de wilde beesten mij zouden verslinden.”
„Je zult niet verscheurd worden, want de beide tijgers zijn dood.”
„Spreekt gij de waarheid, Sidi?”
„Mijn woord is waarheid! Komt, mannen, en helpt om de lichamen der gedoode dieren naar binnen te halen!”
Bij deze woorden maakte zich een groote opgewondenheid van de aanwezigen meester.
Niemand wilde gelooven, dat de Engelsche heer waarheid sprak en de beide vrienden hadden geruimen tijd noodig om hen tot meegaan te bewegen.
Eindelijk besloot men er toe en ontstak fakkels. Onder aanvoering der beide helden gingen allen op weg.
De schapen kropen angstig bij elkaar, toen zij de brandende fakkels zagen.
Het nu volgende tooneel is niet te beschrijven.
Nauwelijks hadden de Arabieren de gedoode beesten gezien, of zij wierpen zich op de lichamen. Zij sloegen de nu weerlooze beesten met vuisten, trapten er met hun voeten op en overlaadden ze met alle mogelijke scheldwoorden, waaraan de Oostersche volken zoo rijk zijn.
Daarop werden de dieren naar de herberg gesleept en stroopte men hun daar het vel af.
Toen de beide vrienden zich in hun dekens hadden gehuld, sprak Charly:
„Raffles als tijgerjager en slangendooder—dat is nog niet voorgekomen.”
Lord Lister antwoordde slechts met een vroolijk lachje, daarop sliepen beiden in. [5]